- Ga direct naar: inhoud, hoofdnavigatie, service menu, zoeken
Het verhaal van Matilo
Van Romeinse soldaten naar nijverige zusters
Het archeologisch monument Roomburg bevat archeologische resten uit een lange tijdspanne. Beginnend in de Romeinse tijd en doorlopend tot het laatste kwart van de 16e eeuw is het gebied in meer en mindere mate bewoond geweest.
In 47 na Chr. gaf de Romeinse veldheer Corbulo zijn manschappen de opdracht een kanaal te graven vlak achter de Zuidhollandse duinen. Hiermee sloeg hij twee vliegen in één klap. Allereerst zette hij zijn troepen, net teruggeroepen van een afgebroken veroveringsexpeditie in het vrije Germanië, aan het werk en behield hij de discipline. Een teleurgestelde soldaat met niets om handen kon immers aan het muiten slaan. Bovendien ontstond een belangrijke verbindingsroute tussen de Rijn en de Maas welk het stamgebied van de Cananefaten ontsloot. Voortaan hoefden de Romeinse schepen zich niet meer op volle zee te wagen om tussen beide belangrijke rivieren te varen. De loop van het kanaal volgt grotendeels de huidige Vliet. De monding van het kanaal in de Rijn lag even ten oosten van het huidige rijksmonument Roomburg. Het kanaal liep via de noordzijde van Roomburg vervolgens in zuidelijke richting naar Leidschendam en Voorburg, alwaar ook de hoofdstad van de Cananefaten lag. Deze Germaanse stam woonde langs de Zuid-Hollandse Noordzeekust. Vanaf Voorburg sloot het kanaal aan op een zijriviertje van de Maas, de Gantel. Mogelijk werd reeds kort na de aanleg van het kanaal te Roomburg een kleine militaire post of wachttoren opgetrokken.
Batavenopstand (69 na Chr.), bouw castellum Matilo
In 69 na Chr. brak de Batavenopstand uit onder leiding van Julius Civilis. De Bataven toonden zich voorheen trouwe bondgenoten en waren belangrijke leveranciers voor lijfwachten van de Romeinse keizers en ruiterregimenten voor het Romeinse leger. Hun woonplaats dient ergens in het huidige Betuwe te hebben gelegen. Ook de Cananefaten gaven gehoor aan de oproep van Julius Civilius om de wapens tegen de Romeinen op te pakken. Het jaar daarop werd de opstand neergeslagen. De opstand vormde aanleiding om langs de noordelijke rijksgrens (Limes) extra forten (meervoud castella, enkelvoud castellum) te bouwen. Ook de strategische positie waar het Corbulokanaal uitmondde in de Rijn verdiende een eigen fort (castellum). Hier werd langs het kanaal aan de zuidoever het castellum Matilo gebouwd. Het fort heeft dienst gedaan tot vermoedelijk aan het eind van de eerste helft van de derde eeuw. In het circa 200-jarig bestaan is er meerdere malen aan het fort gesleuteld. In totaal zijn vier grote gebruiksperioden te onderscheiden, waarbij een mogelijke voorganger in de vorm van een kleine post of wachttoren buiten beschouwing wordt gelaten. Tijdens de eerste twee fasen was het fort opgetrokken uit hout, in de laatste fasen bestond het uit steenbouw.
Ook het kanaal vergde het nodige onderhoud en de beschoeiingen aan de oevers zijn diverse keren vernieuwd. Langs het kanaal nabij het fort hebben aanlegsteigers en kades gelegen waar Romeinse vaartuigen hun lading konden lossen en laden.
Matilo bood plaats voor een wisselende bezetting van hulptroepen van ca. 480 tot 800 manschappen, waaronder het 15e cohors voluntariorum. Deze militaire eenheid bestond uit hulptroepen opgebouwd uit vrijwilligers die het Romeinse staatsburgerschap bezaten. Waarschijnlijk waren de soldaten van deze eenheid afkomstig uit die delen van het Romeinse rijk waar aan de inwoners het staatsburgerschap reeds was toegekend: Italië, Spanje en Zuid-Gallië Men zag er dus van af eenheden in het fort te plaatsen die waren opgebouwd uit lokaal gerekruteerde soldaten. Blijkbaar bezat de locatie van het huidige Roomburg een dusdanige belangrijke positie dat de Romeinen zeker wilden zijn van de betrouwbaarheid van de in Matilo gestationeerde troepen. Het 15e cohors week ook in ander opzicht af van de overige bezettingstroepen van de castella die langs de Nederlandse Limes gelegerd waren. De archeologische vondsten wijzen uit dat er waarschijnlijk veel specialisten onder de soldaten te vinden waren zoals leer- en metaalbewerkers, dakpannenmakers en bouwploegen. Mogelijk zijn de bouwploegen van Matilo ook ingezet bij de bouw en aanpassingen van de andere castella in de directe omgeving (zoals in Valkenburg, Zwammerdam en Alphen aan de Rijn). Bovendien zijn in Matilo veel werpkogels gevonden die werden afgeschoten met katapulten en onagers. Het lijkt erop dat een speciale artillerie eenheid hier was gestationeerd. In het fort lagen de barakken waar de soldaten waren gehuisvest. Voor andere activiteiten moest men uitwijken buiten de omwalling en fortgrachten.
Activiteiten in het kampdorp (vicus)
Langs het kanaal en rondom het castellum ontstond een kampdorp (vicus). In het kampdorp prezen de handelaren hun waren aan in hun winkeltjes, waren ambachtslieden druk bezig in de werkplaatsen, sleten afgezwaaide soldaten met hun gezin de dagen en kon men in één van de herbergen een beker bier of wijn nuttigen. Naast huizen, winkeltjes en werkplaatsen stonden hier ook heiligdommen, was er een plek voor theater (getuigen de vondsten van toneelmaskers) en zal zoals bekend uit andere vici ook een badhuis aanwezig zijn geweest. Ongetwijfeld heeft het kampdorp ook locale mensen aangetrokken afkomstig zowel ten zuiden van de rijksgrens en dus behorende tot het Romeinse Rijk als van boven de Limes. Zij beproefde hier hun geluk of boden hun diensten en waren aan. Kortom er was sprake van een bont gezelschap die een multiculturele samenleving vormde.
Zowel fort als vicus werden ontsloten door een strak aangelegd en goed onderhouden wegennet. De belangrijkste weg was de zogenaamde Limesweg die de forten aan de rijkgrens onderling verbond. De weg of een korte zijweg daarvan liep dwars door de castella. Matilo is met de noordoever van het kanaal verbonden geweest door middel van een houten brug.
Aan de noordoever van het kanaal lag een grafveld waar de doden hun laatste rust vonden. De doden werden in deze periode gecremeerd en de asresten werden verzameld in een urn welk vervolgens werd begraven, soms met bijgiften zoals aardewerk, sieraden, glaswerk en bronzen beeldjes.
Einde Romeinse rijk, het fort wordt verlaten (3e/4e eeuw na Chr.)
In de tweede helft van de 3e eeuw is de noordelijke rijksgrens niet meer de sterke verdedigingslinie van weleer. Steeds vaker trekken barbaren van buiten het rijk de grens over. Veel forten langs de Nederlandse Limes worden aan het eind van de 3e en in de loop van de 4e eeuw verlaten. In ieder geval duiden de archeologische vondsten er op dat er weinig activiteiten in en rond de castella nog afspelen. Ook in het achterland verlaat de bevolking de woonplaatsen.
Zo nu en dan toont een Romeinse keizer weer interesse in het tot stand brengen van een sterke verdediging en tracht hij de glorie van het Romeinse Rijk te herstellen.
De verdediging van het rijk rust dan echter minder op een reeks forten langs de grens maar op militaire eenheden met een grotere mobiliteit die worden ingezet vanuit het achterland. Een zwaarder bepantserde ruiterij vormt dan een belangrijk onderdeel van het Romeinse leger. In 496 wordt de laatste West-Romeinse keizer afgezet en valt het doek van het westelijk Romeinse rijk.
Nadat de Romeinen uit ons land zijn weggetrokken, vormden de uit steen opgetrokken forten de belangrijkste bron van natuursteen. De forten werden gesloopt en grote stukken natuursteen werden uit de castella weggesleept onder andere voor de bouw van de eerste kerken en kastelen. Zo ook te Matilo, stukken steen van het castella zijn teruggevonden in de muren van de Burcht in het centrum van Leiden.
Het St. Margarethaconvent verhuist naar Roomburg (1464)
In de 15e eeuw werd het weer een stuk drukker in Roomburg. Het St. Margarethaconvent dat aanvankelijk in de stad lag werd in 1464 verplaatst naar Roomburg. Voorafgaand hieraan werden flinke bouwwerkzaamheden uitgevoerd: er verscheen een kloosterhof met kapel en een kloosterboerderij. De leefwijze van de zusters van de derde orde, waar het St. Margarethaconvent toe behoorde, bestond uit een combinatie van gebed en werk. Handenarbeid werd beschouwd als een manier om luiheid tegen te gaan en goede gedachten te stimuleren. Bovendien konden de zusters met de opbrengst van hun arbeid in hun onderhoud voorzien, want aanvankelijk waren ze niet rijk. Landbouw en veeteelt vormden een belangrijke inkomstenbron. Rondom het convent lagen uitgestrekte landerijen en (fruit-)boomgaarden. Op de kloosterboerderij hield men melkvee, schapen, trekdieren en men fokte paarden. Daarnaast werd in het convent bier gebrouwen, brood gebakken en linnen geweven. Het St.Margarethaconvent groeide mede hierdoor in de loop der tijd uit tot een welvarende instelling met meer dan 200 zusters.
Beeldenstorm (1566), zusters verlaten het klooster (16e eeuw)
In de tweede helft van de 16e eeuw ondervonden de geestelijke instellingen in Nederland veel weerstand en de reformatie leidde uiteindelijk tot de opheffing van de katholieke gemeenschappen. In Leiden was dit niet anders: de spanning tussen de bevolking en de geestelijkheid nam zienderogen toe en leidde in 1566 tot een beeldenstorm. Het stadsbestuur was er van overtuigd dat er een verband bestond tussen de beeldenstorm en de slechte economische situatie. De geestelijkheid had door allerlei privileges een beschermde positie, was vaak gevrijwaard van belastingen en zorgde in de ogen van de ambachtslieden voor oneerlijke concurrentie. Ook het St.Margarethaconvent ontkwam niet aan de beeldenstorm. Nadat een groot aantal kerken en kloosters inde stad geplunderd was trok een woedende menigte naar Roomburg. Een ooggetuigenverslag meldt dat de zusters werden belaagd en letterlijk langs de dijk gejaagd. De boeren uit de omgeving grepen uiteindelijk in en bevrijdden de zusters uit hun benarde positie. In 1572 werd het convent definitief verlaten en de landerijen en gebouwen vervielen aan de stad. Pas na het beleg van Leiden in 1574 werd het convent gesloopt. Historische bronnen geven goed weer hoe het complex in de tussenliggende jaren steeds verder achteruit gingen. Bomen werden gekapt om te voorzien in de behoefte aan bouwhout voor de verdedigingswerken van de stad en zowel burgers als soldaten plunderden het complex in hun zoektocht naar brandstof.
