Gedenken en vrijheid vieren

4 en 5 mei speech van burgemeester Lenferink

Burgers van Leiden, dames en heren,

In gebondenheid staan we vanavond stil bij de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog en morgen bij 75 jaar Vrijheid. We hadden het allemaal anders voorgesteld: 75 Jaar is immers niet niks en we wilden daarvoor graag goed uitpakken. Maar vandaag, juist op deze dag, blijft de Pieterskerk beklemmend leeg. Wij herdenken de slachtoffers van oorlogsgeweld door juist niet samen te komen, maar op veilige afstand van elkaar te blijven.

Het is dit jaar wellicht de laatste grote herdenking en viering van het eind van de Tweede Wereldoorlog waarbij nog mensen aanwezig zijn die de oorlog bewust hebben meegemaakt. Die generatie met al haar herinneringen sterft immers uit. Wij moeten het daarna doen met geleend geheugen, zoals de journalist Jérôme Heldring het ooit noemde, met de herinneringen van de vorige generatie en de verhalen die van daaruit zijn verteld. 

Mijn eerste geleende herinneringen aan de oorlog hebben betrekking op Delden, de plaats waar mijn ouders woonden tijdens de oorlog. Ik heb ze van mijn moeder, mijn vader sprak er niet over. Wat mijn moeder mij vertelde, maakte indruk. Zoals het verhaal van de huwelijksnacht in 1941, waarin mijn vader eigenlijk was ingedeeld om telefoon- en telegraafkabels te bewaken - een soort algemene dienstplicht voor de mannelijke bevolking, maar die hij verzuimde om bij mijn moeder te kunnen blijven. Of het verhaal van de verwoesting van ons huis in 1944, toen terugkerende geallieerde bommenwerpers de laatste bommen uitwierpen, maar in plaats van de beoogde spoorlijn het huis van mijn ouders raakten. Mijn moeder en mijn oudste zus, die in de wieg lag, waren thuis. Zij overleefden het wonderbaarlijk. De laatste oorlogswinter brachten mijn ouders door op een steenkoude zolder met onbeschoten kap boven een smederij. Ook de manier waarop mijn moeder vertelde hoe het bij haar door merg en been ging toen ze in april 1945 vanuit een kelder hoorde hoe gewonde jonge Duitse soldaten, kinderen eigenlijk nog, om Mutti riepen, vergeet ik nooit meer.

Van en over Leiden tijdens de bezetting ken ik inmiddels veel meer verhalen. Er zijn er ook veel bewaard gebleven. Nederlanders beseften heel goed dat ze een uitzonderlijke periode meemaakten. Velen hielden dagboeken bij of schreven later hun herinneringen op. Foto’s, films, archieven en objecten completeren het beeld. De oorlog was en is nog steeds een met veel emotie omgeven tijd. Velen voelden de steeds toenemende dreiging doordat ze naaste verwanten verloren of vrienden en kennissen opgepakt zagen worden. De toenemende onrechtvaardigheid, de beklemmende onvrijheid en de voedselschaarste maakten diepe indruk. De oorlog was ook een periode waarin velen voor grote dilemma’s stonden. Keuzes konden ernstige persoonlijke consequenties hebben voor de personen die ze maakten of hun naasten en de eerste jaren was het ook nog niet duidelijk dat Duitsland de oorlog zou verliezen. De Leidse oorlogsverhalen zijn rijk aan bijzondere ervaringen en zijn, bekend of minder bekend, meer dan waard om in herinnering te blijven, als aandenken aan een tijd waarin vrijheid een begrip was waar naar verlangd werd, waarvoor gestreden werd.

In mei 1940 werd er eerst nog gevochten om die vrijheid te behouden, ook bij Leiden. In de nacht van 9 op 10 mei 1940 waren Duitse luchtlandingstroepen bij de vliegvelden Ypenburg, Ockenburg en Valkenburg geland en de laatsten hadden daarbij ook de brug over de Haagsche Schouw veroverd. Met zwaar verouderde geweren en heel weinig munitie wisten de nog ongeoefende rekruten die in de stad gelegerd waren die brug te heroveren, waarbij de reservemajoor Herman Mulder, een heldenrol speelde. Het verslag van zijn acties kun je in het Leidse gemeentearchief vinden. Mulder schreef dat hij op de fiets achter een vrachtwagen rijdend de brug naderde en dat hij even verder bij een huis zicht kreeg op Duitse soldaten en met een geleende karabijn een soldaat wist te doden en een tweede wist te verwonden. Even later wist hij samen met een sergeant nog een Duitse soldaat te doden, waarna de twee Duitsers die nog niet getroffen waren, zich overgaven. De brug was heroverd. Het mocht uiteindelijk niet baten, ons land capituleerde enkele dagen later. Maar ieder jaar staan we nog stil bij de gebeurtenissen van toen, bij het monument voor de gevallen Nederlandse soldaten dat in 1941 werd opgericht bij Het Haagsche Schouw.

De eerste maanden van de bezetting leek er aanvankelijk niet zo heel veel te veranderen. Er waren zeker sterke anti-Duitse gevoelens en de afkeer van leden van de Nationaal-Socialistische Beweging was groot, maar in het uiten daarvan was men wel voorzichtig. In Leiden was dat wel iets minder het geval dan elders. De Leidse hoogleraar Rudolph Cleveringa noteerde in juni 1940 een grap die de ronde deed: Duitsers zouden Nederlanders niet langer kaaskoppen noemen, maar fluitketels. Waarom? De Nederlanders koken van binnen, maar fluiten van buiten. Dat koken richtte zich niet alleen op de Duitsers, maar ook op de leden van de Nationaal Socialistische Beweging, de NSB’ers. Leidenaar Han de Wilde, die een winkel in textielwaren had aan de Breestraat, noteerde in zijn dagboek tal van opmerkingen over de publieke opinie tijdens het eerste jaar van de oorlog die allemaal als strekking hebben dat de haat tegen de Duitsers groeiende was, maar ook dat de woede over de NSB’ers misschien nog veel groter was. Dat uitte zich ook in wat er op straat gebeurde: er waren regelmatig opstootjes, bij de NSB-winkel werden de ruiten ingegooid, NSB’ers werden uitgefloten en uitgejouwd of in ieder geval met minachting bejegend. Op scholen waren tassen met anti-Duitse afbeeldingen populair en het aantal grappen over Duitsers en NSB’ers oneindig. De houding van de bevolking had natuurlijk van alles te maken met het verlies aan onafhankelijkheid, met gekrenkte nationale trots, maar zeker ook met de materiële omstandigheden: de rantsoenering en het algemene gevoeld dat “de moffen hier alles weghalen”, zoals De Wilde in december schreef. 

Van een principiële houding was, zelfs bij de invoering van discriminerende bepalingen, zoals de Ariërverklaring nog weinig sprake. Maar bij het ontslag van Joodse ambtenaren en dus ook hoogleraren in november 1940 ontstond die wel. De Leidse hoogleraren Cleveringa, Barge en Van Holk hielden alledrie een vlammende protestrede. Dat vergde moed, want men kon represailles verwachten, ook al was toen nog absoluut niet helder waartoe de Nazi’s wel niet in staat waren. De rede van Rudolph Cleveringa in het Groot Auditorium is het meest bekend geworden en is inmiddels een icoon voor de weerstand tegen de nationaal socialistische ideologie in de oorlog. Maar de toespraak van Ton Barge, waar de Bargelaan achter het station naar is genoemd, in de Collegezaal van het Anatomisch laboratorium aan de Wassenaarseweg, was inhoudelijk zeker zo scherp. Hij maakte korte metten met de Duitse rassenleer. W. Hijmans, die als student aanwezig was, beschreef later dat iedereen voelde wat er gebeurde tijdens het college, dat het voor iedereen een onverwachte en onvergetelijke gebeurtenis was, maar ook dat niemand dacht Barge daarmee buiten zijn boekje ging. Hij bleef de zaak immers strikt wetenschappelijk benaderen. Één student verliet boos de zaal. Dat was een NSB’er. De gebeurtenissen volgden elkaar hierna snel op. De rechtenstudenten, en vele anderen begonnen een staking, aangespoord door professor Ben Telders, collega van Cleveringa. De bezetter reageerde met het sluiten van de universiteit als onderwijsinstelling. Telders en anderen werden opgepakt. Telders overleefde de oorlog niet.

Leiden vormde ook het decor van een flink deel van de ervaringen van Erik Hazelhoff Roelfzema, auteur van het in de hele stad aangeplakte en verspreide Leids Manifest, waarin hij protesteerde tegen de sluiting van de universiteit. Hij zette zijn herinneringen aan de oorlogsjaren op papier, in “Het hol van de ratelslang”, later heruitgegeven als “Soldaat van Oranje 1940-1945”. Het boek werd met Rutger Hauer in de hoofdrol verfilmd als “Soldaat van Oranje”. De film - die deels ook in Leiden is opgenomen - en de nu al bijna 10 jaar in een van de hangars van het vroegere Vliegkamp Valkenburg draaiende musical met dezelfde naam hebben het verhaal van heldenmoed en verraad tot een van onze klassiekers gemaakt.

Al met al was het in Leiden in het eerste oorlogsjaar tamelijk onrustig, onrustiger dan elders. Dat leidde er toe dat burgemeester Mr. Adriaan van de Sande Bakhuyzen per 1 april het veld moest ruimen. Hij werd vervangen door Mr. Raimond de Ruyter van Steveninck, een van de vroegste leden van de NSB (hij had stamboeknummer 130). De Leidse gemeenteraad functioneerde toen nog en ook de wethouders waren nog gewoon op hun post. De sociaal-democratische wethouder Max Verweij, die zijn herinneringen aan het papier heeft toevertrouwd, meende dat dat ook goed kon, in het belang van de gemeenschap. Toen de gemeenteraden per 1 september 1941 werden opgeheven en het eenhoofdig bestuur van de burgemeester werd ingesteld, diende hij echter samen met zijn collega-wethouders alsnog zijn ontslag in. Dat werd evenwel niet aanvaard, ook niet geweigerd overigens. Het werd in beraad genomen.... en gehouden. Pas in de zomer van 1944, toen een van de andere wethouders werd vervangen door een NSB’er, besloot hij enkelzijdig ontslag te nemen en onder te duiken. In de tussentijd hadden hij en zijn collega’s steeds te dealen met de afweging, nu vertrekken of doorgaan om er voor de bevolking het beste van te maken: het klassieke dilemma van de burgemeester in oorlogstijd, ook al ging het hier om een wethouder. 

Verwey had een mild oordeel over De Ruyter van Steveninck. Hij sprak met ambtenaren eigenlijk niet over politiek, stuurde wel af en toe NSB-propaganda rond in de organisatie, maar dat had weinig succes. Verweij schreef dat hij waardering had voor de kwaliteiten en de werkkracht van De Ruyter van Steveninck en dat hij wist dat die “het met verschillende maatregelen van de bezetter niet eens was en gedwongen werd aan de uitvoering daarvan mede te werken.” En verder dat hij ervan overtuigd was dat Steveninck “het met de belangen van de gemeente en de ingezetenen heel goed meende en met tact en beleidvol optreden trachtte de moeilijkheden en ongemakken die de bezetting medebracht, zoo draaglijk mogelijk te maken.” Ernstige feiten zijn over De Ruyter van Steveninck ook nooit naar boven gekomen. Wel bleef hij ook na de oorlog de nationaal-socialistische ideologie trouw, waardoor hij toch nog een flinke straf opgelegd kreeg. De rol van De Ruyter van Steveninck toont aan dat het allemaal niet helemaal zwart-wit was.

Het meest schrijnende van wat er zich tijdens de bezettingsjaren heeft afgespeeld is ongetwijfeld de holocaust. Anti-Joodse maatregelen volgden elkaar in Nederland vanaf september 1940 in een rap tempo op, dus ook in Leiden. De vrijheid van Joden werd stap voor stap ingeperkt. Een steeds groter deel van de openbare ruimte werd voor hen tot verboden gebied verklaard, de contactmogelijkheden met Niet-Joden steeds verder beperkt. Op de persoonsbewijzen en op de kleding werden markeringen aangebracht dat de drager ervan Joods was. Joden waren gebrandmerkt en hadden nauwelijks bewegingsvrijheid meer. Daarmee vormden ze een makkelijke prooi. 

Leiden telde bij aanvang van de oorlog zo’n 350 Joden. In 1941 gaven zich in de hele regio 470 Joden als zodanig op, terwijl daarnaast 151 meldden dat ze twee Joodse grootouders hadden en 70 één Joodse grootouder. Van de Joden uit Leiden en omgeving heeft naar schatting ruim veertig procent de oorlog overleefd. Dat is ongeveer het hoogste percentage dat in Nederland is gevonden. Hoe dat zo kwam? Daar hebben meer mensen zich het hoofd over gebroken. In Leiden was in ieder geval een groot verzetsnetwerk actief, voor een deel al vrij vroeg, dus nog voordat duidelijk begon te worden dat Duitsland de oorlog ging verliezen en zelfs al voor de jodenrazzia’s van voorjaar 1943. Wellicht waren Joden in Leiden en omgeving ook wel meer geassimileerd dan elders, zodat makkelijker contact met niet-Joden kon worden gelegd en behouden en men eerder kon onderduiken. Het grote aantal gemengde huwelijken wijst daar althans wel enigszins op. Als dit klopt heeft het ook wel iets wrangs: je hebt meer kans op overleven als je maar niet jezelf bent. 

Naar alle waarschijnlijkheid is ruim een derde van alle Leidse Joden ondergedoken geweest, in Leiden of elders. Mogelijk hadden nog meer Joden, vooral kinderen uit het Joods weeshuis aan de Rodenburgstraat, de oorlog overleefd als Directeur Nathan Italie in maart 1943 gehoor had gegeven aan de waarschuwingen die via zijn buurman Hijme Stoffels tot hem kwamen, afkomstig van agenten uit Leidse korps, van de conciërge van het politiebureau en vanuit een dame uit het verzet die op de kinderen van een hoge politieman paste en het plan voor het leeghalen van het weeshuis in een la had zien liggen. Daar zijn verschillende getuigenissen van. Italie weigerde echter de kinderen te laten onderduiken. Hij wilde, als eindverantwoordelijke voor de 51 wezen, de groep bij elkaar houden, met desastreuze gevolgen: bijna alle kinderen waren binnen weken, hooguit maanden vermoord, de meesten in Sobibor. Lotte Adler, een meisje van Duitse afkomst is symbool geworden van het trieste lot van de kinderen. Haar levensverhaal is beschreven door een schoolvriendinnetje aan de hand van het foto-album van Lotte, dat bewaard is gebleven. Het citaat van Lotte op de titelpagina, “Ik zing terwijl het binnen in mij huilt”, spreekt boekdelen.

Uiteindelijk zijn ook in Leiden toch meer dan de helft van de Joden omgekomen. Dat kon alleen maar doordat vele Nederlanders daaraan hebben meegewerkt: ambtenaren van de burgerlijke stand en andere functionarissen. Ambtelijke stiptheid en correctheid zaten bij de meesten ingebakken. Slechts weinigen durfden het aanvankelijk aan de maatregelen van de Duitsers actief tegen te werken. De Leidse politie, zonder inzet waarvan de deportaties nooit hadden kunnen plaatshebben, heeft op enkele individuele dappere uitzonderingen na ook gewoon meegewerkt aan het uit huis halen en bijeenbrengen van Leidse Joden. We moeten daarbij wel bedenken dat het korps toen werd geleid door de NSB-commissaris Hoffmann. Sommige agenten, waaronder Willem de Groot en Adriaan Biesheuvel behoorden zelfs tot de categorie fanatieke jodenjager. 

Er zijn meer bijzondere verhalen over Leiden in de oorlog, over de verzetsgroepen en de verzetsacties bijvoorbeeld, die vooral de laatste jaren van de bezetting, toen de Duitse nederlaag zich begon af te tekenen, steeds groter en actiever werden. Een echte eenheid vormde het verzet nooit. De groepen trokken meestal hun eigen pad. Alexander Bernard, in kringen van de illegaliteit bekend als Lex en tijdens de oorlog werkzaam bij de Distributiedienst, schreef zijn herinneringen vlak na de oorlog op. En met hem hebben ook anderen daarover getuigd, op papier of in interviews. De meeste activiteiten van het verzet speelden zich overigens in stilte af, daar merkten maar weinigen iets van, zoals de hulp aan onderduikers en het spionagewerk, maar het werk was wel gevaarlijk en kon tot ernstige represailles leiden. In en rond Leiden verschenen talloze illegale bladen en er waren illegale zenders. Hoe gevaarlijk dat werk wel niet kon zijn bewezen de Duitsers toen ze een illegale zender die in het huis Lammenschansweg 68 was verborgen, samen met de radioman te pakken kregen. Het huis werd gewoon opgeblazen. Dat is nog te zien, het is na de oorlog in afwijkende vorm weer opgebouwd als Dahliastraat 25. 

Gewelddadig verzet vond er in Leiden de eerste jaren nauwelijks plaats, er zijn slechts enkele feiten geregistreerd. Vanaf 1944 werd dat anders. Overvallen op en diefstallen uit bedrijven en distributiekantoren in Leiden en omgeving e.d. waren niet van de lucht. Twee gewelddadige acties uit de eerste helft van 1944 zijn min of meer tot de collectieve herinnering gaan behoren: de moordaanslag op de NSB-directeur van het Arbeidsbureau Gerard Diederix in januari 1944 en de poging tot brandstichting in de vuurwerkfabriek Kat twee maanden. Beide acties waren zonder succes, hoewel Diederix wel zwaar gewond raakte. De represailles waren zwaar. Na de aanslag op Diederix werden veertig bekende anti-Duitse Leidenaren gearresteerd. Drie ervan, Harmen Douma, Hans Flu en Christiaan de Jong werden de volgende dag gefusilleerd. Aan het drietal is in Leiden een straatnaam gewijd. Na de aanslag op vuurwerkfabriek Kat, doken de betrokken leden van het Leidse verzet onder. Daarop werden familieleden en anderen, grotendeels uit de wijk De Kooi, gevangen genomen en weggevoerd. Verscheidenen van hen keerden na de oorlog niet terug. Op het monument ‘De Naald’ in de Kooi staan hun namen vermeld. 

Fysiek is Leiden de oorlog grotendeels onbeschadigd doorgekomen. Alleen de Haverzakbuurt bij het Centraal Station en het gebied rond het vroegere Herensingelstation is door geallieerde bombardementen getroffen. Die wilden het transport van V2-s via Leiden naar Wassenaar waar ze op Londen werden afgeschoten verhinderen, maar dat mislukte. De spoorbruggen en de stations bleven intact, alleen de omgeving werd getroffen met enkele tientallen slachtoffers. Er zijn heel veel getuigenissen van de bombardementen. Over hoe mensen deze hebben meegemaakt, hoe het ging met het ruimen van puin en het bergen van slachtoffers in de ruïnes. Soms ook over geld dat aangetroffen werd of verborgen voorraden vooroorlogse goederen. Deze ‘vergeten bombardementen’ zijn enkele keren herdacht in Leiden. Bij Leiden Centraal is een kunstwerk aangebracht, ter nagedachtenis aan de slachtoffers.

Uiteraard circuleren er veel en veel meer verhalen over Leiden uit de oorlog, zeker over het dagelijks leven, maar ik kan ze niet allemaal aanhalen. We moeten ze koesteren, want ze helpen ons herinneren aan deze indrukwekkende periode in onze geschiedenis. Het is nu 75 jaar na onze bevrijding. We herdenken de slachtoffers en vieren de herwonnen vrijheid nog steeds jaarlijks. Dat is goed, want vrijheid is nooit vanzelfsprekend. Een heel klein beetje - iedere vergelijking hierbij is eigenlijk gevaarlijk - merken we dat op dit moment ook. Onze klassieke vrijheid om te doen en te laten wat we willen is ingeperkt om het Corona-virus de baas te worden. Maar de maatregelen zijn afgekondigd door ònze democratisch gekozen regering, ze worden uitgevoerd door ònze functionarissen, ze mogen vrijelijk worden becritiseerd en het doel, het tegengaan van overbelasting van de zorg en het voorkomen van teveel slachtoffers, is nobel. Maar het helpt wellicht wel een heel klein beetje bij het besef dat niks vanzelf gaat, dat we moeten blijven vechten voor onze vrijheid en voor het behoud van een moreel kompas bij ons handelen. Zonder kunnen we niet.

Ik wens u een hele goede herdenking toe en morgen, ondanks alles, een fijne Bevrijdingsdag.