Home /Bestuur /Schriftelijke vragen / Werk en inkomen

Schriftelijke vragen van raad aan B&W

Afschaffen huishoudinkomenstoets

(ingekomen 2 mei 2012)

In het ‘Kunduz-akkoord’ dat vorige week in de Tweede Kamer is gesloten is onder andere opgenomen dat de “huishoudinkomenstoets” komt te vervallen. Vrij kort daarna was in de media vernomen dat de vier grote gemeenten al per direct gestopt zijn met deze toets. De SP is blij dat de ‘gezinsbijstand’ is komen te vervallen: de maatregel zou ertoe leiden dat armoede weer overerfbaar is en dat families uit elkaar getrokken worden.
Op basis van artikel 45 van het reglement van orde wil de SP daarom deze schriftelijke vragen stellen aan het College.

1. Vanaf welke maand was in Leiden de huishoudinkomenstoets volledig van kracht?

2. Is in Leiden de invoering van deze toets per direct stopgezet?

3. Gaat u nu de mensen, die door de invoering van de huishoudinkomenstoets hun recht op uitkering verloren, weer per direct inschrijven voor een uitkering (mits zij uiteraard voldoen aan de voorwaarden voor een WWB-uitkering)?

4. Gaat u ook uitkeringsaanvragen die dit jaar vanwege de huishoudinkomenstoets zijn afgewezen heroverwegen?

5. Sommige mensen verloren hun recht op langdurigheidstoeslag door de invoering van de huishoudinkomenstoets. Als zij nu opnieuw in aanmerking komen voor een uitkering, zouden zij geen recht hebben op een langdurigheidstoeslag. Echter, deze mensen zijn wel degelijk nog steeds langdurig werkloos, daar heeft de huishoudinkomenstoets niets aan veranderd. Bent u bereid om deze mensen opnieuw de langdurigheidstoeslag toe te kennen als zij opnieuw in aanmerking komen voor een uitkering?

6. Door de tijdelijke invoering van de huishoudinkomenstoets hebben gezinnen enkele maanden een uitkering gemist. Daardoor zijn veel gezinnen in de problemen geraakt. Bent u bereid om deze uitkeringen alsnog te betalen, desnoods in de vorm van bijzondere bijstand?

7. Is het mogelijk om deze vragen voor de commissievergadering van 15 mei te beantwoorden? Op die dag zal de commissie immers spreken over de nieuwe plannen voor de bijstandswet en over handhaving van de huishoudinkomenstoets.

 

 

Gevraagd door: L. RADEMAKER (SP) op 2 mei 2012

Onderzoek Nederlandse woningbouwverenigingen

(Ingekomen 11 april 2012)

Op 25 maart j.l. maakte de NOS melding van een onderzoek dat zij heeft gedaan onder Nederlandse woningbouwverenigingen met betrekking tot de voorgenomen mogelijkheid die minister Spies wil geven om de huren van sociale woningbouw met 5 procent te verhogen bovenop de reguliere huurverhoging per 1 juli 2012 voor huurders met een inkomen vanaf 43.000 euro per jaar. Zie: http://nos.nl/artikel/355510-deel-corporaties-geen-hogere-huur.html.

In het bijhorende document blijkt dat in ieder geval woningbouwvereniging de Sleutels van deze mogelijkheid gebruik zal gaan maken als de Tweede Kamer met het voorstel van minister Spies instemt. De Sleutels hebben aangegeven dat 17 procent van de huurders meer verdient dan  het normbedrag van 43.000 euro per jaar.  Anderzijds heeft Ons Doel aangegeven waarschijnlijk geen gebruik te maken van deze mogelijkheid.

De SP is niet blij met deze voorgenomen mogelijkheid om de huur van sociale huurwoningen voor deze groep met 5 procent te kunnen verhogen, bovenop de jaarlijkse huurverhoging. De SP vreest voor negatieve gevolgen omdat het mensen slechts op extra kosten jaagt en niets doet aan het werkelijke probleem: een tekort aan sociale huurwoningen.

Op grond van art. 45 Reglement van Orde voor de gemeenteraad stelt de SP-fractie de volgende vragen:

1. Is het college het met de SP eens dat deze extra huurverhoging van 5 procent negatieve gevolgen heeft voor de betreffende groep mensen? Zo nee, waarom niet?

2. Zijn er naast de Sleutels andere woningbouwverenigingen in Leiden voornemens de huur met 5 procent te verhogen voor de hiervoor beschreven groep huurders?

3. Voor hoeveel mensen in Leiden kan deze voorgenomen maatregel leiden tot een huurverhoging van 5 procent?

4. Hoe gaat het college voorkomen dat er rechtsongelijkheid gaat ontstaan tussen Leidse huurders, afhankelijk van hun woningbouwvereniging?

 

Gevraagd door: A. THEEUWEN (SP) onderzoek Nederlandse woningbouwverenigingen op 11 april 2012

Wetsvoorstel Werken naar Vermogen

(ingekomen 19 maart 2012)

Het kabinet heeft een wetsvoorstel Werken naar Vermogen (WWnV) ingediend bij de Staten Generaal.
Deze week is de Tweede Kamer begonnen met de behandeling van deze wet. Afgelopen woensdag en donderdag vond een hoorzitting plaats waarbij tientallen deskundigen en betrokkenen konden toelichten waarom de wet aan alle kanten rammelt en slecht zal uitpakken, slechts een enkeling was positief gestemd.

De PvdA is van mening dat het wetsvoorstel is gebaseerd op drijfzand: er is geen enkele garantie dat werkgevers ook daadwerkelijk meer arbeidsgehandicapten in dienst zullen nemen. Ook het Centraal Planbureau (CPB) en het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) konden tijdens de hoorzitting niet hard maken dat echt meer mensen aan het werk zullen komen. Na twee volle dagen hoorzitting is voor de PvdA de conclusie: te weinig budget, te weinig begeleiding, te weinig banen en te veel regels!
Op grond van art. 45 van het Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad stel ik u de volgende vragen.

Antwoord van burgemeester en Wethouders

(ingezonden 10 april 2012)

Gevolgen instroom en uitstroom

1. Hoeveel mensen verwacht uw college dat er in Leiden per 1 januari 2013 niet meer in aanmerking zullen komen voor Wajong en Wsw en een beroep zullen doen op de Wwnv?

De cijfers die wij op dit moment hebben zijn nog indicatief. De verwachting is dat in Leiden vanuit de Wajong per 1 januari 2013 ongeveer 50 personen per jaar een beroep zullen doen op de Wwnv omdat zij niet meer in aanmerking komen voor de Wajong (Bron: VNG). De verwachting is dat in Leiden vanuit de Wsw per 1 januari 2013 ongeveer 40 personen per jaar een beroep zullen doen op de Wwnv omdat zij niet meer in aanmerking komen voor de Wsw (Bron: DZB Leiden). Hierbij moeten wij tevens de kanttekening maken, dat we (nog) niet precies weten hoe de huishoudtoets voor deze doelgroep uitwerkt.

2. Op welke manier gaat de gemeente werkgevers bereid vinden om deze mensen te plaatsen in hun organisatie?

Intensivering van het arbeidsmarktbeleid is één van de beleidskaders in de nota van uitgangspunten ‘Werken naar vermogen in Leiden’. Basis voor dit beleid is de gedachte dat partijen als werkgevers, UWV, onderwijsinstellingen en de gemeente gezamenlijk de maatschappelijke verantwoordelijkheid op zich nemen en inspanningen plegen om de instroom naar Wwnv-uitkeringen te verminderen en de uitstroom naar regulier werk te bevorderen. In een concreet actieplan gaan we dit beleid uitwerken. Daarnaast is er in HollandRijnland-verband een werkgroep ‘Werkgeversbenadering’ opgericht. Deze benadering moet de behoeften van de werkgevers centraal stellen en daarmee de randvoorwaarden scheppen om werkgevers bereid te vinden om mensen te plaatsen binnen hun organisatie.

3. Is het college het eens met de PvdA-fractie dat om effectief afspraken te kunnen maken met werkgevers, het nodig is dat er landelijke (en regionale) afspraken over quota gemaakt worden?

Het college ziet zowel op landelijk als op regionaal niveau meer in samenwerken met en overtuigen van werkgevers dan in het maken van afspraken over quota.

4. Op welke wijze gaat uw college bepleiten dat er binnen de regio (HollandRijnland) en landelijk afspraken met werkgevers worden gemaakt.

Het college geeft ook in landelijke overleggen steun aan het maken van afspraken met werkgevers. Het college zal erop in zetten om daar waar landelijke afspraken worden gemaakt met (landelijke) werkgevers, dit regionaal in te kunnen vullen. Verder zet het college zich in om op HR-niveau hard te maken voor het maken van afspraken met werkgevers in de regio.

5. Welke inspanningen pleegt het college om in regionaal verband afspraken te maken over aantallen werkplekken voor deze mensen

Voor de beantwoording van deze vraag verwijst het college graag naar voorgaande antwoorden bij vraag 2 en vraag 3.

Gevolgen uitvoering

6. s het college het met de PvdA-fractie eens dat het bureaucratisch is om naast een  loonwaardemeting een afzonderlijke toegangstoets te moeten doen?

Het instrument Loondispensatie is onderdeel van het conceptwetsvoorstel Wet werken naar vermogen. Voor nu is nog niet duidelijk hoe dit instrument er in zijn definitieve vorm uit zal komen te zien. Het college is geen voorstander van onnodige bureaucratie (die ook weer kosten met zich meebrengt). Zij  is  van mening dat het instrument niet gebruikt dient te worden voor mensen die zelfstandig in staat zijn het wettelijk minimumloon te verdienen.  De  loonwaardebepaling zal afdoende zijn om te voorkomen dat ten onrechte van dit instrument gebruik wordt gemaakt. Het college steunt de VNG in haar poging om de bureaucratie rondom dit instrument terug te dringen.

7. Wat vindt het college van het voorstel om deze toegangstoets extern te laten  verrichten, om vast te laten stellen of een werknemer in aanmerking komt voor de Wet  werken naar vermogen-loondispensatie?

Het wetsvoorstel geeft aan dat een ‘onafhankelijke derde’ de toegangstoets voor loondispensatie moet doen. De bijbehorende argumentatie van het kabinet is dat dit de objectiviteit van de toets waarborgt en dat dit voorkomt dat de gemeente invloed kan uitoefenen op de uitkomst van de toegangstoets. Zoals is aangegeven in antwoord op vraag 1  is het college geen voorstander van de toegangstoets. Maar als het kabinet deze toets handhaaft kan het college zich vinden in de argumentatie om de uitvoering door een onafhankelijke derde uit te laten voeren

8. In hoeverre leidt deze externe toetsing tot extra bureaucratisering en extra kosten voor  de gemeente Leiden?

Omdat de definitieve vorm van instrument ‘Loondispensatie’ via een algemene maatregel van bestuur (AMvB) wordt vastgesteld,  is hier nu nog niets over te zeggen. Wel kan het college melden dat momenteel al in HollandRijnland-verband gekeken wordt naar een mogelijkheid om in regionaal verband de toegangstoets en de loonwaardemeting te organiseren. Maar de toegangstoets zal kosten met zich meebrengen. Deze kosten zullen betaald moeten worden uit het participatiebudget. Dit geld kan dan niet besteed worden aan de begeleiding van mensen.

9. Is het college er van op de hoogte dat de uitkomst van de externe toetsing in een  beschikking moet worden vastgelegd?

Ja, het college is hiervan op de hoogte.

10.  Wat vindt het college ervan dat het er op lijkt dat deze beschikking zal gaan vallen  onder de algemene regelgeving van de bezwaar en beroepsprocedures onder  verantwoordelijkheid van de gemeente?

Het college is van mening dat deze procedure logisch voortvloeit uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

11.  Welke financiële en juridische risico’s ziet het college in het traject met externe toetsing  voor de gemeente?

De externe toets zal tot gevolg hebben dat de gemeente op grond van de Awb moet bezien of een advies (van de onafhankelijke derde aan de gemeente over de inzet van loondispensatie) op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

Het financiële gevolg voor de gemeente is dat de toegangstoets kosten met zich zal meebrengen die ten laste zullen gaan van het participatiebudget. Deze middelen kunnen niet besteed worden aan de begeleiding van mensen.

12.  Is deze externe toetsing naar de mening van het college verplicht?

De Memorie van toelichting (MvT) Wwnv vermeldt “De gemeente mag de toegangstoets niet zelf uitvoeren, maar moet dit laten doen door een onafhankelijke derde”. Op basis van deze MvT is het college van mening dat externe toetsing voor het instrument loondispensatie verplicht is.

13.  Is uw college het met de PvdA-Leiden eens dat deze toetsing ook door de gemeente  zelf kan worden gedaan.

Het college is van mening dat een formele toegangstoets niet wenselijk is. In de uitvoering van het re-integratiebeleid kan de uitvoerder (DZB) een goede inschatting maken van de mogelijkheden van de klant. De toepassing van het instrument loondispensatie kan een mogelijkheid zijn voor sommige klanten.

Gevolgen voor de doelgroep

14.  Wat vindt het college van de uitkomst van de ‘pilot loondispensatie’, dat de  loondispensatiemaatregel tot enorme bureaucratisering leidt?

Het college is geen voorstander van meer bureaucratisering en dus ook niet in dit specifieke geval bij het instrument Loondispensatie. De derde voortgangsrapportage van de pilot loondispensatie (onderzoek van ‘Research voor Beleid in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en werkgelegenheid, Min SZW) trekt echter niet eenzijdig deze conclusie en laat ook veel verschillende resultaten tussen de deelnemende pilot-gemeenten zien. Om die reden is nu nog niet te zeggen tot welke resultaten dit instrument zal gaan leiden binnen de gemeente Leiden. Tenslotte wordt de invoering van het instrument Loondispensatie in HollandRijnland-verband uitgewerkt om bureaucratisering zo veel mogelijk te voorkomen voor zowel de werkgevers als de individuele gemeenten.

15.  In hoeverre is deze uitkomst naar verwachting ook van toepassing op de gemeente  Leiden?

Op basis van de derde voortgangsrapportage van het ministerie van SZW, kan volgens het college nog niets gezegd worden over de werking van dit instrument in de Leidse praktijk.

16. Kan het college een beeld geven van de doorlooptijd van het proces van ‘toegangstoets  - matching met werkgever – loonwaardemeting to uiteindelijke plaatsing bij een  werkgever?

Het college kan dit niet omdat het instrument nog niet binnen onze gemeente toegepast wordt. Wel vermeldt de derde voortgangsrapportage van het ministerie van SZW (pagina 9): “tussen toegangstoets en plaatsing verloopt vaak een periode van enkele weken of maanden”. Het instrument loondispensatie zoals het nu in de wet is opgenomen gaat uit van een periode van maximaal drie maanden waarin een medewerker met behoud van uitkering werkt. Na deze periode kan de loonwaarde worden vastgesteld.

17. Wat gebeurt er met de werknemer tijdens dit proces?

De voortgangsrapportage concludeert tevens (pagina 9): “Gemeenten benutten deze periode (tussen toegangstoets en plaatsing) om cliënten voor te bereiden op werk”. Dit lijkt het college een logische invulling van dit proces tussen toegangstoets en plaatsing.
Na de plaatsing bij een werkgever kan van beide kanten worden bekeken of het een geschikte plaatsing is. De medewerker kan inwerken en laten zien hoe hoog zijn loonwaarde is.

 

 

Gevraagd door: R-J. VAN ETTE (PvdA) op 19 maart 2012

Leids persoonsgebonden budget

(Ingekomen 13 maart 2012)

Schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders van het raadslid S. BAKKER (GL) inzake een Leids persoonsgebonden budget  (ingekomen  13 maart 2012)

De extramurale begeleiding valt nu nog onder de AWBZ, maar gaat vanaf 1 januari 2013 geleidelijk over naar de gemeenten en valt dan onder de WMO. Gemeenten zijn dan niet meer verplicht een regeling voor een persoonsgebonden budget (pgb) in te stellen. GroenLinks vindt dat het voor chronisch zieken en gehandicapten in Leiden mogelijk moet blijven om hun begeleiding op hun eigen manier vorm te geven. Amsterdam heeft er inmiddels voor gekozen een Amsterdams pgb in te voeren: een variant die wel de voordelen van zelfregie en keuzevrijheid kent, maar beter bestand is tegen oneigelijk en onbedoeld gebruik (zie http://www.amsterdam.nl/@501095/pagina/). Andere gemeenten onderzoeken inmiddels of zij het goede voorbeeld van wethouder Eric van der Burg (VVD  Amsterdam) kunnen volgen.

Door een pgb kunnen mensen de regie over hun leven in eigen hand houden en worden zij niet afhankelijk van verschillende organisaties. Een pgb lijkt dus het ultieme middel om vorm te geven aan de eigen kracht en zelfregie die in de Leidse sociaal-maatschappelijke structuurvisie zo’n belangrijke rol heeft. De WMO-adviesraad schrijft in haar advies op de sms-visie dan ook aan het college: “als u uitgaat van de eigen kracht van uw burgers dan kan het volgens de Adviesraad niet anders dan dat u het pgb als mogelijkheid tot compensatie in de toekomst in stand houdt”.

Aangezien in Leiden nog niet duidelijk is of het pgb binnen de WMO behouden blijft, zou GroenLinks op grond van artikel 45 van het Reglement van Orde voor de vergaderingen van de Gemeenteraad u graag de volgende vragen stellen:

Antwoord van Burgemeester en Wethouders

(ingezonden 24 april 2012)

1.   Is het college het met GroenLinks eens dat mensen de regie over hun leven het beste in  eigen hand kunnen houden als zij voor hun begeleiding kunnen beschikken over een  pgb?

Ja, het bieden van een Persoonsgebonden Budget (PGB) leidt tot het hebben van meer regie over het eigen leven. Dit is in lijn met het doel van begeleiding binnen de Wmo, namelijk het stimuleren van zelfredzaamheid en het hebben van structuur en regie over het eigen leven.

2.  Veel mensen die nu begeleiding krijgen binnen de AWBZ, beschikken tot hun  tevredenheid over een pgb. Is het college bereid om met het overnemen van de taken op  het gebied van begeleiding een pgb mogelijk te maken voor de mensen die daar hun  voorkeur voor uitspreken?

Het College heeft het voorstel gedaan om in ieder geval voor de overgangsperiode de mogelijkheid van een PGB voor begeleiding te houden. Dit voorstel is opgenomen in de ‘Uitgangspuntennotitie Decentralisatie AWBZ: extramurale begeleiding van AWBZ naar Wmo’ (BW 12.0212) die begin maart  naar door College voor inspraak is vastgesteld. Daarnaast ligt er de opgave om voor de langere termijn (na de overgangsperiode) een aantal meer structurele keuzes te maken. Waaronder de keuze voor wel of geen PGB voor begeleiding.
De ruimte die gemeenten zullen krijgen hangt ook af van de resultaten van de parlementaire debatten over het voorstel tot wijziging van de Wmo. Over het PGB is op 4 en 5 april jl. in de Tweede Kamer gesproken. De meningen van Tweede Kamerleden lopen op dit punt uiteen en er zijn daar nog geen besluiten genomen. De beleidsvrijheid van gemeenten is mede afhankelijk van de besluitvorming op landelijk niveau.

3.  Is het college bekend met het pgb ‘Amsterdamse formule’? Ziet u dit model ook als een  kans voor Leiden? Zo nee, kunt u dan aangeven hoe de lokale omstandigheden  verschillen van Leiden om die conclusie te rechtvaardigen?

Het College is bekend met het PGB volgens de ‘Amsterdamse formule’. Bij het maken van de keuze zullen verschillende aspecten rond het PGB worden afgewogen waaronder de verschillende vormen van PGB die mogelijk zijn en verschillende methodes. Daaronder valt ook het PGB volgens de ‘Amsterdamse formule’. Belangrijk zijn daarbij ook de lokale omstandigheden. Het College zal hierin een integrale afweging maken en hierin een voorstel doen.
Beleidsontwikkeling rond PGB’s zal ook plaatsvinden op het niveau van Holland Rijnland waarin een werkgroep PGB ingesteld is. Ook hier zal aandacht zijn voor de ‘Amsterdamse formule’ en voor aspecten als keuzevrijheid van de cliënt, financiële gevolgen en de voor- en nadelen van diverse mogelijkheden van PGB verstrekking. 

4.  Verwacht het college deze vorm van begeleiding te kunnen gaan geven met het budget dat hiervoor beschikbaar komt? Is duidelijk of te voorspellen of er financiële verschillen zijn tussen hulp natura en via een pgb? En zo ja, hoe groot zijn die verschillen naar verwachting?

In de uitgangspuntennotitie die door het College is vastgesteld staat dat het op dit moment nog niet duidelijk is welk budget gemeenten krijgen voor de uitvoering van extramurale begeleiding. De verwachting is wel dat er financiële verschillen zijn tussen zorg in natura en begeleiding via een PGB. Bij het maken van keuzes zal deze financiële component, waar nu nog geen volledig zicht op is, meegenomen worden.

Gevraagd door: S. BAKKER (GL) op 13 maart 2011

Participatiecentrum

 

(Ingekomen 24 januari 2012)

In aanvulling op de eerdere schriftelijke vragen van GroenLinks ten aanzien van participatieplaatsen w illen de SP en GroenLinks enkele vragen stellen over het nieuwe ‘participatiecentrum’.

Het belangrijkste doel van het Participatiecentrum is om nieuwe cliënten in de bijstand te beoordelen (‘assessment’ in managementtaal). Onderdeel daarvan is dat gedurende de 6 weken de cliënten gedwongen kunnen worden simpel en nutteloos werk te verrichten.

Antwoord van burgemeester en wethouders

(ingekomen 28 februari 2012)

1. Hoeveel mensen zijn sinds de invoering van het Participatiecentrum daar aangemeld.

Sinds de start van het Participatiecentrum zijn er (tot 19 januari 2012) 274 mensen aangemeld door Werk & Inkomen.

2. Hoeveel daarvan hebben ook daadwerkelijk werk verricht in de “Startwerklocatie”? En hoelang verrichten dezen cliënten dan het zinloos werk.

Er zijn van de 274 mensen 147 mensen gestart bij de Startwerklocatie. In totaal zijn er 47 deelnemers doorgeleid naar de club van 100 (voor deelnemers die een korte afstand tot de arbeidsmarkt hebben). Deze deelnemers hebben kort deelgenomen aan de Startwerklocatie (SWL). De overige deelnemers zijn zes weken (waarvan 4 weken  deeltijd) aanwezig op de SWL.

Bij de SWL wordt eenvoudig werk uitgevoerd in opdracht van een opdrachtgever en kan daardoor niet als zinloos worden bestempeld. Door het uitvoeren van (eenvoudige) werkzaamheden doen de deelnemers werkervaring op en leren zij werknemersvaardigheden en dat is per definitie niet zinloos. Momenteel worden er bij de SWL verschillende opdrachten uitgevoerd zoals klikwielen maken, ijzerwaren verpakken, kaasschaven nieten en verpakken, latex handschoenen ompakken en sealen, diverse soorten werk voor schulpenschuim, fietsen repareren en elektrakastjes monteren.

3. Op basis van welke criteria worden mensen wel of niet gedwongen zinloos werk te doen in het Participatiecentrum?

De SWL wordt ingezet als analyse en om arbeidsritme op te doen. Daar waar nodig wordt dit instrument toegepast. Deelnemers met een korte afstand tot de arbeidsmarkt verblijven hier kort, deelnemers met een langere afstand tot de arbeidsmarkt verblijven hier maximaal 6 weken.

4. Bij hoeveel mensen heeft deelname aan het Participatiecentrum geleid tot een traject? En bij hoeveel mensen niet, en waarom heeft dat bij hen niet geleid tot een traject.

Het P-centrum is onderdeel van het traject en duurt maximaal 6 weken. Gedurende deze periode wordt er samen met de deelnemer gezocht naar regulier werk (of gesubsidieerd werk, zijnde een opstapbaan). Indien de deelnemer na 6 weken nog niet uitgestroomd is naar regulier werk dan wordt de deelnemer op een zo passend mogelijke participatieplaats geplaatst. Tijdens deze periode wordt ook samen met de deelnemer gezocht naar passend regulier of gesubsidieerd werk.

Tot 19/1/12 zijn er 10 deelnemers uitgestroomd naar een participatieplaats en 2 deelnemers naar een leerwerktraject.

Bij de politieke discussie vorig jaar werd voorgespiegeld dat het werkonderdeel van het Participatiecentrum anders zou worden dan de toenmalige Startwerklocatie (SWL). De oorspronkelijke Startwerklocatie was bedoeld voor vroegtijdig schoolverlaters en jongeren met ingewikkelde problemen (verslaving, strafblad, etc.)

5. In hoeverre verschilt de opzet van de huidige Startwerklocatie van de Startwerklocatie voor de invoering van het P-centrum?

De doelgroep die nu gebruik maakt van het instrument Startwerklocatie verschilt deels met de doelgroep voor de invoering van het P-centrum. Het aantal weken dat een deelnemer werkzaamheden verricht is nu korter en de werkzaamheden zijn diverser.

6. In hoeverre heeft  het zinloze werk bij de SWL een bijdrage voor de beoordeling van de client?

e SWL wordt gebruikt als instrument. Tijdens de werkzaamheden die worden uitgevoerd op de SWL krijgen we een goed beeld van de deelnemer. Gedragingen worden geobserveerd en vertaald naar de arbeidsmarkt. Op deze manier krijgen we een goed beeld van de deelnemer zodat passend werk gevonden kan worden.

Tot slot nog enkele vragen over de mening van de cliënten zelf. Immers, er is toegezegd dat trajecten door de cliënten geëvalueerd zouden worden.

7. Hoe beoordelen de cliënten zelf hun werkzaamheden bij het P-centrum? Welke activiteiten beschouwen zij als nuttig voor het vinden van een baan, en welke als nutteloos?

Tijdens de raadsvergadering op 13 oktober 2011 is afgesproken dat deze resultaten jaarlijks met de bestuursrapportage aan de Raad worden gerapporteerd.

 

Gevraagd door: L. RADEMAKER (SP) en J.T. LEEUWRIK NIEBORG (GL) ingekomen op 24 januari 2012

Bezuinigen Raad en Daadwinkels

Op pagina 226 van de begroting van 2011 staat dat er vanaf 2014 € 229.000 bezuinigd zou worden op de Raad- en Daadwinkels. Dit zou effectief een halvering zijn van het huidige budget van deze instantie.
In de begrotingsbehandeling van 2011 is een motie aangenomen (op initiatief van de SP) die het college verzocht “dat de huidige dienstverlening en schaal van Raad- en Daadwinkels ook na 2014 behouden blijft en zo nodig (deels) de subsidie te handhaven.
In de commissie O&S van 27 oktober 2011 heeft de PvdA reeds eerder vragen gesteld over de uitvoering van deze motie:

“3. Rondvraag en Mededelingen
De voorzitter geeft het woord aan mevrouw Karsch voor een rondvraag aan wethouder Van Gelderen.
Mevrouw Karsch zegt dat bij de behandeling van de begroting van 2011 een door SP ingediende motie is aangenomen, waarin het college werd verzocht de bestaande dienstverlening en schaal van Raad- en Daadwinkels te behouden. Met het oog op de verhuizing en de verminderde openstelling van de Raad- en Daadwinkel binnenstad Oost, wil mevrouw Karsch van de wethouder graag een toelichting in het licht van die motie.
Wethouder Van Gelderen zegt dat de Raad- en Daadwinkel inderdaad is verhuisd naar het Stadsbouwhuis aan de overzijde. Het is een slimme combinatie en het leidt tot kostenbesparing. De wethouder erkent dat de openstelling in deze situatie minder is, maar in de praktijk loopt het goed. Veel van de vragen zijn voor het contactcentrum en de openstelling daarvan is ruimer. De wethouder zegt dat er een plan voor de werkwijze van de Raad- en Daadwinkels wordt opgesteld. Het plan zal in de loop van het komende jaar aan de commissie worden voorgelegd, in elk geval voor 2013.”

Ondertussen is gebleken dat dit niet de enige verandering is in de openingstijden van de Raad- en Daadwinkels. In Zuid-West is de Raad- en Daadwinkel 2 dagen per maand minder open, in Noord 4 dagen per maand en in de Mors ook 2 dagen per maand. In totaal zijn vanaf vorig jaar 48 formatie-uren bezuinigd. De fractie van de PvdA heeft hier, conform art. 45 Reglement van Orde, de volgende vragen over:

Antwoord van Burgemeester en Wethouders  (Ingezonden 3 april 2012)

1. Bent u het met de PvdA-fractie eens dat er door 48 formatie-uren te bezuinigen op de Raad- en Daadwinkels het op zijn minst lijkt dat er al een plan voor bezuinigingen op de Raad- en Daadwinkels wordt doorgevoerd, voordat de commissie zich hierover kan uitspreken?

-  Nee, het college kan zich niet vinden in uw constatering dat er formatie-uren zijn  bezuinigd op de Raad & Daadwinkels

Er is inmiddels sprake van twee vacatures bij de Raad- en Daadwinkels. In het kader van de uitvoering van de motie RV 10.0113 wordt aan een plan gewerkt dat voor het zomerreces gereed zal zijn. In afwachting van dit plan is besloten deze vacatures niet te vervullen. Uitgangspunt hierbij was dat het niet vervullen van deze vacatures geen gevolgen mag hebben voor de dienstverlening aan cliënten.
Als gevolg hiervan is de bezetting verminderd maar dit wordt grotendeels gecompenseerd door de onderbrenging van de R&D-winkel Binnenstad Oost in het KCC-centrum aan de Langegracht (Stadsbouwhuis) met verruimde inloopmogelijkheden en door het hanteren van een efficiëntere werkwijze. .

2. Hoe rijmt u dat met de eerder aangehaalde motie?

Voor het ten uitvoer kunnen brengen van de motie plaatst het college de Raad- & Daadwinkels in een breder perspectief. Het breder perspectief bestaat uit beleidsontwikkelingen als welzijn nieuwe stijl, de sociaal maatschappelijke structuurvisie, de Kanteling van aanbod naar vraag en de positionering van de Raad- & Daadwinkels binnen het sociaal juridisch hulpverleningslandschap in Leiden. Een concrete uitwerking van dit breder perspectief, inclusief de positie van Raad- & Daadwinkels, wordt in de loop van 2012 voorgelegd aan de commissie.

3. Kunt u uitleggen waarom er is doorgevoerd 48 uur te bezuinigen op de formatie van de Raad- en Daadwinkels? Was er onvoldoende aanloop, werd er onvoldoende gebruik gemaakt van de dienstverlening?

-  zie ook beantwoording vraag 1
-  de aanloop met betrekking tot de Raad & Daad dienstverlening was voldoende maar door  de onder beantwoording van vraag 1 genoemde efficiencymaatregelen kan de  dienstverlening beter worden gestroomlijnd.
-  bij de klachtenambtenaar en/of het management van de afdeling Service & Informatie is  sinds het bestaan van de afdeling (2008) géén enkele -lees: 0- klacht ontvangen in de  relatie tot de Raad & Daad dienstverlening

(Ingekomen 28 februari 2012)

 

Gevraagd door: E. KARSCH-SPIRO (PvdA) op 28 februari 2012

Betalingsachterstand bij zorgverzekeraars

(ingekomen 9 februari 2012)

Sinds 2009 voert de Rijksoverheid streng beleid om ervoor te zorgen dat mensen hun zorgverzekeringspremie wel betalen. Als verzekerden een half jaar achterstand hebben met premiebetaling, worden zij aangemeld bij het College voor Zorgverzekeringen (CvZ) als ‘wanbetaler’. Vanaf dat moment mag men niet meer zelf een verzekering uitkiezen en wordt een verplicht 30% hogere zorgpremie opgelegd.

Deze strenge aanpak heeft ertoe geleid dat steeds meer mensen in Nederland ‘vast’ zitten bij het CvZ. Inmiddels moeten meer dan 300.000 mensen de verplicht hoge premie betalen. Onder hen zijn veel mensen die, door de crisis en hoge kosten voor levensonderhoud, de premie simpelweg niet kunnen betalen. Door verhoogde premie blijven ze ‘vast’ zitten omdat ze niet de schuld bij het CvZ kunnen afbetalen. Een bezwaar aantekenen tegen aanmelding bij het CvZ is niet mogelijk.

De SP in Leiden stelt op basis van artikel 45 van het reglement van Orde bij deze schriftelijke vragen in hoeverre deze problemen ook in Leiden voorkomen.


Algemene informatie
De Adviseur Strategie, Communicatie en Bestuursondersteuning van het College voor Zorgverzekeringen heeft de volgende nuancering op bovenstaande tekst:
 
“De kern/oorzaak van het probleem ligt niet bij het CvZ, maar bij de niet betaalde premies aan de zorgverzekeraar. De wanbetaler blijft in het CVZ-regime (dat ons door de wetgever is opgedragen) totdat de schuld bij de zorgverzekeraars is voldaan.
Voldoet de wanbetaler zijn schuld aan de zorgverzekeraar, dan komt de wanbetaler uit de (verhoogde) premieheffing door het CVZ. In dat geval worden schulden bij het CVZ, voor zover die betrekking hebben op de verhoging, kwijtgescholden.
Komt een wanbetaler in een wettelijk schuldhulpverleningstraject, dan worden alle openstaande schulden bij het CVZ kwijtgescholden.”

Antwoord van burgemeester en wethouders (ingezonden 20 maart 2012)

1. Hoeveel burgers van Leiden zijn aangemeld bij het CvZ als ‘wanbetaler’?

Op 9 maart 2012 zijn dat er 2203 .
 
2. En hoeveel daarvan zijn verzekerd via de collectieve zorgverzekering van Zorg&Zekerheid voor minima?

Van de 6513 klanten (stand 1 maart 2012) met een aanvullende Standaard- of Toppolis staan er 117 bij het CvZ geregistreerd . Dit is 1,8%.

3. Op welke manier onderneemt de gemeente activiteiten om te voorkomen dat Leidenaren, die verzekerd zijn via de collectieve verzekering voor minima, een premie-achterstand oplopen en dan aangemeld worden bij het CvZ? Zo nee, waarom niet?

Het beleid van de gemeente is mensen zoveel mogelijk eigen verantwoordelijkheid te laten nemen. Alleen als mensen onverhoopt toch in de schulden dreigen te komen of al in de schulden zitten kunnen wij helpen via de Stadsbank.  
Ook bieden we klanten die schulden hebben maar waarbij interventie van de Stadsbank niet nodig of mogelijk is, de mogelijkheid om een aantal vaste lasten via de uitkering te betalen zoals huur, energie en premie ziektekostenverzekering.
Tot slot is er met Zorg & Zekerheid afgesproken dat klanten met een AV Toppolis die hun premie niet meer kunnen betalen automatisch worden teruggezet naar de gratis aanvullende Standaardpolis.

4. Is aanmelding bij het CvZ voldoende reden om in aanmerking te komen voor schuldhulpverlening bij de Stadsbank?

Ja dat kan voldoende reden zijn.
Het komt overigens bijna niet voor dat klanten zich alleen aanmelden met een aanmelding CvZ. Dit kan wel de aanleiding zijn maar tijdens de aanmelding wordt er dan geïnventariseerd welke schulden en problemen er nog meer zijn. De CvZ schuld wordt dan meegenomen als onderdeel van het gehele schuldenpakket en indien er een regeling tot stand komt wordt er ook een voorstel gedaan aan de CvZ. Wij kunnen geen selectie maken van het aantal klanten die in een traject bij de Stadsbank lopen waarvan de CvZ 1 van de schuldeisers is.

Indien er dan toch een klant komt die als enige schuldeiser de CvZ heeft volgt er een adviesgesprek van een uur waarin beoordeeld wordt wat de mogelijkheden van de klant zijn om het bestedingspatroon aan te passen, te beoordelen of er nog voorzieningen zijn waardoor het inkomen verhoogd kan worden zodat er beoordeeld kan worden of er een aflossing aan de CvZ kan plaatsvinden.

5. Zo ja, hoeveel Leidenaren zitten in een schuldhulpverleningstraject als gevolg van een achterstallig zorgpremie?

Er zitten heel weinig klanten in een schuldhulpverleningstraject alleen als gevolg van de schuld bij de CvZ. Zoals boven is vermeld is het een onderdeel van het gehele schuldenpakket en wordt de schuld aan CvZ gewoon meegenomen in een regeling.

6. Hoe vaak heeft een schuldhulpverleningstraject ertoe geleid dat iemand afgemeld kon worden bij het CvZ?

Dit cijfer kunnen we niet leveren. Indien er door ons ingeschat wordt dat er binnen 6 maanden een regeling opgezet kan worden wordt, als de klant volledig saneringsrijp is, een stabilisatieovereenkomst aan de zorgverzekeraar gestuurd waardoor de klanten 6 maanden uit de bronheffing gehaald worden. Als binnen de 6 maanden de regeling akkoord is bevonden blijven de klanten uit de bronheffing. Als dit door allerlei externe oorzaken niet gehaald wordt, komt de klant opnieuw in de bronheffing.
De NVVK en de zorgverzekeraar hebben overigens onderling een convenant afgesloten. Hierin staan afspraken tussen de stadsbanken in Nederland en de zorgverzekeraars die zich aangesloten hebben bij het convenant. Een kopie van dit convenant is als bijlage toegevoegd.

Tot slot willen we u hierbij informeren dat het contract met Zorg en Zekerheid op 31 december 2012 afloopt. Medio 2012 wordt daarom een aanbesteding gestart. De oproep in de motie RV 11.0127 Ziektekosten Minima om “Indien nodig ook andere aanbieders van ziektekostenverzekeringen te overwegen” wordt bij die aanbesteding meegenomen.

 

 

Gevraagd door: L. RADEMAKER (SP) op 9 februari 2012

hulp bij ondernemers in moeilijkheden

(ingekomen 3 februari 2012)

 

Hulp voor ondernemers in moeilijkheden

 

 

De fractie van de ChristenUnie nam deze week kennis van de geuite teleurstelling door het Ondernemersklankbord Rijnland (OKB) over de houding van de gemeente Leiden. In het Leidsch Dagblad (31/1/12) laat wethouder De Haan weten wel degelijk gebruik te maken van het OKB, zij het via de Kamer van Koophandel (KvK).

 

De ChristenUnie juicht initiatieven van ondernemers om andere ondernemers met financiële problemen te helpen natuurlijk toe. In een tijd dat meer en meer van de veerkracht van de samenleving wordt gevraagd, zou de overheid dit toch moeten benutten, aanmoedigen en waarnodig faciliteren. Op basis van artikel 45 van het Reglement van orde van de gemeenteraad stellen wij daarom de volgende vragen aan het college van B&W:

 

Antwoord van Burgemeester en Wethouders

(ingekomen 20 maart 2012)

 

1.       De wethouder zegt in het LD dat het OKB via de KvK wordt ingeschakeld als dat nodig is. Hoe vaak is dat het geval geweest?

 

Het OKB heeft tot en met 2011 deel uitgemaakt van de Coachpool van de KvK. In deze Coachpool worden alle disciplines vertegenwoordigd, van marketing en financiën tot persoonlijke coaching. Ondernemers zelf kiezen de discipline waarin en de coach door wie zij gecoachet willen worden. Van 2009 tot en met 2011 zijn 39 Coachtrajecten via de KvK Coachpool voltooid, alleen het aantal Coachtrajecten is geregistreerd, niet het aantal per Coach.

 

 

2.       Is de KvK per definitie op de hoogte wanneer een onderneming in de financiële problemen raakt?

 

Nee, niet iedereen met financiële problemen meldt zich (direct) bij de KvK.

 

 

3.       Waarom acht het college het nuttig het OKB alleen via de KvK te betrekken?

 

Voor de uitvoering van het startersbeleid en de Coachpool heeft de gemeente, samen met de Stichting Werk en Onderneming, een convenant afgesloten met de KvK. De gemeente heeft geen contacten met aanbieders van ondersteuning aan ondernemers, dat is aan de KvK als koepelorganisatie.

 

 

4.       Heeft het college wetenschap of vermoeden van de bekendheid van het OKB onder Leidse ondernemers?

 

Vanuit contacten in het veld heeft de gemeente vernomen dat het OKB bekendheid heeft onder ondernemers in Leiden. Hoe groot die bekendheid exact is, is de gemeente niet bekend. Het is aan het OKB om haar bekendheid te meten en zichzelf te profileren onder ondernemers.  

 

 

5.       Zijn er in Leiden soortgelijke initiatieven waardoor het OKB misschien van minder toegevoegde waarde zou zijn?

 

In Leiden bestaan startersbeleid en de KvK Coachpool, waarvoor de gemeente Leiden en de Stichting Werk en Onderneming een convenant hebben afgesloten met de KvK. Hier zijn 7 coaches uit voortgekomen. Het OKB heeft tot en met 2011 deel uitgemaakt van de Coachpool maar heeft ervoor gekozen zich hier vanaf 2012 niet meer voor aan te bieden. Het OKB biedt overigens haar diensten nog steeds aan en heeft nog steeds contact met de KvK. Het staat ondernemers uiteraard vrij om te kiezen voor een coach waarvan zij denken dat zij er het meeste baat van zullen hebben, ongeacht of deze nu deel uitmaakt van de KvK of niet.

 

 

 

 

Gevraagd door: G. TeERPSTRA (CU) op 3 februari 2012

Tandenborstelcontrole bij studenten

(ingekomen 24 januari 2012)

Schriftelijke vragen aan het College van Burgemeester en Wethouders door de raadsleden L. Gisteren publiceerde het universitair weekblad ‘Mare’ een artikel waaruit blijkt dat ambtenaren van de gemeente Leiden op huisbezoek gaan bij studenten om fraude met de studiefinanciering op te sporen. (Zie http://www.mareonline.nl/archive/2012/01/18/toch-tandenborstelcontrole)  De kop ‘Toch tandenborstelcontrole’ doet het ergste vermoeden. De SP stelt schriftelijke vragen naar aanleiding van dit nieuwsbericht.

Antwoord burgemeester en wethouders

(ingezonden 6 maart 2012)

1. Klopt dit bericht in de Mare?

Ja, dit klopt.

2. Zo ja: wat staat er precies in het convenant met de Rijksoverheid? En hoeveel huisbezoeken zijn inmiddels afgelegd door Leidse ambtenaren?

Met ingang van 1 januari 2012 is de Wet Studiefinanciering gewijzigd om effectief te kunnen optreden tegen misbruik van de studiebeurs voor uitwonende studenten. De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) kon, voor de wetswijziging, alleen administratief controleren of aan de criteria voor een uitwonenden-beurs werd voldaan en had geen sanctiemogelijkheden.

De wetswijziging biedt deze sanctiemogelijkheden wel. Voor de fysieke adrescontroles verzoekt de Minister, respectievelijk DUO, de gemeenten deze te verrichten op, door DUO aangeleverde, adressen en op grond van een door DUO opgesteld risicoprofiel. De gemeenten rapporteren de resultaten van deze controles aan DUO. Hiertoe worden convenanten afgesloten tussen de Minister van OCW en gemeenten waarin o.a. afspraken gemaakt worden over de financiële vergoeding.

Landelijk is in 2011 een pilot gehouden. In de loop van 2011 is Leiden daarbij aangesloten.

Er zijn in totaal 10 huisbezoeken afgelegd door toezichthouders van de gemeente Leiden, waarbij alleen gekeken is naar de aandachtspunten zoals aangegeven door DUO.

De adressen zijn vooraf zorgvuldig door DUO bepaald; nadat de rapportages waren overgedragen aan DUO, in 8 van de gevallen bleek dat er sprake was van een reële aanleiding.

Dat de gemeente deze controles uitvoert staat niet in de begroting en niet in de Nota Handhavingsbeleid 2011-2014.

3. Is de gemeenteraad over deze stufi-controle geïnformeerd? Zo ja, wanneer en hoe? Zo nee, waarom niet?

Nee. Dit betrof een pilot. Bij het aangaan van een definitief convenant met DUO, waarbij toezichthouders van de gemeente bijdragen aan de uitvoering van landelijk beleid, zal de gemeenteraad, naar analogie met het gestelde in artikel 1 van de wet gemeenschappelijke regelingen een voorstel tot samenwerking voor het verkrijgen van toestemming als daar bedoeld krijgen voorgelegd.

4. Zo nee, bent u alsnog bereid om het voornemen tot controle op stufi-fraude ter besluit voor te leggen aan de gemeenteraad?

Ja, bij het verzoek tot het aangaan van een convenant.

5. Is het eigenlijk wel een gemeentelijke taak om stufi-fraude aan te pakken?

De aanpak van de Stufi-fraude is een taak van de Rijksoverheid. Op basis van een definitief te sluiten convenant zal de Rijksoverheid gemeenten verzoeken om controles ten behoeve van de uitvoering van deze taak, tegen betaling, uit te voeren. Aangewezen Toezichthouders van de gemeente Leiden kunnen deze taak vervolgens, op verzoek van DUO, uitvoeren.

6. Krijgt de gemeente geld van het Rijk en/of DUO om deze controles uit te voeren?

Ja.

Het aantal uren dat per controle wordt vergoed is echter nog niet vastgesteld. De uitgevoerde pilot was vooral bedoeld om dit te kunnen bepalen.

Tot slot enkele vragen over de privacy van de studenten in kwestie. Al eerder is gebleken dat de Leidse sociale recherche het niet zo nauw neemt met de privacy-regels. (Zie http://leiden.sp.nl/bericht/39207/091209-sp_verontwaardigd_over_inbreuk_op_privacy_door_sociale_recherche.html) Daar zijn toentertijd, twee jaar geleden, een reeks maatregelen ingevoerd om de privacy van verdachten te waarborgen.

7. Onder welke voorwendselen worden de huisbezoeken gepresenteerd aan de studenten waarvan het vermoeden bestaat dat zij frauderen?

De werkzaamheden zijn door Toezichthouders van de gemeente Leiden uitgevoerd. Er is geen sprake van het gebruik van voorwendselen om de controles uit te voeren. Aan de betrokkenen is helder gecommuniceerd wat het doel van de controle was en dat de medewerking vrijwillig was. De uitkomsten van de controles zijn gerapporteerd aan DUO. DUO neemt, indien nodig maatregelen. 

Uw opmerking dat de Leidse sociale recherche het niet zo nauw neemt met de privacy-regels is een onterechte aantijging. Onafhankelijk onderzoek heeft destijds uitgewezen dat er van overtreding van privacy-regels geen sprake was.

8. Worden studenten duidelijk geïnformeerd dat zij de gemeentelijke ambtenaren niet binnen hoeven te laten?

Ja.

Huisbezoek is een instrument dat vaker wordt gebruikt. Echter voor binnentreden is altijd toestemming van de bewoner vereist.

9. Op basis van welke vermoedens wordt besloten over te gaan tot een huisbezoek?

De adressen worden bepaald door DUO.

Dit is de definitie van het door het DUO gestelde risicoprofiel:

“Hierbij gaat het om combinaties van objectieve (gedrags-)kenmerken van de studerende zoals bijvoorbeeld leeftijd, onderwijssoort, woonsituatie en de (on- ) logische combinatie van het GBA-adres van de studerende, het GBA-adres van de ouder(s) en de vestigingsplaats van de onderwijsinstelling.”

 

Gevraagd door: L. RADEMAKER en A. THEEUWEN (SP) op 24 januari 2012

Ontslagen in speciaal onderwijs

(Ingekomen 1 december 2011)

Op de site van Unity TV staat het volgende te lezen:

“In het speciaal onderwijs van deze regio raken 129 leerkrachten hun baan kwijt. Dat blijkt uit een onderzoek van de Algemene Onderwijs Bond, dat keek naar de gevolgen van de bezuinigingen.

Het kabinet wil 300 miljoen euro bezuinigen op speciaal onderwijs. Gevolg in deze regio is dat 106 fulltime arbeidsplaatsen verloren gaan. Wat gelijkstaat aan het vertrek van 129 leraren. Voor de kinderen betekent het grotere klassen en minder aandacht.”

Op grond van artikel 45 van het Reglement van Orde van de gemeenteraad wil de SP-fractie de volgende vragen stellen aan het college van Burgemeester en Wethouders:

Antwoord van Burgemeester en Wethouders

(ingezonden 24 januari 2012)

1. Klopt het dat in de regio Leiden 106 fulltime arbeidsplaatsen verdwijnen en komt dat overeen met 129 leerkrachten?

Deze informatie is niet als zodanig bij de gemeente bekend. Exacte informatie hierover kan alleen bevestigd worden door de betrokken schoolbesturen.

2. Als er ontslagen zullen vallen, per wanneer zal dat gebeuren?

De gemeente heeft geen inzicht in de bedrijfsvoering van schoolbesturen en kan hierover geen uitspraken doen.

3. Hoeveel euro moet elke school bezuinigen? Graag per school voor speciaal onderwijs aangeven om hoeveel geld het gaat als gevolg van de rijksbezuinigingen.

De gemeente heeft geen inzicht in de bedrijfsvoering van schoolbesturen en kan hierover geen uitspraken doen.

4. Ziet het college van B&W andere mogelijkheden om de rijksbezuinigingen in te vullen, zonder ontslagen?

Het is aan de betreffende schoolbesturen om de rijksbezuinigingen vorm te geven, dus ook of er gekozen wordt voor ontslag of voor andere oplossingen. Wel heeft de gemeente aan de schoolbesturen toegezegd in gesprek te gaan over mogelijke oplossingsrichtingen.

5. Deelt het college de zorg uit het artikel dat het ontslag van leraren zal leiden tot grotere klassen en minder aandacht voor de leerlingen?

De consequenties van de bezuinigingen zijn nog niet geheel te overzien. Of deze ook direct leiden tot grotere klassen en minder begeleiding is ons op dit moment niet duidelijk.

6. Wat gaat het college samen met de betrokken scholen doen om te voorkomen dat leerlingen uit het speciaal onderwijs de dupe worden van de rijksbezuinigingen?

De gemeente zal in samenwerking met de schoolbesturen en de omringende gemeenten het nieuwe stelsel Passend Onderwijs vormgeven voor de regio Leiden. Er is een werkgroep gevormd waarin alle partijen zitting hebben. Passend Onderwijs heeft niet alleen consequenties voor het onderwijsveld, maar ook voor de gemeente. Het gaat dan om de taken op het gebied van onderwijshuisvesting en leerlingenvervoer en de afstemming rond de decentralisatie Jeugdzorg. Daarnaast worden de gevolgen van de bezuinigingen in het speciaal onderwijs in kaart gebracht voor Leiden. De gemeente kan de rijksbezuinigingen niet compenseren, maar wel faciliteren en meedenken in oplossingsrichtingen.
 

Gevraagd door: E. DE BAKKER en L. RADEMAKER (SP) op 1 december 2011

Participatieplaatsen

(ingekomen 20 januari 2012)

Vorig jaar heeft de gemeenteraad van Leiden besloten om participatieplaatsen in Leiden in te voeren. Mensen die een bijstandsuitkering krijgen, kunnen gedwongen worden arbeid te verrichten om hun uitkering te behouden. GroenLinks heeft tegen de invoering gestemd omdat werken dient te lonen, volgens een arbeidscontract moet verlopen en meer dient op te leveren dan de inkomsten die je met een bijstandsuitkering verkrijgt.

De raad heeft tijdens het invoeren ervan een aantal moties aangenomen met principiële uitspraken over de richting van het beleid. Zo mogen er geen arbeidsplaatsen verdwijnen die opgevuld worden door mensen met een bijstandsuitkering en mag er alleen additionele arbeid verricht worden. Ook houdt het college bij welke bedrijven participatieplaatsen aanvaarden en hoeveel mensen worden gekort op hun uitkering.

Antwoord van burgemeester en wethouders

(ingezonden 28 februari 2012)

De eerste groep mensen is aan de slag gegaan met de participatieplaatsen, daarom heeft GroenLinks, op grond van art. 45 van het Reglement van Orde voor de vergaderingen van de Gemeenteraad, de volgende vragen:

1. Hoeveel mensen zijn er vanaf de invoering ervan aan de slag gegaan via een participatieplaats? Hoeveel zijn er doorgestroomd naar een reguliere werkplek?

Vanaf de invoering van het Participatiecentrum zijn er 10 deelnemers gestart op een participatieplaats. Van deze deelnemers is nog niemand doorgestroomd naar een reguliere baan.

2.Zijn er deelnemers die een reguliere werkplek aangeboden hebben gekregen bij de werkgever waar ze een participatietraject volgen? Zo ja, hoeveel mensen?

Tot op heden heeft geen van de deelnemers een reguliere werkplek aangeboden gekregen bij de werkgever waar ze een participatieplaats hebben. Dit was binnen het tijdsbestek van de bestaande participatieplaatsen ook niet de verwachting. Deelnemers aan een participatieplaats hebben een grote afstand tot de arbeidsmarkt.

Het verkleinen van die afstand kost vaak enkele maanden. Gezien de functie en het additionele karakter van de participatieplaats ligt het ook niet direct voor de hand dat hun participatieplaats wordt omgezet in een reguliere werkplek bij die werkgever. Deelnemers aan een participatieplaats worden wel verder ondersteund door RL bij het vinden van een reguliere arbeidsplaats.

3. Hoeveel mensen die een traject zitten, zowel de eerste zes weken in het participatiecentrum alsmede in de eventueel daaropvolgende participatieplaatsen, zijn er uitgevallen?

Er zijn zes deelnemers geweest die tijdens hun eerste zes weken in het Participatiecentrum af hebben gezien van hun uitkeringsaanvraag, vier klanten bleken geen recht te hebben op hun uitkering en negen deelnemers bleken niet bemmiddelbaar te zijn vanwege een te grote afstand tot de arbeidsmarkt (trede 1 of 2).

Eén deelnemer is tijdens de periode op een participatieplaats uitgevallen i.v.m. lichamelijke klachten (deze klachten hielden geen verband met het werk) (stand per 19 januari 2011)

4. Bij hoeveel van deze mensen (in beide categorieën) zijn er maatregelen genomen (korting op de uitkering)? Tot hoever zijn mensen gekort?

Van de mensen die in een traject zaten en vervolgens zijn uitgevallen is er één deelnemer geweest die een maatregel van 10% opgelegd heeft gekregen.

5. Zijn er mensen die nu al geheel hun recht op een uitkering hebben verloren door maatregelen die genomen zijn rondom het weigeren van een participatieplaats?

Nee, er zijn tot nu toe nog geen deelnemers die het recht op hun uitkering hebben verloren door maatregelen die genomen zijn rondom het weigeren van een participatieplaats.

6. Kunt u ons in lijn met een eerder aangenomen motie een lijst geven met de namen van alle bedrijven en instellingen waar participatieplaatsen gerealiseerd zijn?

Bijgaand treft u een lijst aan van de bedrijven en instellingen waar participatieplaatsen gerealiseerd zijn (bijlage I).

7. Welke werkzaamheden worden per bedrijf of instelling in een participatietraject verricht?

In het bijgaande overzicht (bijlage I) treft u de functie per participatieplaats aan.

8. Welke afspraken zijn er met de eerdergenoemde bedrijven en instellingen gemaakt, bijvoorbeeld ten aanzien van reiskostenvergoedingen, ongevallenverzekeringen, arbeidsomstandigheden e.d.?

In bijlage II treft u een overzicht aan van de afspraken bij met bedrijven en instellingen worden gemaakt (“Afspraken bij de trajectovereenkomst”)

9. Hoe ziet de acquisitieprocedure van die potentiële bedrijven en instellingen er uit; hoe worden ze geworven en geselecteerd?

Participatieplaatsen worden op dezelfde wijze geworven als reguliere vacatures. Per werkplek wordt door de accountmanager of consulent bepaalt of de werkplek voldoet aan de criteria voor de Participatieplaats. Dit zijn werkplekken die de bedrijven of instellingen hebben gecreëerd zodat deelnemers werkervaring op kunnen doen.

Mocht tijdens de acquisitie blijken dat de p-paats niet aan de criteria van additioneel werk of extra gecreëerd werk voldoet dan wordt deze p-plaats niet opgenomen in ons bestand en dus afgewezen.

Nagekomen aanvullende vraag van een duoraadslid (ingekomen 20 januari 2012)

10. Volgens [GroenLinks] is de eerste groep mensen die een participatieplaats hebben aan de slag. […] Wanneer [zijn] die precies begonnen?

De eerste participatieplaats is op 13 oktober 2011 gerealiseerd.

 

Gevraagd door: J.T.LEEUWRIK NIEBORG (GL) 20 januari 2012

Stijgende werkloosheid

(ingekomen 23 september 2011)

 

 

Vandaag stond op Sleutelstad.nl een artikel waarin staat geschreven dat Leiden in de financiële problemen dreigt te komen doordat de werkloosheid sinds augustus vorig jaar sterk oploopt. Dat kost Leiden honderden extra uitkeringen. Het zou om een stijging gaan die twee keer zo hoog ligt als het landelijk gemiddelde van 4%. Belangrijkste oorzaak is het stopzetten van succesvolle regelingen waardoor mensen naar een baan werden begeleid. Het aantal werklozen is de afgelopen 12 maanden opgelopen van rond de 2500 tot ruim 2800. Het probleem gaat nog groter worden door forse bezuinigingen op de sociale werkvoorziening die nog volgen.

Op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad, wil de fractie van de Partij van de Arbeid uw college hierover enige schriftelijke vragen stellen.

Antwoord van Burgemeester en Wethouders (Ingezonden 1 november 2011)

1) Is uw college bekend met bovengenoemd artikel?
Ja.

2) Komt deze stijging van uitkeringsgerechtigden voor uw college als een verrassing?
a. Zo nee, waarom is hier niet eerder ruchtbaarheid aan gegeven en welke tegenmaatregelen zijn er genomen?

Nee. Zie bestuursrapportage 2011 die inmiddels verspreid is aan de leden
van de raad.

b. Zo ja, Is het college het met de PvdA eens dat uw college er bewust voor heeft gekozen te stoppen met een groot deel van de succesvolle re-integratietrajecten en gekozen heeft verder te gaan met participatiebanen. En dus had kunnen voorzien dat veel meer mensen in een uitkering terecht zouden komen?

Niet van toepassing

3) Heeft uw college al enig idee hoe groot deze financiële tegenvaller gaat worden?

Ja, dit is opgenomen in de bestuursrapportage 2011.

4) Heeft uw college verder enig idee waarom de stijging in Leiden twee keer zo hoog ligt als het landelijk gemiddelde van 4%?

Er is geen alles verklarende oorzaak.
Uit een onderzoek van APE (16 sept 2011) blijkt dat de stijging van de bijstand in het eerste half jaar 2011 in grote steden groter is dan in kleinere steden. Daarnaast wordt aangegeven dat de stijging in 2011 samenhangt met een daling vòòr de crisis. Grote gemeenten die in de jaren vóór 2009 sterk zijn gedaald (sterker dan gemiddeld), hebben gemiddeld een sterkere stijging dan gemeenten waar de daling voor de crisis achterbleef bij het gemiddelde. Leiden behoort tot deze groep.

Wat bijdraagt aan de stijging in Leiden is dat het aantal lopende re-integratietrajecten medio 2011 (909 trajecten) fors minder is dan medio 2010 (1631 trajecten). Daardoor is er minder uitstroom. De forse afname is een direct gevolg van de rijksbezuinigingen.
Daarnaast is Leiden laat gestopt met verloningstrajecten. De klanten uit deze trajecten zijn nu na een korte WW-periode weer ingestroomd. Andere gemeenten hebben deze instroom in een eerder stadium al gehad.
Leiden hoopt dat het participatiecentrum dat onlangs van start is gegaan een positieve invloed zal hebben op zowel de instroom als de uitstroom. Het bestand is in het 3e kwartaal van 2011 gestabiliseerd..


5) Heeft uw college al zicht op de problemen die op de gemeente afkomen met de bezuinigingen op de sociale werkplaats?
a. Zo ja, welke zijn deze?

De bezuinigingen die door het vorige kabinet zijn veroorzaakt zijn deels al verwerkt in de begroting en worden deels gemeld en financieel opgelost in de bestuursrapportage 2011.

b. Zo nee, wanneer verwacht u hier meer helderheid over te hebben?

De bezuinigingen van het nieuwe kabinet vanaf 2013 als gevolg van de Wet werken naar vermogen zijn in grote lijnen wel bekend. De financiële effecten van deze wet zullen uiteindelijk bij de Perspectiefnota in 2012 gepresenteerd worden.


 

Gevraagd door: R-J. VAN ETTE (PvdA) op 23 september 2011

Software Sociale Zaken in relatie tot Leiderdorp en inzet Pink Roccade

(ingekomen 23 september 2011)

Vandaag stond in het Leidsch Dagblad een artikel waarin staat geschreven dat Leiderdorp als gevolg van het falen van het Leids computersysteem Szwnet een strop van € 900.000 heeft. Weliswaar wordt volgens het artikel een deel van dit geld door de rijksoverheid vergoed, maar blijven er nog tonnen over die Leiderdorp uit eigen zak moet betalen.

Op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad, wil de fractie van de Partij van de Arbeid uw college hierover enige schriftelijke vragen stellen.

Antwoord van Burgemeester en Wethouders

(ingezonden 4 oktober 2011)

1) Is uw college bekend met bovengenoemd artikel?

Ja

2) Zit in de financiële strop van Leiderdorp geld dat, als de software van Sociale Zaken wèl correct gewerkt had, niet had hoeven te worden uitgegeven? Zo ja, om hoeveel geld gaat het?

Nee. Door de problemen die de gemeente had met de invoering van de nieuwe software konden we het eerste half jaar geen betrouwbare managementgegevens leveren. De gegevens die we konden leveren gaven een vrij constant bijstandsbestand aan voor Leiderdorp. Eind juni/begin juli werd ontdekt dat deze gegevens niet klopten. De uitkeringen die waren toegekend in 2011 maar die met terugwerkende kracht ingingen in 2010 bleken niet te zijn meegenomen in de managementinformatie.
We hebben door die foutieve informatie niet tijdig kunnen zien dat het bestand voor Leiderdorp op liep tot ca 12 % boven de verwachtingen.
Het feit dát het bestand op is gelopen wordt niet veroorzaakt door het ICT-systeem.
De eventuele financiële strop is dus niet te wijten aan de software.
Of er een financiële strop zal zijn is op dit moment niet bekend. De financieringssystematiek van de WWB geeft aan dat een gemeente een financieel risico van 10% van het toegekende bijstandsbudget moet dragen. Is het tekort groter dan die 10% dan kan de gemeente een aanvraag indienen voor een aanvullende uitkering. De eisen die daaraan zijn verbonden zijn voor een kleine gemeente minder zwaar dan voor grotere gemeenten. Leiderdorp heeft al enige jaren achtereen een beroep gedaan op een aanvullende uitkering, en deze ook gekregen. Met het oplopende bestand zal het financiële beroep op een aanvullende uitkering hoger zijn dan eerdere jaren. Door het ontbreken van managementinformatie heeft Leiderdorp bij de aanvraag van een meerjarige aanvullende uitkering bij het ministerie van SZW geen correcte prognose van de uitgaven kunnen geven. Het is uiteraard niet bekend of de aanvullende uitkering zal worden toegekend en hoe hoog deze zal zijn. Het risico op een financiële tegenvaller blijft daardoor bestaan.

In het Leidsch Dagblad van 28 september 2011 stond een artikel over onderhavige materie waarin het artikel van 23 september wordt genuanceerd. Wethouder Maat geeft hierin ook aan dat de strop niet zo groot is als in het eerdere artikel werd voorgesteld. Ook geeft hij aan dat de managementinformatie veel te laat kwam, maar dat het computersysteem niet de oorzaak is van het oplopende bestand.

3) Is er op grond van de samenwerkingsovereenkomst of andere wet- en regelgeving voor Leiderdorp een bedrag als onder vraag 2 genoemd te verhalen op Leiden? Zo ja, heeft Leiderdorp al een vordering ingesteld of de intentie daartoe gemeld?

Niet van toepassing, zie vraag 2

4) Als er een bedrag op Leiden gevorderd gaat worden, om welke orde van grootte gaat dat?

Niet van toepassing

5) Heeft het gebrekkig functioneren van SZWnet en de schadepost inmiddels gevolgen voor de samenwerking met Leiderdorp op het gebied van Sociale Zaken? Zo ja, welke gevolgen zijn dat?

Nadat bekend werd dat Leiden onvoldoende managementinformatie leverde over de uitvoering van de bijstand, zijn in een bestuurlijk overleg excuses gemaakt. In een brief aan Leiderdorp is uiteengezet hoe de fout heeft kunnen optreden. Op ambtelijk niveau zijn de periodieke overleggen op dit moment vaker dan voorheen om zaken door te spreken en het vertrouwen te kunnen herstellen.
Een bijkomend probleem is dat ook voor Leiderdorp het participatiebudget zeer sterk verminderd is. Leiderdorp heeft  inmiddels aangegeven een extra budget van €100.000,- beschikbaar te stellen voor 2011 om daarmee in elk geval ook klanten uit Leiderdorp te kunnen laten deelnemen aan het participatiecentrum (bij DZB/RL)

Tenslotte wordt in het artikel gesproken over inzet van het bedrijf PinkRoccade om Leiden uit de brand te helpen.

6) Klopt het dat PinkRoccade wordt ingezet?

Eind augustus is bekend gemaakt dat Planconsult is overgenomen door PinkRoccade. De suggestie uit het artikel dat een ander bedrijf helpt met het oplossen van het probleem is dus niet correct. De afspraken die Leiden heeft gemaakt met Planconsult zijn onveranderd overgenomen door PinkRoccade.

7) Wat is de opdracht die dit bedrijf gekregen heeft ook in relatie tot de opdracht aan Planconsult?

Zie antwoord op vraag 6

8) Is voor het werk van PinkRoccade een vast bedrag afgesproken (zo ja, welk bedrag) of wordt op basis van ‘uurtje-factuurtje’ gewerkt (zo ja, graag een begroting van het aantal uren en een overzicht van de gehanteerde tarieven).

Zie antwoord op vraag 6

9) Waarom is er een ander IT-bedrijf dan Planconsult ingezet?

Zie antwoord op vraag 6

10) Wat betekent dit voor de inzet van Planconsult in de toekomst?

Zie antwoord op vraag 6

11) Waarom wordt in uw brief van 7 september 2011 (kenmerk ESZ-2011-12095) aan de raad niet gesproken over de inzet van PinkRoccade.

Op het moment dat het plan van aanpak werd geschreven was er nog niets bekend over de overname van Planconsult door PinkRoccade. Op het moment van verzenden van het plan aan uw raad was dit wel bekend maar is er voor gekozen om deze overname aan uw Raad te melden in de voortgangsbrief die aan u was toegezegd voor eind september. Het plan van aanpak is hier immers niet door gewijzigd. De overname heeft zoals in die brief is aangegeven geen gevolgen voor de gemeente Leiden.


 

Gevraagd door: R-J VAN ETTE (PvdA) op 23 september 2011

Onrust bij Servicepunt 71

(Ingekomen op 20 september 2011)

In het Leidsch Dagblad van zaterdag 17 september j.l. las de fractie van de VVD dat er veel onrust bij het personeel van Servicepunt71 zou zijn, de ondernemingsraad zich tekort gedaan zou voelen en de verwachte besparingen niet of niet op tijd gehaald zouden worden.

Het Servicepunt71 heeft onder meer tot doel om bij te dragen aan betere dienstverlening, om de kwaliteit van het werk te verhogen, de continuïteit van het werk te borgen, de beschikbare arbeidskracht efficiënter in te zetten, en om door schaalvoordeel een flinke besparing te realiseren. Deze besparingen zullen Leiden na de opstartfase jaarlijks in ieder geval 4,5 a 5 miljoen euro opleveren. Volgens het college zijn deze besparingen conservatief ingeschat, bij een positief scenario zou ook 8 miljoen euro gehaald kunnen worden. De besparingen zullen, volgens het aangenomen raadsvoorstel, voornamelijk gerealiseerd worden door inkoopvoordelen.

De fractie van de VVD vindt het van groot belang dat de doelstellingen van het Servicepunt71 tijdig en in zijn geheel gerealiseerd zullen worden. Zij is dan ook bezorgd om de geluiden van onrust onder het personeel en de door de wethouder genoemde vertraging bij het realiseren van de inkoopvoordelen. De VVD meent dat de geschetste problemen in de weg kunnen staan aan het behalen van de doelstellingen.

Op grond van artikel 45 van het reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad wil de fractie van de VVD uw college dan ook enige schriftelijke vragen stellen.

De onrust bij het personeel zou betrekking hebben op de functies bij het Servicepunt. De wethouder beaamt in de krant dat er met name vanuit Leiden slechte communicatie richting het personeel is. Komende week zouden er een aantal extra gesprekken gevoerd worden om duidelijk te maken dat het Leidse college serieus luister.

Antwoord van Burgemeester en Wethouders

(ingezonden 4 oktober  2011)

1. Op welk moment was het college bekend met de onrust bij het personeel?

Wij volgen het proces van totstandkoming van Servicepunt71 op de voet. De totstandkoming van het Servicepunt is een voor medewerkers ingrijpend proces. In deze fase van het traject is de vraag aan de orde wat de overgang van het personeel naar de nieuwe werkgever gaat betekenen voor de individuele medewerker. Wij zijn ermee bekend dat dit bij medewerkers onzekerheid veroorzaakt en hebben daar aandacht voor. Naar mate het moment van daadwerkelijk starten van het Servicepunt 71 dichterbij komt en concreter wordt nemen de vragen en zorgen bij medewerkers toe. Op zich in dit soort trajecten een niet ongebruikelijk verschijnsel.
 

2. Wat is de oorzaak dat de communicatie met het personeel over -zoiets belangrijks als- de nieuwe invulling van hun werkzaamheden slecht is verlopen?

De opzet van het Servicepunt71 is voorbereid door een projectorganisatie. Deze is met ingang van 1 juni 2011 vervangen door een nieuwe directeur en vanaf 1 september is het nieuwe management van de teams van het Sevicepunt71 benoemd. In deze complexe fase van het proces heeft de projectorganisatie verantwoordelijkheden overgedragen aan het nieuwe management. Het nieuwe management (voor een deel afkomstig uit de organisaties van de vier gemeenten) moet nu in positie komen. Ondanks dat er door het Servicepunt71  en de deelnemende gemeenten veel is gecommuniceerd (nieuwsbrieven, medewerkersessies, cultuurbijeenkomsten e.d.), blijkt dat dit voor de Leidse medewerkers die overgaan naar het Servicepunt71 nog niet voldoende is geweest. Er zijn nu maatregelen genomen om de communicatie verder te intensiveren. Zo zijn er meerdere bijeenkomsten met de medewerkers gehouden en is aanvullende schriftelijke informatie verstrekt.

3. Heeft deze onrust bij het personeel geleid tot verminderde kwaliteit en continuïteit van de dienstverlening? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waar baseert het college dat op?

Nee. Er zijn hieromtrent door ons ook geen signalen ontvangen.

4. Heeft de ontstane onrust gevolgen voor het tijdig en volledig behalen van de doelstellingen van het Servicepunt? 

Nee, zie ook het antwoord op vraag 3. Ter illustratie geldt dat de geraamde inkoopvoordelen volgens planning worden gehaald.

5. Meent het college dat zij met een aantal extra gesprekken de communicatieproblemen met het personeel volledig kan herstellen? Zo nee, welke maatregelen gaat het college nog meer nemen en op welke termijn? 

Wij constateren dat de communicatie vanuit het Servicepunt71 en de gemeente met de Leidse medewerkers kennelijk onvoldoende is geweest. Zie hiervoor ook beantwoording van vraag 2.
De gesprekken die door de gemeente Leiden recent zijn gehouden hebben reeds bijgedragen aan het verbeteren van de communicatie. De communicatie beperkt zich echter niet tot het houden van gesprekken.
Met medewerkers wordt ook schriftelijk gecommuniceerd en de informatie die beschikbaar is over het bedrijfsplan, het functiegebouw en de voortgang van projecten die lopen ter voorbereiding op de start van het Servicepunt71 worden ook via de website van het Servicepunt71 gedeeld met de medewerkers. Nu de managers van het Servicepunt zijn benoemd en hun taken hebben opgepakt in aan een belangrijke nieuwe voorwaarde voor de verbetering van de communicatie voldaan. De medewerkers hebben nu duidelijke aanspreekpunten en bereiden samen met de managers de start van het Servicepunt71 voor. 

De Bijzondere Ondernemingsraad (BOR) zou “overhoop liggen” met de deelnemende gemeenten over de status van de BOR. Het officiële overleg zou daarom opgeschort zijn. De wethouder zegt in de krant dat het college nu gaat kijken hoe ervoor gezorgd kan worden dat de BOR de juiste informatie krijgt. De VVD meent dat het in het belang van het welslagen van het Servicepunt71 -en daarmee van Leiden- is dat de problemen tussen BOR en deelnemende gemeenten snel opgelost worden en de overleggen hervat worden.

6. Op welk moment was het college bekend met de problemen tussen de BOR en de deelnemende gemeenten?

Er bestaat geen onduidelijkheid over de status van de BOR. Dit is dan ook niet de reden voor de opschorting van het overleg met de WOR-bestuurder. De directeur van het Servicepunt71 is namens de gemeentesecretarissen van de vier gemeenten gedelegeerd bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden (WOR).
De BOR heeft het overleg met de WOR-bestuurder op 31 augustus opgeschort. Wij zijn hiervan onmiddellijk op de hoogte gesteld. Hierna lichten wij toe wat hiervan de reden is geweest.

7. Wat is de oorzaak van de onvrede bij de BOR?

De BOR is van mening tot dusverre onvoldoende mogelijkheid te hebben gehad om invloed uit te oefenen op de invulling van het Servicepunt71. Dit komt doordat volgens de BOR de WOR-bestuurder onvoldoende informatie verstrekt en de BOR, op onderwerpen die vanuit het gezichtspunt van de medezeggenschap van belang zijn, (nog) geen mogelijkheid heeft geboden advies uit te brengen.
 
De gemeentesecretarissen van de vier gemeenten en het management van het Servicepunt71 zijn nu informeel in overleg met een vertegenwoordiging van de BOR om na te gaan op welke wijze voldaan kan worden aan de wensen van de BOR, zodat zo spoedig mogelijk het formele overleg met de BOR weer kan worden hervat.

8. Heeft deze problematiek gevolgen voor het tijdig en volledig behalen van de doelstellingen van het Servicepunt?

Tot dusverre is dat niet het geval. Wel zijn wij van mening dat het overleg met de BOR zo snel mogelijk hervat moet worden om daarmee de medezeggenschap in het proces de plaats te geven die haar toekomt.

9. Wat gaat het college doen om de problemen met de BOR op te lossen en te bewerkstelligen dat het officiële overleg met de BOR en de deelnemende gemeenten snel hervat wordt?

De BOR bestaat uit vertegenwoordigers van de ondernemingsraden van de 4 deelnemende gemeenten. De gemeentesecretaris van iedere gemeente is de WOR-bestuurder van de betreffende ondernemingsraad. De directeur van Servicepunt71 treedt in de BOR op namens de vier WOR-bestuurders.
 
De vier gemeentesecretarissen hebben inmiddels meerder malen gesproken met de directeur van het Servicepunt71 over te nemen acties. Dit heeft ertoe geleid dat twee leden van het managementteam van het Servicepunt71 nu in overleg met een vertegenwoordiging van de BOR een herstart van het overleg voorbereiden.

10. Op welke termijn is een oplossing te voorzien?

Wij verwachten dat begin oktober het formele overleg met de BOR hervat wordt.
In de krant lezen wij tevens dat volgens onbevestigde berichten het Servicepunt71 zijn hooggespannen verwachtingen niet waar zou kunnen maken. De wethouder ontkent in de krant dat de verwachtingen zijn bijgesteld en bevestigt dat de doelstellingen tijdig gehaald zullen worden. Een misverstand zou ontstaan kunnen zijn omdat de inkoopvoordelen wat vertraagd zijn ten opzichte van de planning. Op het totaal zou dat echter geen effect hebben. Dit laatste bevreemdt de fractie van de VVD, de inkoopvoordelen genereren immers voor een heel groot deel de te behalen besparingen.

11. Wanneer zijn de vertragingen bij het behalen van de inkoopvoordelen geconstateerd?
zie ook vragen 4 en 8

Zie antwoorden op de vragen 4 en 8.

12. Wat is de oorzaak van het ontstaan van de vertragingen?

Zie antwoord op vraag 11.

13. Welk effect hebben deze vertraging op de te behalen besparingen in de aanloopfase (eerste 5 jaar) en de structurele jaarlijkse besparingen?

Zie antwoorden op vraag 4, 8, 11 en 12. Er zijn nu geen aanwijzingen dat de geprognosticeerde besparingen niet zullen worden gehaald.

14. Welke maatregelen zijn en worden getroffen om de vertraging in te lopen?

nvt, zie vraag 13

15. Op welke termijn is het inlopen van de vertraging voorzien?

nvt, zie vraag 13

16. Garandeert het college nog steeds de opbrengsten van 4,5 a 5 miljoen euro per jaar, na de aanloopfase?

zie antwoord vraag 13.

De fractie van de VVD meent dat dit soort geruchten voor onrust zorgen en daardoor potentieel schadelijk zijn voor het realiseren van de doelstellingen. 

17. Was het college bekend met de geruchten dat het Servicepunt de verwachtingen niet waar zou kunnen maken? Zo ja, vanaf wanneer was u daarmee bekend?

U spreekt terecht over “geruchten”. Geruchten vormen voor ons geen basis voor beleid.

18. Wat heeft u gedaan en gaat u doen om deze geruchten de kop in de drukken?

Uit de beantwoording van de voorgaande vragen zal duidelijk zijn dat wij van mening zijn dat deze geruchten geen grond hebben.

 

Gevraagd door: M. VAN WIJK en P. BORST (VVD) op 20 september 2011

Vertraging werk voor daklozen

(ingekomen 27 juli 2011)

Via de berichtgeving in het Leidsch dagblad heeft de fractie van GroenLinks vernomen dat er, anders dan het college heeft voorgespiegeld, op 1 juli nog geen overeenstemming is met Visie-r over het aanbieden van werk voor daklozen. In de commissie Onderwijs & Samenleving is er meermaals met de wethouder gesproken over de zorg die er bij partijen leeft over het uitblijven van duidelijkheid over de opvolging van werk en zorg voor daklozen na de geplande sluiting van de zaak. Uiteindelijk heeft het college op het laatste moment een memo aan de commissie verzonden waarin de overdracht van werkzaamheden aan Visie-r werd gemeld. Dat gepaard gaande met excuses voor het rommelige en lange proces.
Nu blijkt dat naast het rommelige proces er ook een inhoudelijk probleem ontstaat. De werkzaamheden zijn per 1 juli 2011 nog niet overgedragen aan Visie-r, en dus krijgen daklozen geen werkaanbod. Dit leidt onder andere tot langer durende onduidelijkheid en het uitblijven van zinvolle dagbesteding, met tot gevolg een groot risico op terugval in bijvoorbeeld verslaving.
Helaas constateert de fractie van GroenLinks dat deze situatie past binnen een al langer groeiend gevoel van onbehagen over het optreden van het college in dit dossier.
Op grond van artikel 45 van het Reglement van Orde voor de vergaderingen van de Gemeenteraad, wil GroenLinks u de volgende vragen stellen. Gezien de urgentie verwachten wij dat u binnen een passende termijn antwoord:

Vooraf
Van meet af aan was het plan dat Visie-R in aansluiting op de vraag en de behoeften van de doelgroep in het najaar een tweetal werkprojecten zou starten ter aanvulling op het bestaande aanbod aan activering voor deze doelgroep. Deze werkprojecten zijn aanvullend op het reeds bestaande aanbod dat tot 1 juli jl. door Brijder en anderen werd aangeboden. Om continuïteit te kunnen bieden en iedereen in de opvang actief te laten zijn (en daarmee uitval te voorkomen) heeft De Binnenvest, na sluiting van de Zaak per 1 juli jl., een aantal taken van Brijder overgenomen  en is de capaciteit van de Veegploeg uitgebreid, waarbij onderscheid wordt gemaakt naar diverse groepen . De taken die de Binnenvest heeft overgenomen zijn door de cliënten als meest belangrijke aangemerkt.

Antwoord van Burgemeester en Wethouders

(ingezonden 23 augustus 2011)

1. Op welke termijn verwacht het college dat Visie-R werk gaat aanbieden aan daklozen?

Zoals in de memo Regionaal Kompas (d.d. 10 juni 2011) en ook in de beantwoording van de technische vragen van uw en andere fracties naar aanleiding van deze memo wordt vermeld, hebben wij Visie-R de opdracht gegeven in het najaar een tweetal werkprojecten voor daklozen te starten. In samenwerking met de Binnenvest bereidt Visie-R momenteel de start van een verhuis/klussenteam voor. De verwachting is dat de eerste deelnemers op 1 september a.s hierin aan de slag kunnen. Een tweede project is in voorbereiding. Over het type project en de invulling daarvan wordt op dit moment overleg gevoerd tussen de gemeente, De Binnenvest en Visie-R.
Dit tweede project zal naar verwachting in oktober/november kunnen starten.

2. Indien dit langer dan een week duurt, heeft het college een ander plan om de daklozen te voorzien van zinvol werk?

Dit is niet nodig. Zoals reeds aangegeven heeft per 1 juli jl. De Binnenvest een aantal taken van Brijder overgenomen (zoals maaltijdverstrekking, computerfaciliteiten, dagloonprojecten en sportactiviteiten) en is de capaciteit van de Veegploeg uitgebreid.

3. Wat is precies de reden voor het uitblijven van het beloofde contract met Visie-R op 1 juli?

Er is geen sprake van het uitblijven van een contract met Visie-R. Het realiseren van een contract met Visie-R kost tijd omdat het proces om met een nieuwe partij tot een goede inhoudelijke samenwerking te komen tijd kost. Het gaat daarbij niet alleen om het afsluiten van een contract met Visie-R maar er dient ook op een zorgvuldige wijze overlegd en afgestemd te worden met partners als De Binnenvest en Re-integratie Leiden, met name over de rolverdeling tussen deze partijen. Partijen als De Binnenvest en Visie-R gaan nieuwe taken uitvoeren waarbij een goede onderlinge afstemming noodzakelijk is. In het aan de commissie toegezonden memo (10 juni jl.) is ook aangegeven dat het overleg met Visie-R in het najaar haar definitieve vorm zal krijgen.

4. Op welk moment was duidelijk dat het contract niet op 1 juli kon ingaan?

Er is door het college nooit gemeld dat per 1 juli jl. een contract met Visie-R gereed zou zijn. Eerder genoemd memo (juni 2011) maakt duidelijk dat voorzien werd in een korte termijn oplossing door De Binnenvest en in een langere termijn oplossing door Visie-R. Ten aanzien van de lange termijn oplossing verwijzen wij volledigheidshalve naar de beantwoording van vraag 3.
Het subsidiecontract met Visie-R zal overigens vòòr 1 september a.s gereed zijn.

5. Heeft het college overwogen dit aan de raad te melden?

In het memo (juni 2011) is vermeld dat het overleg met Visie-R in het najaar haar definitieve vorm zal krijgen.

6. Waarom is er voor gekozen dit probleem niet aan de raad te melden?

Zie beantwoording vraag 5.

Gevraagd door: P. KOS (GL)

Kort geding tegen de Staat

(ingekomen 10 juli 2011)

De fractie van de Partij van de Arbeid heeft vernomen dat twintig gemeenten, samen met de brancheorganisatie van sociale werkplaatsen Cedris, een kort geding tegen de staat zijn gestart.

Inzet is het terugdraaien van een bezuiniging van 150 miljoen euro op de sociale werkvoorziening. Het gaat hierbij niet om de bezuinigingen volgens de nieuwe wet Werken naar vermogen. Het gaat hier om de door het kabinet geschrapte regeling dat sociale werkplaatsen gestegen loonkosten mogen compenseren en een korting op de budgetten (van in totaal 120 miljoen euro).

Op grond van art. 45 van het Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad stel ik u de volgende vragen.

Antwoord van burgemeester en Wethouders

(ingezonden 13 september 2011)

1.  Bent u bekend met het kort geding (dat woensdag a.s. dient voor de rechtbank van Den Haag) van de twintig gemeenten en Cedris?

Ja, wij zijn hiermee bekend.

2. Bent u met de Partij van de Arbeid eens dat iedere mogelijkheid om de bezuinigingen op de sociale werkvoorzieningen terug te draaien moet worden aangegrepen? Zo nee, waarom niet?

Ja, wij zijn het hiermee eens.

3. heeft de gemeente Leiden aangeboden om zich als partij te voegen bij dit kort geding? Zo nee, waarom niet en bent u bereid om dit alsnog te doen?

De gemeente Leiden heeft niet aangeboden om zich als partij te voegen bij dit kort geding. De reden hiervoor is dat de gemeente Leiden pas in een laat stadium benaderd is en er vanwege de korte termijn geen mogelijkheid meer was om aan te sluiten.

De 23 gemeenten en Cedris hebben het kort geding aangespannen omdat zij van mening waren dat het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) eenzijdig en in strijd met eerdere afspraken tussen gemeenten en Rijk bezuinigingen doorvoert. De bezuinigingen in 2011 bedragen ca. € 38 miljoen op de overheidsbijdrage arbeidsvoorwaardenoverleg (ova-regeling) en €120 miljoen als algemene korting op het Wsw-budget.

Inmiddels heeft het kort geding gediend met de volgende uitkomst:

Ten aanzien van de vordering van € 120 miljoen was de rechtbank van mening dat gemeenten eind 2010 de bestuursrechtelijke weg hadden moeten volgen. Toen hadden individuele gemeenten bezwaar kunnen aantekenen tegen de aan hen verleende uitkering op basis van artikel 8 WSW.
 
De individuele gemeenten hadden toen van hun rechten om bezwaar/beroep in te stellen, gebruik kunnen maken, geeft het vonnis aan. De individuele gemeenten zijn als eisers daarom niet-ontvankelijk verklaard omdat ze eind 2010 individueel de bestuursrechtelijke weg hadden kunnen volgen.

Bij de arbeidsvoorwaarden-vordering geeft de rechtbank aan dat daarover bij de bestuursrechter geprocedeerd zou moeten worden. Er is een toegankelijke bestuursrechtelijke weg beschikbaar en die moet dan worden gevolgd.

Een bestuursrechtelijke procedure volgen, betekent wel dat men eerst de bezwaarschriftenprocedure doorloopt tegen een besluit van het betreffende bestuursorgaan en dat daarna de kwestie pas aan de bestuursrechter kan worden voorgelegd. Alvorens de gang naar de bestuursrechter openstaat, dienen gemeenten dus eerst bezwaar aan te tekenen.

Indienen van een bezwaarschrift kan slechts voor zover geageerd wordt tegen een (fictief) besluit (dan wel de weigering om een besluit te nemen). De betreffende gemeenten die het kort geding hebben aangespannen, hebben inmiddels een brief van het ministerie van SZW (d.d. 10 juni 2011) aangemerkt als een appelabel besluit. Deze brief was alléén geadresseerd aan de 23 gemeenten die het kort geding hebben gevoerd. Deze brief heeft het ministerie gestuurd naar aanleiding van een gesprek dat tussen haar en de 23 gemeenten heeft plaatsgevonden vóórafgaand aan het kort geding. Tegen deze brief is inmiddels door de 23 gemeenten (pro-forma) bezwaar aangetekend bij het ministerie van SZW. Dit bezwaar heeft alleen betrekking op  de arbeidsvoorwaarden-vordering.

Omdat de gemeente Leiden niet één van de geadresseerden was van de brief van de staatssecretaris d.d. 10 juni 2011, en er ook voorts geen voor bezwaar en beroep vatbaar besluit met betrekking tot de gemeente Leiden als aangrijpingspunt kan dienen, kon en kan door Leiden geen bezwaar meer worden gemaakt.

Om bovenstaande redenen en tegen de achtergrond dat een eventuele bestuursrechterlijke uitspraak ten gunste van de 23 gemeenten, naar verwachting ook de overige Nederlandse gemeenten ten goede zal komen, volstaan wij als College met het afwachten van de verdere ontwikkelingen.

 

Gevraagd door: R. VAN ETTE PvdA op 10 juli 2011

aanvullende vraag SZWnet

(ingekomen 7 juli 2011)

Antwoord van Burgemeester en Wethouders

(ingezonden 16 augustus 2011)

In aanvulling op de schriftelijke vragen van de leden Borst en Laudy op dit onderwerp stel ik u op grond van artikel 45 van het reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad de volgende vraag:

1. Heeft het gebrekkig functioneren van szwNet gevolgen voor de samenwerking met  Leiderdorp op het gebied van Sociale Zaken? Zo ja, welke gevolgen zijn dat?

Er zijn geen gevolgen voor de goede samenwerking met Leiderdorp. Uiteraard heeft  Leiderdorp last (gehad) van het feit dat niet direct alle managementrapportages te leveren waren en de aanlevering van statistiekgegevens te wensen over liet. Men heeft dan ook aangedrongen op oplossingen, maar de kwaliteit van dienstverlening aan de Leiderdorpse klanten heeft hier niet onder te lijden gehad. De verwerking van de inkomstenverklaringen voor Leiderdorp, bijvoorbeeld, is – mede gezien het kleine aantal –  tijdelijk handmatig gedaan om problemen te voorkomen. De problemen die ondervonden werden zijn steeds op een open en constructieve manier met Leiderdorp besproken.   

Gevraagd door: R-J. VAN ETTE (PvdA) op 7 juli 2011

SZW net

(ingekomen op 6 juli 2011)

De VVD is geschrokken van het bericht in het Leidsch Dagblad (6 juli) dat de gemeente een vrijwaring heeft getekend voor het softwarepakket szwNet van leverancier Planconsult. Sinds dit pakket in gebruik is bij de afdeling Sociale Zaken lijkt het nooit goed gewerkt te hebben. De wethouder heeft zelfs bij herhaling zijn ongenoegen over de software geuit tegenover de commissie Werk en Financiën en de voltallige gemeenteraad. Toch heeft de gemeente een vrijwaring getekend, omdat de leverancier zou hebben gezegd “dat alles goed was”. In bredere zin maakt de VVD zich steeds grotere zorgen over het functioneren van de Leidse afdeling Sociale Zaken. De problemen met het verwerken van de uitkeringen en betalingen bestaan al geruime tijd zonder dat een oplossing in zicht is. Op grond van artikel 45 van het reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad wil de fractie van de VVD uw college hierover enige schriftelijke
vragen stellen:

Antwoord van Burgemeester en Wethouders

(ingezonden 16 augustus 2011)

1. Klopt het dat de vrijwaring getekend is op basis van slechts een toezegging van Planconsult dat de software werkte? Is het gebruikelijk dat de gemeente vrijwaringen voor softwarepakketten tekent nog voordat deze bewijsbaar aan de functionele eisen hebben voldaan?

Er is geen sprake van een 'vrijwaringsverklaring' voor het softwarepakket. Wel heeft de gemeente Leiden op 29 april 2011 de ‘Opleverrapportage Implementatie szwNet voor Werk & Inkomen’  getekend (zie onze brief van 16 augustus 2011). Dit is het overdrachtsdocument waarmee Planconsult de implementatiewerkzaamheden over heeft gedragen aan de beheerorganisatie, nadat door de gemeente was vastgesteld dat de overeengekomen werkzaamheden door Planconsult waren uitgevoerd. Planconsult blijft verplicht de software te leveren, up to date te houden (bijvoorbeeld bij wijzigende wet- en regelgeving), gebreken (bugs) te verhelpen, de gebruiker te ondersteunen bij problemen in het gebruik, etc. Van deze verplichtingen is de leverancier NIET gevrijwaard.

2. Kunnen wij uit de opmerkingen en mondelinge rapportages van het college over szwNet opmaken dat het pakket nooit naar behoren heeft gefunctioneerd, en dat dus op geen enkel moment aanleiding was om een vrijwaring te tekenen?

Uit het werk van de taskforce dat de afgelopen weken plaatsvond, is duidelijk geworden dat de problemen van de afgelopen maanden veelal niet één - enkelvoudige - oorzaak hadden, maar een complex samenstel daarvan. Overstappen van het maatwerksysteem Soleil naar standaardsysteem szwNet, is veel meer dan het nieuwe pakket installeren, de schakelaar omzetten en doorwerken alsof er niets is veranderd. Bij zo'n transitie spelen technische aspecten (integratie met andere interne en externe systemen, conversie, migratie, etc.), functionele aspecten (inrichting van het systeem, procesgang, andere bediening, etc.), implementatieaspecten (planning en fasering, testprotocollen en -capaciteit, beheer, etc.), organisatorische aspecten (werkwijze, werkdruk, etc.) en externe afhankelijkheden (drukkerij, inprinten, etc.) een rol.

Een groot aantal variabelen dus, die elkaar onderling ook beïnvloeden. Hoewel Planconsult de werkzaamheden had uitgevoerd conform de afspraken die daarover met de gemeente zijn gemaakt, is het signaal dat is uitgegaan van het tekenen van de opleverrapportage, ongelukkig. Zowel de gemeente als Planconsult stelt alles in het werk om de problemen die klanten en medewerkers (hebben) ervaren als gevolg van de implementatie van szwNet, zo snel en adequaat als mogelijk op te lossen. 

3. De vrijwaring is reeds in mei getekend. Sindsdien heeft het college de raad meerdere malen geïnformeerd over de stand van zaken rondom de implementatie van het pakket. Waarom is de raad niet ingelicht over het tekenen van de vrijwaring?

Het is niet gebruikelijk dat het college wordt geïnformeerd over de oplevering van een softwarepakket en de overdracht daarvan aan de beheerorganisatie. Dit maakt onderdeel uit van de bedrijfsvoering van de gemeente. Het college was dus ook niet eerder op de hoogte van de getekende opleverrapportage.

4. Tijdens de vergadering van de commissie W&F op 16 juni meldde de wethouder dat de factuur voor szwNet nog niet was voldaan. Hoe verhoudt dit feit zich tot het gegeven dat de gemeente al wel een vrijwaring heeft getekend? Kan de gemeente, ondanks de vrijwaring, alsnog afzien van betaling voor het product als de problemen hiermee onoverkomelijk blijken?

Dat kan, maar alleen wanneer de door Planconsult geleverde diensten voor o.a. onderhoud en ondersteuning (waaronder de nazorg en het fouten-vrij houden van het systeem) niet voldoen aan de afspraken die daarover zijn gemaakt. Dat is nu niet het geval. Juridisering van dit probleem brengt overigens goede samenwerking en daarmee een snelle oplossing ook niet dichterbij: zoals uit onze brief en de beantwoording van vragen hierboven kan worden opgemaakt, zijn de gerezen problemen niet één partij - of zijn product/activiteiten - aan te rekenen. Uiteraard wordt er wel scherp op toegezien dat elke partij zijn aandeel levert in het oplossen van de gerezen problemen en daarvoor ook de toerekenbare kosten draagt.

5. Hoezeer beperkt de getekende vrijwaring de gemeente in het op Planconsult verhalen van eventuele financiële schade die geleden is als de problemen met szwNet onoverkomelijk blijken?

Dit is niet aan de orde. Zowel de gemeente als Planconsult hebben de afgelopen weken intensief gewerkt aan het oplossen van de gerezen problemen. Een groot aantal problemen is inmiddels opgelost en dat zal ook met de resterende problemen gebeuren.

Het college heeft de raad verzekerd dat het alle mogelijke druk uitoefent op Planconsult om de problemen met szwNet te verhelpen. Uit het krantenartikel krijgt de VVD niet de indruk dat Planconsult deze druk voelt of zich bekommert om de problemen van de gemeente. Zowel het college als de leverancier wijzen naar elkaar als oorzaak van de problemen terwijl het functioneren van Sociale Zaken ondermaats blijft. De huidige situatie biedt weinig perspectief op een snelle oplossing.
 

6. Is het college van mening dat met gebruikmaking van de huidige software een optimale dienstverlening nog tot de mogelijkheden behoort?

Zoals is aangegeven is onze verwachting dat de resterende problemen kunnen worden opgelost. Wij zijn van mening dat wanneer de genoemde problemen zijn opgelost en de medewerkers voldoende zijn geïnstrueerd, szwNet de uitvoering van de sociale zekerheidswetgeving voldoende ondersteunt. Optimale dienstverlening hangt overigens niet alleen af van de gebruikte software. Aan de verbetering van het uitvoeringsproces wordt tegelijkertijd gewerkt.

7. Zo ja, op welke termijn verwacht het college dat de problemen met szwNet opgelost zullen zijn?
Welke maatregelen gaat het college treffen om werkprocessen en software optimaal op elkaar te laten aansluiten?
Hoeveel tijd zullen deze maatregelen in beslag nemen?
Welke kosten zijn hieraan verbonden?

Zoals u weet heeft het college onmiddellijk na het debat van 16 juni een taskforce ingesteld die de opdracht heeft gekregen de meest urgente problemen op te lossen. Dat is inmiddels gebeurd. In de komende maanden wordt in een bredere context - zowel vanuit de visieontwikkeling die momenteel plaatsvindt binnen de dienst, als vanuit het programma 'Proces in Uitvoering' - gekeken naar structurele verbeteringen. Zowel in de werkwijze van Werk en Inkomen als de doorvertaling daarvan naar szwNet.

8. Is het college bereid, om de druk op Planconsult verder op te voeren, gebruik te maken van zwaardere middelen als bijvoorbeeld schadeclaims?

Dit is niet aan de orde. Planconsult heeft zich coöperatief opgesteld en samen met de gemeente hard gewerkt aan het oplossen van de gerezen problemen.

9. Mochten de problemen met szwNet onoverkomelijk blijken, heeft het college dan een alternatieve oplossing achter de hand opdat de cliënten van Sociale Zaken in Leiden niet nog langer ondermaatse dienstverlening moeten verduren?

Zie de beantwoording hierboven. Natuurlijk betreurt het college zeer dat klanten hinder hebben ondervonden van de overgang op een nieuw systeem. Deze problemen zijn echter inmiddels voor een groot deel opgelost. Een alternatieve oplossing is derhalve niet aan de orde.

 

 


 

Gevraagd door: P. BORST EN P. LAUDY op 6 juli 2011

Vrijwilligerswerk conciërge Openbare Basisschool Merenwijk

(Ingezonden 19 april 2011)

Momenteel heeft de Openbare Basisschool Merenwijk een conciërge die dat werk vrijwillig doet terwijl hij een WW-uitkering krijgt. De school zou graag de conciërge in betaalde dienst nemen, alleen ontbreekt het geld daarvoor. De SP vindt dat conciërges maatschappelijk belangrijk werk verrichten, en dat zij daarvoor betaald moeten worden.

Antwoord Burgemeester en Wethouders

 (ingezonden 24 mei 2011)

1. Bent u het met ons eens dat de functie van conciërge in principe een betaalde baan moet zijn?

Scholen zijn verantwoordelijk voor het invullen van een conciërgefunctie op hun school. De gemeente heeft geen vastgesteld beleid ten aanzien van conciërges en heeft daar ook geen verantwoordelijkheid in.
Wel heeft de gemeente afspraken met het basisonderwijs omtrent de inhuur van conciërges van DZB en de financiering van deze conciërges. Deze afspraken zijn neergelegd in de tijdelijke subsidieregeling Bekostiging Conciërges Basisonderwijs 2009 – 2012 (BW10.0003).
Daarnaast zijn 8 inwoners van Leiden als conciërge werkzaam vanuit de voormalige ID-regeling (nu WWB).

2. Zijn er nog meer conciërges in Leiden die dat vrijwillig (dwz. onbetaald) doen?

De gemeente heeft slechts zicht op de schoolconciërges die werkzaam zijn vanuit de bovengenoemde Tijdelijke Subsidieregeling Bekostiging Conciërges en de conciërges die in dienst zijn bij een reguliere werkgever in het kader van de voormalige ID-regeling (nu WWB). Deze conciërges hebben een betaalde baan.

3. Sinds kort staat deze conciërge op de WSW wachtlijst van de DZB. Kunt u een inschatting maken van hoelang het duurt vanaf de aanmelding op de WSW wachtlijst tot doorstroming naar een baan?

Naar verwachting zal betrokkene in 2011 en 2012 niet instromen. Ook is er grote onzekerheid of betrokkene in 2013 wel zal kunnen instromen.

Toelichting:

De instroom in de WSW wordt beïnvloed door de volgende factoren:

 Plaatsingsvolgorde
 Lagere taakstelling 2011
 Kans op veranderde wetgeving
 
 
Plaatsingsvolgorde:
 
personen worden toegelaten op basis van het behoren tot bepaalde prioriteitsgroepen, en pas binnen die groep op basis van de duur van hun verblijf op de wachtlijst.

De door uw raad vastgestelde verordening over de plaatsingsvolgorde, kent de volgende
prioritering (RV 10.0112):

a) Wsw-geïndiceerden die langer dan 3,5 jaar op de wachtlijst staan,
b) Wsw-geïndiceerde jongeren tot 27 jaar met een inkomensvoorziening ingevolge de Wet
     Investeren in Jongeren,
c) Wsw-geïndiceerden met een WWB-uitkering,
d) Overige Wsw-geïndiceerden tot 27 jaar,
e) Wsw-geïndiceerden die in aanmerking komen voor begeleid werken en voor wie een
    werkplek is gevonden,
f) Overige Wsw-geïndiceerden.

Op grond van deze door uw raad vastgestelde prioriteitscategorieën valt betrokkene in categorie f en staat daarmee op dit moment op plaats 132 op de wachtlijst.

Lagere taakstelling:

de taakstelling van de gemeente Leiden is gedaald van 773,11 in 2010 naar 734,45 SE in 2011.
Leiden kan door de lagere taakstelling in 2011 weinig plaatsingen in de WSW realiseren. Leiden is dit jaar gestart met een overrealisatie van 15,34 SE. Dit betekent dat er eerst ongeveer 20 personen moeten uitstromen, voor er een nieuwe plaatsing kan komen. Jaarlijks stromen ongeveer 50 personen uit. Dit betekent dat betrokkene op plaats 132 van de wachtlijst zeker niet zal instromen in 2011. De taakstelling van 2012 is weliswaar nog niet bekend, maar zal zeker niet zo groot zijn dat er tussen nu en 31 december 2012 132 mensen kunnen instromen.

Kans op veranderde wetgeving:

Er wordt een nieuwe wet verwacht (De Wet Werken naar Vermogen) waarin ook de WSW is opgenomen. De beoogde ingangsdatum van de Wet Werken naar vermogen (WWNV) is 1 januari 2013. Wanneer deze wet wordt aangenomen, heeft deze vergaande consequenties voor de plaatsingsruimte binnen de WSW:  Volgens deze wet moet het aantal WSW-plaatsen met 2/3 inkrimpen en mag er pas een nieuwe plaatsing komen als er 3 personen zijn uitgestroomd. Dit betekent dat het ook voor 2013 niet met zekerheid te zeggen is of betrokkene kan instromen. Wel zal betrokkene per augustus 2013 in prioriteitsgroep 1 vallen, indien de verordening dan nog van kracht is.

4. Is het mogelijk deze conciërge vrij te stellen van sollicitatieplicht zolang hij vrijwillig als conciërge werkt?

Deze beslissing behoort niet tot de bevoegdheden van de gemeente. Omdat betrokkene een WW-uitkering heeft, is dit een bevoegdheid van de uitkerende instantie, het UWV.
 

5. De school kon overigens wel een andere extra betaalde conciërge krijgen, die hoger op de WSW wachtlijst stond. De school heeft hier echter van af gezien, omdat zij tevreden zijn over de huidige vrijwillige conciërge. Zij willen hem graag behouden.
Is er een mogelijkheid dat iemand versneld doorstroomt op de WSW wachtlijst indien er al zicht op een specifieke baan is?
 
Alleen indien er sprake is van een zgn. Begeleid Werken-baan (werken in dienst van een reguliere organisatie, met een WSW-subsidie), kan iemand doorstromen van groep f naar groep e van de wachtlijst prioritering. In dit geval moet de school de betreffende persoon dan in dienst nemen.

6. Hoeveel conciërges in Leiden worden nu betaald via de WSW, en hoeveel worden betaald uit het onderwijsbudget als gevolg van het ‘conciërge-akkoord’ uit november 2008?

Het aantal conciërges op basisscholen in Leiden, in dienst van DZB, met een WSW-arbeidscontract bedraagt 39 personen  (31,42 fte).
DZB ontvangt voor iedere bij de school gedetacheerde conciërge een detacheringvergoeding. Deze wordt betaald door de schoolbesturen. De schoolbesturen krijgen een deel van deze kosten gesubsidieerd door de gemeente op basis van de Tijdelijke Subsidieregeling concierges basisonderwijs:
In het najaar van 2008 is het College met de schoolbesturen basisonderwijs overeengekomen de bekostiging van conciërges voort te zetten voor de periode t/m 2012. Dit is van toepassing voor de schoolbesturen die in 2008 conciërges van DZB betrokken en reeds voor bekostiging in aanmerking kwamen. De bekostiging van deze conciërges wordt door schoolbesturen en gemeente gezamenlijk gedragen. Het gaat om dezelfde 39 personen.

7. In november 2008 werd gesproken over voorstellen uit de Tweede Kamer, die suggereerden dat rijksgeld beschikbaar zou komen voor conciërges. Hoe staat het met die plannen? Wordt er momenteel rijksgeld gebruikt voor het betalen van conciërges? Of is dat in de nabije toekomst te verwachten?

De bovengenoemde subsidieregeling is voor een tijdelijke periode vastgesteld, omdat het Rijk aangekondigd had een landelijke regeling voor bekostiging conciërges op te stellen. Deze plannen zijn tot op heden nog niet uitgewerkt door het Rijk en de verwachting is dat een dergelijke regeling niet in de nabije toekomst gerealiseerd wordt. Op dit moment worden de 31,42 Fte schoolconciërges uit genoemde subsidieregeling bekostigd door middelen uit het gemeentelijk onderwijsbudget (jaarlijks € 274.000) en middelen van de gezamenlijke schoolbesturen (jaarlijks € 113.000 excl. BTW).

8. Ziet u daarnaast nog andere methoden binnen de gemeentebegroting om ervoor te zorgen dat de vrijwillige conciërge gewoon betaald krijgt?

De tijdelijke subsidieregeling Bekostiging conciërges basisonderwijs loopt t/m 2012. Op dit moment wordt gewerkt aan een evaluatie van de regeling en een inventarisatie van de (on)mogelijkheden van financiering na 2012. Op dit moment kunnen geen extra conciërges in de regeling opgenomen worden.

Gevraagd door: L. RADEMAKER (SP) op 19 april 2011

belastingdienst SoZa

(ingekomen 18 maart 2011)

De hulp en informatie dienst van Leefbaar Leiden die inwoners van deze stad helpt bij het invullen van de belastingaangiften en andere zaken is tot verbazing van zijn medewerker op de volgende zaak gestuit.

Allereerst een stukje voorgeschiedenis van een cliënt.

Een mevrouw komt uit een Afrikaans land doormiddel van mensen smokkel. Zij wist te ontsnappen en belande in de opvang voor vrouwen. Zij ontving daar een weekgeld van 50€. Zij werd ondersteund door de SoZa Leiden met een uitkering gelet op de uitkeringsstrookjes die in haar bezit zijn Daarop wordt duidelijk dat er loonheffing wordt ingehouden.

Doordat zij een doodziek kind van een jaar heeft kwam ze bij ons voor belastingaangiften en voor specifieke zorgkosten. Echter ze bleek geen jaaropgave van de SoZa te hebben. Bij navraag bij de SoZa kreeg ze die ook niet Omdat, U hebt zo weinig inkomen gehad dat het geen zin heeft.

Bij navraag bij de belastingdienst blijkt dat er geen inkomensgegevens van mevrouw bekend zijn en of opgegeven zijn door de SoZa Mevrouw woont nu op zichzelf en heeft nu wel alle mogelijke toeslagen. Dat is toch wel heel raar.

De fractie van Leefbaar Leiden komt tot de volgende schriftelijke vragen.

Antwoord van Burgemeester en Wethouders

(ingezonden 12 april 2011)

1. Is het college het met ons eens dat een ieder die een uitkering via de SoZa krijgt een jaaropgave dient te krijgen.

Ja, dat zijn wij met u eens.

2.Wat is de praktijk bij andere vrouwen bij Roza Maris? Met betrekking tot het krijgen van een jaaropgave. Zo nee waarom niet? Zo ja Waarom de een wel en de ander niet?

Wij nemen aan dat de heer Sloos met “Roza Maris” de Leidse vrouwenopvang Rosa Manus bedoeld.

Er wordt een jaaropgave verstrekt als het om belaste uitkering gaat.

Wij weten niet op welke klant uw vragen betrekking hebben. Zonder de (NAW-)gegevens van mevrouw kunnen wij dus niet nagaan wat er in haar geval aan de hand is. Wij verzoeken mevrouw zich bij Werk en Inkomen te melden zodat wij haar verder kunnen helpen.

Overigens kunnen wij niet in het openbaar over individuele gevallen berichten.

3. Als het college de uitkering overmaakt aan Rosa Maris wordt deze dan gezien als subsidie of als kost en inwoning van de vrouw, in dit geval met kind.

Een uitkering is géén subsidie, ook al wordt deze aan een derde overgemaakt. Dit laatste kan overigens alleen met instemming van de klant.

4. Is het college het met ons eens met onze stelling dat de uitkering dan als gift gezien moet worden aan Roza Maris.

Een uitkering is geen gift.

5. Wat zijn de richtlijnen in deze?

Voor loonheffing gelden richtlijnen van de Belastingdienst.

6. Waarom zijn de inkomens gegevens van mevrouw niet doorgegeven aan de belastingdienst

Zie het antwoord op vraag 2, wij weten niet om welke klant het gaat.

7. Wat is er met de ingehouden loonheffing gebeurd die wel wordt ingehouden?

Zie het antwoord op vraag 2, wij weten niet om welke klant het gaat.

8. Is het college zich bewust dat men deze vrouwen zeer kan benadelen als zij niet in staat worden gesteld om eventueel een aanvraag specifieke zorgkosten aan te vragen?

Er kunnen alleen kosten in mindering worden gebracht en terug worden gevraagd bij de Belastingdienst als er daadwerkelijk loonheffing is betaald.

 

Gevraagd door: D.SLOOS (LL) op 18 maart 2011

Huurverhoging

(ingekomen 15 februari 2011)

Op 12 februari 2011 publiceerde het Leidsch Dagblad een opiniestuk geschreven door de voorzitter van de Woonbond, Jan Laurier. De Woonbond maakt zich, vanwege een onderdeel uit het huidige regeerakkoord, grote zorgen over de toekomst van de woningmarkt in onder andere de Leidse regio. De fractie van GroenLinks deelt deze zorg.

Het nieuwe kabinet Rutte geeft in het regeerakkoord, ondanks het inflatievolgend huurbeleid, verhuurders de mogelijkheid de huren in veel regio’s te verhogen. In het regeerakkoord [pag.28 van de financiële bijlage] is namelijk het voornemen opgenomen om in regio’s met schaarste het aantal woningwaarderingspunten (WWS) met maximaal 25 te verhogen, afhankelijk van de WOZ-waarde. De maatregel zou tot huurverhogingen tot  €120.= per maand kunnen leiden. Huren zouden zo tot boven de €. 600.= per maand kunnen stijgen en daarmee onbetaalbaar worden voor huurders met lage en middeninkomens.

Deze kabinetsmaatregel is slecht voor de woonlasten van huurders, maar ook voor het functioneren van de woningmarkt. Er zullen minder huurwoningen beschikbaar komen voor mensen met lagere inkomens omdat huren boven de grens voor huurtoeslag kunnen komen te liggen. Bovendien wordt het gat tussen bestaande huurprijzen en nieuwe huurprijzen nog groter. Hurende huishoudens zullen niet meer gaan verhuizen omdat ze dan een veel hogere huur moeten gaan betalen. De doorstroming op onze woningmarkt zal daardoor ernstig stagneren.

GroenLinks vindt het belangrijk dat in Leiden voldoende betaalbare huurwoningen beschikbaar zijn en blijven. Bovendien vindt GroenLinks het van groot belang dat de Leidse woningmarkt niet stagneert en doorstroming op deze woningmarkt mogelijk blijft voor mensen met een lage en middeninkomens. GroenLinks is om die reden bezorgd over de mogelijke maatregelen uit het regeerakkoord zoals hierboven beschreven.

Derhalve stellen wij op grond van artikel 45 van het Reglement van Orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad, het college de volgende schriftelijke vragen.

Antwoord van Burgemeester en Wethouders

(ingezonden 1 maart 2011)


1. Is het college bekend met het hierboven beschreven onderdeel uit het huidige  regeerakkoord?
Wij zijn bekend met dit voornemen.

2. Behoort de Leidse regio tot de zogenaamde ‘schaarstegebieden’ waarop het  hierboven beschreven onderdeel uit het huidige regeerakkoord betrekking  heeft?
De regio’s die hieronder vallen zijn nog niet definitief benoemd. Het ligt in de lijn der verwachtingen dat de Leidse regio hier onder zal vallen.

3. Zo ja, deelt het college de zorg van GroenLinks dat uitvoering van het hierboven  beschreven onderdeel uit het huidige regeerakkoord zal leiden tot ongewenste  huurverhogingen op de Leidse woningmarkt?
Het college deelt deze zorg niet om twee redenen. Verhuurders zijn vrij in het berekenen van lagere huurprijzen dan op basis van het aantal WWS-punten mogelijk is. In de praktijk gebeurt dit ook vaak. Daarnaast hebben wij de afspraak  gemaakt in de prestatieafspraken Leiden 2009-2015 met de corporaties dat de sociale woningvoorraad minimaal anderhalf maal de omvang van de doelgroep van beleid moet omvatten.

4. Zo ja, deelt het college de zorg van GroenLinks dat uitvoering van het hierboven beschreven onderdeel uit het huidige regeerakkoord zal leiden tot een ongewenste stagnatie op de Leidse woningmarkt?
Dit voornemen  staat niet op zichzelf maar moet in relatie tot diverse andere maatregelen, voornemens en ontwikkelingen bezien worden. Verhoging van de huur tot boven de liberaliseringsgrens kan bijvoorbeeld een middel zijn om scheefwonen aan te pakken. Naast aandacht voor de laagste inkomens vraagt ook de moeilijke positie van de lagere middeninkomens, die tussen wal en schip lijken te vallen, om beleid. De op stapel staande nota Wonen zal o.a. hier een antwoord op moeten bieden.

5. Is het college bereid om bij het huidige kabinet navraag te doen naar de precieze invulling  van het hierboven beschreven onderdeel uit het huidige regeerakkoord en de mogelijke  datum van invoering hiervan?
Wij hebben bij het ministerie van BZK geïnformeerd: de zaak is nog in voorbereiding. precieze invulling en datum van invoering zijn nog niet bekend.

6. Is het college bereid zich uit te spreken tegen de uitvoering van het hierboven  beschreven onderdeel uit het huidige regeerakkoord?
Zoals hierboven aangegeven is het college van mening dat de diverse voornemens, maatregelen en ontwikkelingen in relatie met elkaar beoordeeld moeten worden op hun gevolgen voor de woningmarkt en de positie van de verschillende inkomensgroepen.

7. Zo ja, is het college bereid deze zorg aan het huidige kabinet kenbaar te maken?
Zie boven. Vooralsnog zien wij geen aanleiding om op basis van dit ene voornemen onze zorg aan het kabinet kenbaar te maken. Uitvoering van dit voornemen stelt corporaties in staat hogere huren te vragen. Op basis van de landelijke trends  verwachten wij niet dat zij dit zullen doen als zij daardoor de woningmarktpositie van de lagere inkomensgroepen schade toe zouden brengen.

 

Gevraagd door: W.PEIJPE (GL) op 15 februari 2011

Collectief energie inkopen

(ingekomen 18 oktober 2010)

In het Leidsch Dagblad van hedenmorgen staat een artikel waarin wordt gesproken dat de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht een plan hebben bedacht waarmee sociale minima kunnen besparen op hun energierekening. Door collectief energie in te kopen kan er per huishouden mogelijk € 130 per jaar aan energiekosten worden bespaard. De vier steden kiezen daarbij ook voor het terugdringen van broeikasgas, door voor dit project duurzame energie in te zetten.
In dit gure economisch klimaat zijn dit soort initiatieven volgens de Partij van de Arbeid een zeer goede zaak om gezinnen met een minimuminkomen een handje te helpen.

Antwoord van Burgemeester en Wethouders

(ingezonden 30 november 2010)

Op basis van artikel 45 van het Reglement van Orde leg ik u de volgende vragen voor:

1. Heeft uw college kennis genomen van dit artikel?

Ja, wij hebben kennis genomen van dit artikel.

2. Wat is uw mening over het initiatief van de eerder genoemde gemeenten?

De informatie in het krantenartikel is te summier om een weloverwogen mening te vormen. 

3. Bent u door genoemde gemeenten benaderd om deel te nemen aan dit project? Zo ja, waarom heeft u besloten daaraan niet deel te nemen?

De gemeente Leiden is niet benaderd om deel te nemen aan dit project.

4. Bent u bereid om (alsnog) aansluiting te zoeken bij het initiatief van de vier gemeenten om zo Leidse minima ook wat extra financiële armslag te geven? Zo ja, op welke termijn gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?

Wij zullen geen aansluiting zoeken bij dit initiatief en wel om de volgende redenen:
 Leiden wil al haar inwoners de kans bieden vanuit zelfredzaamheid te participeren in de samenleving. Keuzevrijheid is daarbij zeer belangrijk. Wij gaan er van uit dat onze burgers zelf de verantwoordelijkheid nemen om voor zichzelf de gunstigste energieleverancier, de beste woning, de mooiste fiets, et cetera, uit te zoeken. Als wij (weer) collectief zouden gaan inkopen voor een deel van onze burgers, in dit geval de minima, dan ontnemen wij deze groep deze eigen verantwoordelijkheid;
 de gemeente heeft doelbewust het gemeentelijk energiebedrijf verkocht en de levering van energie overgelaten aan de markt. Ook heeft de gemeente de regeling van collectieve inkoop van witgoed voor minima de laatste jaren afgebouwd en vervangen door een regeling waarbij Leidse minima geld kunnen krijgen (of lenen) om zelf een apparaat aan te schaffen.
 Het past niet in deze lijn om nu weer te gaan samenwerken met een extern bedrijf door het afsluiten van een collectief contract, het werven van deelnemers, het faciliteren van de incasso en het bemiddelen bij betalingsachterstanden. Het van overheidswege aanbieden van producten en diensten hoort daar evenmin bij;
 door de bezuinigingen moet de ambtelijke capaciteit afnemen. Dit betekent dat de ambtelijke organisatie zich steeds meer op haar wettelijke kerntaken (zoals de begeleiding naar werk) zal toespitsen en geen ruimte heeft om ondersteunende diensten te leveren aan externe partijen zoals een energieleverancier. Collectieve inkoop is géén kerntaak van de gemeente. Bovendien worden de vier grote steden vanuit de energiebedrijven gefaciliteerd, bijvoorbeeld in de vorm van een accountmanager energie. Het is voor energiebedrijven niet rendabel genoeg om ook kleinere gemeenten (zoals Leiden)op deze manier te faciliteren. Deze kleinere gemeenten leveren namelijk verhoudingsgewijs veel minder klanten op. Leiden zou dit dus zonder ondersteuning zelf moeten opzetten.
 Tenslotte moet opgemerkt worden dat een dergelijke regeling bijdraagt aan het (nog) verder vergroten van de armoedeval. Wie werk vindt, raakt de collectieve voorziening en het eventuele financiële voordeel kwijt.

5. Bij dit soort initiatieven is er altijd de mogelijkheid dat er een (incasso-)risico bij de gemeente komt te liggen. Hoe gaat u er voor zorgen dat dat niet gebeurt, terwijl het initiatief toch tot uitvoer wordt gebracht?

Gemeenten lopen inderdaad een incassorisico bij dergelijke initiatieven. Het deelnemende energiebedrijf zal altijd als voorwaarde stellen dat de gemeente zorg draagt voor de incasso en daarmee risicodrager is, in plaats van het energiebedrijf zelf.

Zoals reeds eerder vermeld, zijn wij niet van plan aan te sluiten bij het initiatief van de vier gemeenten.

6. Gaat uw college zelf ook nog initiatieven nemen om minima op dit soort creatieve wijzen, waarbij de gemeente als facilitator optreedt, te ondersteunen? Zo ja, welke?

Wij hebben, zoals bij vraag 4 al opgemerkt, geen ruimte om als facilitator op te treden naar externe bedrijven. Wel kunnen wij onze burgers blijven wijzen op mogelijkheden om energiebesparend bezig te zijn. In het verleden hebben wij bijvoorbeeld een geldkrant verspreid onder alle Leidse inwoners waarin energietips waren opgenomen. Ook geven wij in de Nieuwsbrief, een magazine dat vier maal per jaar onder de klanten van Werk en Inkomen verspreid wordt, regelmatig tips over hoe te besparen op de energierekening. 

7. De Partij van de Arbeid zou hierbij bijvoorbeeld denken aan een schadeverzekeringscollectiviteit. Hoe staat u daar tegenover?

De gemeente biedt geen collectieve verzekeringen aan haar burgers aan, omdat wij ervan uit gaan dat onze burgers zelfstandig genoeg zijn om voor zichzelf de beste verzekering af te sluiten.
De enige uitzondering is de collectieve ziektekostenverzekering voor minima. Dit is namelijk de enige verzekering die iedere Nederlander wettelijk verplicht af moet sluiten. Op grond van de  Wet werk en bijstand is het daarom toegestaan om voor een collectieve aanvullende ziektekostenverzekering bijzondere bijstand  te verlenen. Deze keuze is ook gemaakt om het beroep op de bijzondere bijstand om vergoeding van medische kosten te verminderen.

8. Hoeveel geld wordt jaarlijks aan bijzondere bijstand betaald dat, indien betrokkene een opstal-, inboedel- of aansprakelijkheidsverzekering had afgesloten, door de verzekeraar betaald zou moeten worden?

Niets. Bijzondere Bijstand is bedoeld voor de noodzakelijke kosten van bestaan. In artikel 14 van de  Wet werk en bijstand is bepaald dat kosten met betrekking tot geleden of toegebrachte schade niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan worden gerekend.

9. Hoeveel voordeel zou de gemeente kunnen behalen door het afsluiten van een schadeverzekering voor alle minima?

Geen, zie antwoord  vraag 8.

 

Gevraagd door: R.J. VAN ETTE (PvdA) op 18 oktober 2010