Bestuur
Schriftelijke vragen van raad aan B&W
-
Houding gemeente bij aanvragen PGB i.v.m. zorgveiling
-
(Ingekomen 8 februari 2010)
Graag stellen wij de volgende vragen aan het college van B&W op basis van artikel 43 van het reglement van orde van de gemeenteraad.
Vandaag is het de SP ter ore gekomen dat cliënten die een PGB willen aanvragen om niet op de zorgveiling voor de huishoudelijke zorg te hoeven komen, vanuit de gemeente onder druk worden gezet om dit niet te doen. Informatie hierover is te vinden in het maandblad van zorgcentrum Roomburgh. Vanwege de ernst van deze signalen wil de SP met spoed onderstaande vragen stellen. Wij gaan ervan uit dat antwoorden op deze vragen mogelijk moeten zijn voor de volgende raadsvergadering van 18 februari.
Citaat uit het maandblad van Roomburgh: Omdat het meerder malen is gebeurd dat iemand die de zorg van Roomburgh wilde krijgen toch werd gekoppeld aan een andere zorgaanbieder heeft een aantal extramurale cliënten ons benaderd met de wens om gebruik te kunnen maken van een PGB. Deze cliënten gaven aan dat mensen vaak afzien van het aanvragen van een PGB vanwege de administratieve rompslomp. Wij hebben ze gewezen op het feit dat ze daar hulp bij kunnen krijgen en dat de keus geheel aan hen zelf is Als Roomburgh een desbetreffend verzoek krijgt van een cliënt, dan wijst Roomburgh de weg naar een stichting die het werk dat hieruit voortvloeit kosteloos voor hem of haar overneemt. Inmiddels is dit een aantal malen gebeurd, maar kennelijk niet tot genoegen van de gemeente Leiden. Ambtenaren gaan de aanvragers opbellen en vragen stellen als: ‘ Zou u dat nou wel doen? Weet u wel hoeveel werk dat van u vraagt?” (....) Maar de gemeente gaat nog verder en daarmee werkelijk over de schreef. Want het blijft niet bij een keer bellen, maar dat gebeurt soms wekelijks. Daarbij schroomt men niet om opmerkingen te maken als: “Roomburgh heeft u vals voorgelicht”. Sommige mensen krijgen geen antwoord op hun aanvraag voor een PGB, maar blijken ineens toch geveild te zijn. Een dochter van iemand die de gemeente belt om te vragen hoe ze daar bezwaar tegen kan indienen, krijgt te horen: “Mevrouw, bespaar u de moeite, want het duurt minstens een jaar voordat het bezwaar in behandeling zal worden genomen. De hulp die u zo goed bevalt moet maar gaan solliciteren bij het bedrijf waarvan uw vader in de toekomst hulp zal ontvangen”.
Antwoord van Burgemeester en Wethouders(ingezonden 2 maart 2010)
1. De wethouder heeft in eerdere debatten over keuzevrijheid aangegeven dat cliënten die niet op de zorgveiling willen komen altijd een PGB kunnen aanvragen. Hoe verhoudt deze uitspraak zich met de ervaringen zoals beschreven in het maandblad van Roomburgh? Graag uitgebreide toelichting.
Alvorens in te gaan op de afzonderlijke vragen, wil ons College bezwaar maken tegen het gebruik van het woord “zorgveiling” door de vragensteller. De gemeente Leiden veilt geen cliënten tegen de laagste prijs. Er wordt per hulpvraag een selectie uitgevoerd .Deze selectie gebeurt op basis van meerdere factoren, zoals de voorkeur van de cliënt, de anti-voorkeur van de cliënt, de geboden levertijd, het rapportcijfer voor cliënttevredenheid en de prijs. De aanbieder die intekent met de beste prijs/kwaliteitsverhouding op een hulpvraag, krijgt de meeste punten en wordt voor de uivoering van die individuele hulpvraag geselecteerd.
Het beleid, vastgelegd in Wmo-verordening en besluit, is en blijft dat cliënten (voorafgaand aan de selectie van hun hulpvraag) kunnen kiezen tussen Hulp in natura of een persoongebonden budget.
Daarbij geldt, nog meer door de laatste wijziging in de wettekst van de Wmo, dat gemeenten de wettelijke taak hebben om cliënten goed voor te lichten over alle voor- en nadelen van cq rechten en plichten aan persoongebonden budget (ook wel de geïnformeerde toestemming genoemd). Voorts heeft de gemeente de taak om goed samen met de cliënt te kijken of het PGB qua verantwoordelijkheden voor hem of haar geschikt is. In een geval ging het bijvoorbeeld overduidelijk om een dementerende cliënt, waarbij het niet verstandig is om van Hulp in natura over te stappen naar PGB.
Gebleken is dat de informatieverstrekking door Roomburgh aan haar cliënten over een mogelijke overstap van hulp in natura naar PGB niet helemaal volledig was. Van een valse voorlichting door Roomburgh is geen sprake geweest. Wat in deze situatie onder meer niet helemaal goed ging, was dat Roomburgh in eerste instantie cliënten niet informeerde over de hoogte van de PGB-vergoeding vanuit de gemeente. De gemeente heeft daarom de betreffende cliënten benaderd om hen op de hoogte van de gemeentelijke PGB-vergoeding te wijzen en het feit dat het door Roomburgh gevraagde PGB-tarief mogelijk hoger zou kunnen liggen..
De gemeente heeft dus in lijn met de hiervoor genoemde voorlichtings-verantwoordelijkheid de betreffende cliënten van Roomburgh benaderd. Van het onder druk zetten van cliënten door de gemeente om wel of geen PGB te nemen is daarbij geen sprake. Dit blijft in eerste instantie de vrije keus van de cliënt. De gemeente grijpt alleen in wanneer zij signaleert dat cliënten niet met een PGB en bijkomende verantwoordelijkheden om zullen kunnen gaan.
2. Is de wethouder op de hoogte van deze signalen, zo ja wat heeft zij daarmee gedaan? Graag uitgebreide toelichting.
Ja. Er heeft inmiddels een gesprek plaatsgevonden tussen de gemeente en Roomburgh om wederzijdse misverstanden te bespreken. Daarbij zijn goede werkafspraken voor de toekomst gemaakt, zodat er vanaf nu een gezamenlijk gedragen communicatielijn naar cliënten is. Onder andere is afgesproken dat Roomburgh de gemeentelijke PGB-folder zal uitdelen aan cliënten die overwegen om over te stappen van natura naar PGB. Verder zal de gemeente bij een aanvraag voor een PGB van een Roomburgh-cliënt in de toekomst naast het contact leggen met de cliënt en diens eventuele mantelzorger ook met Roomburgh contact opnemen.
3. Hoe kan iemand geveild worden, zonder dat zij daarvan op de hoogte zijn? Sterker nog, hoe kan iemand geveild worden als er ook een aanvraag voor een PGB loopt? Graag uitgebreide toelichting.
Alle cliënten ontvangen drie maanden voor de afloop van de hulpovereenkomst een cliëntentevredenheidsvragenlijst met begeleidende brief. In deze brief staat uitgelegd dat er over drie maanden een nieuwe selectie aan de orde is en dat het voor die selectie zeer belangrijk is om wederom hun voorkeur voor een aanbieder uit te spreken. Daarbovenop zijn alle bestaande cliënten via een extra brief allemaal op de hoogte gebracht van het feit dat er voor hun hulpvraag eind 2009 of begin 2010 een nieuwe selectie plaatsvindt. Als de bestaande cliënt voortijdig aangeeft te willen overstappen van hulp in natura naar een PGB dan kan dat en zal er ook geen selectie via het systeem plaatsvinden. Het is dus niet mogelijk dat een cliënt doorgeeft dat hij een PGB wil en er ook een selectie loopt.
Wat wel kan voorkomen is dat de cliënt pas nà de selectie aangeeft te willen overstappen naar een PGB, omdat de uitslag bijvoorbeeld niet is wat de cliënt had gehoopt. In dat geval is de gemeente al gebonden aan een afspraak met een andere aanbieder via een overeenkomst op cliëntniveau. Overgang naar een PGB is dan op dat moment niet meer mogelijk.4. Welk voordeel heeft de gemeente bij iemand die huishoudelijke zorg krijgt via de zorgveiling boven iemand die een PGB krijgt? Graag uitgebreide toelichting.
De gemeente heeft geen voordeel bij veel cliënten met hulp in natura. In tegendeel zelfs. Hulp in natura is duurder voor de gemeente. De gemeente heeft verder de bovengenoemde informatietaak richting cliënten.
Voor aanbieders van hulp in natura kan het overigens wel interessant zijn om cliënten te laten kiezen voor een PGB in plaats van hulp in natura omdat ze dan helemaal in alle vrijheid een tarief met cliënten kunnen afspreken, terwijl ze in het dynamisch selectiemodel gehouden zijn aan een maximale prijs en een prijs ten opzichte van andere aanbieders..5. Komen de adviezen die door de gemeente worden gegeven en zoals hierboven beschreven voort uit beleid? Zo ja, graag toelichting. Zo nee, hoe kan dat dan toch gebeuren?
De uitgebreide informatieverstrekking aan cliënten over alle voor- en nadelen van cq rechten en plichten aan persoongebonden budget is een taak van de gemeente.
Het laatst gedeelte van het verhaal van Roomburgh over het indienen van bezwaar lijkt voort te komen uit een situatie dat een cliënt pas na de selectie aangeeft te willen overstappen naar een PGB en niet meer kan switchen.
Dit gaat waarschijnlijk niet over een echt bezwaarschrift. Die kan een burger namelijk altijd indienen en het duurt natuurlijk geen jaar voordat het in behandeling wordt genomen.6. Is de wethouder bereid een grondig onderzoek uit te voeren naar bovenstaande signalen?
Het college vertrouwt erop dat na het gesprek met Roomburgh de wederzijdse misverstanden uit de wereld zijn en dat er nu een gezamenlijk afgestemde communicatielijn naar cliënten ligt.
Gevraagd door: R. VAN GELDEREN (SP) op 8 februari 2010 -
Uitkeringen aan asielzoekers
-
(Ingekomen 2 februari 2010)
De zorg rondom asielzoekers blijft in ons land een onderwerp van constante aandacht. Burgemeesters van de grote steden willen de wet niet uitvoeren en de staatssecretaris onderhandelt met de 2de Kamer over de goed te keuren hoeveelheid misdrijven er door vreemdelingen mogen worden gepleegd alvorens men het land uitgezet kan worden en de verblijfsvergunning wordt ingetrokken. De Raad behandelt een motie vreemd aan de orde van de dag die een soepele opvang illegalen voorstelt.
Leiden staat bekend om haar ruimhartige inzet van belastinggeld als het gaat om mensen die het niet breed hebben. Asielzoekers zonder geldige verblijfsvergunning zijn, volgens de wet, uitgesloten van een uitkering van de WWB (Wet Werk en Bijstand). De VVD fractie vraagt zich af in hoeverre in Leiden de wet wordt uitgevoerd.Op grond van artikel 45 van het reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad wil de fractie van de VVD, naar aanleiding van bovenstaande inleiding, uw college enige schriftelijke vragen stellen.
Antwoord van Burgemeester en Wethouders
(ingezonden 9 maart 2010)
1. Hoeveel mensen zonder Nederlandse nationaliteit ontvangen in onze gemeente een WWB-uitkering?
In 2009 hebben 2530 Leidenaars een WWB-uitkering ontvangen. 394 van hen (15,6%) hadden niet de Nederlandse nationaliteit. Dit betreft zowel mensen met een Westerse als mensen met een niet-Westerse nationaliteit.
2. Hoe wordt er invulling gegeven aan art. 3.4 Vreemdelingenbesluit en art. 11 WWB die aangeven dat aangetoond moet worden dat sprake moet zijn van een duidelijke band met Nederland en dat anders de verblijfsvergunning beëindigd kan worden c.q. geen recht op een WWB-uitkering bestaat?
Het verblijfsrecht betreft dwingend recht, dat door ons onverkort wordt uitgevoerd.
In artikel 11 van de WWB is bepaald wie recht hebben op bijstand van overheidswege. Voor mensen zonder Nederlandse nationaliteit geldt dat men – naast de voor Nederlanders van toepassing zijnde criteria – moet voldoen aan een aantal in de wet genoemde criteria omtrent het verblijfsrecht. Het verblijfsrecht van personen wordt vastgesteld door de IND. Voor de uitvoering van de wet wordt gebruik gemaakt van het GBA waarin de verblijfsstatus van betrokkene is opgenomen.
In artikel 3.4, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 is niet bepaald dat er sprake moet zijn van een band met Nederland. Artikel 3.4 stelt dat een beroep op publieke middelen gevolgen kan hebben op het verblijfsrecht voor mensen die een reguliere verblijfsvergunning hebben gekregen voor bijvoorbeeld gezinshereniging, voor het verrichten van arbeid of het ondergaan van een medische behandeling. Als deze mensen een WWB-uitkering aanvragen, licht de gemeente de IND in. De IND bepaalt vervolgens of de verblijfsvergunning beëindigd moet worden. Na intrekking van de verblijfsvergunning vervalt het recht op bijstand en wordt een eventuele WWB-uitkering door de gemeente stopgezet.3. In hoeveel gevallen is een WWB-uitkering geweigerd omdat geen aantoonbare band met Nederland bestaat?
Het criterium ‘aantoonbare band met Nederland’ wordt niet als zodanig in de regelgeving genoemd. Uitkeringen worden verstrekt op basis van een verblijfsvergunning. Alleen bij de beoordeling van het recht op bijstand door burgers van andere EU lidstaten is het in een klein aantal situaties tevens van belang of en in hoeverre er (nog) sprake is van binding met een ander land dan Nederland.
Het is niet bekend in hoeveel gevallen een WWB-uitkering aan Unieburgers op deze grond is geweigerd. Dit wordt in de gemeente namelijk niet geregistreerd.4. Hoeveel van de niet-Nederlanders met een WWB-uitkering heeft een inburgeringcursus afgerond? Hoeveel daarvan hebben taalniveau A2 of hoger behaald?
Sinds de invoering van de Wet Inburgering op 1 januari 2007 hebben 59 WWB-ers zonder Nederlandse nationaliteit hun inburgeringscursus in Leiden afgerond. Twintig van hen behaalde niveau 2 of hoger. Zeven van de twintig zijn asielzoeker.
Overigens lopen er nog 226 inburgeringstrajecten van mensen zonder Nederlandse nationaliteit met een WWB-uitkering.5. Indien geen inburgeringcursus is afgerond, waaruit blijkt dan de band met Nederland?
Er is geen verband tussen het recht op WWB en het al dan niet behalen van een inburgeringcursus.
Gevraagd door: F. ZEVENBERGEN en G. VAN GRUTING-WIJNHOLD op 2 februari 2010 -
Daklozenbeleid op de Garenmarkt.
-
(ingekomen 22 oktober 2009)
De fractie van de ChristenUnie zet zich in voor een leefbare binnenstad. Al een tijd houden zich groepjes dak- en thuislozen op aan de Garenmarkt. Recentelijk bereiken mijn fractie berichten dat groepen daklozen gevraagd worden te vertrekken. Dit gebeurde ook al eerder aan de Zoeterwoudsesingel, nu bereikt ons ook het bericht dat dit op de Garenmarkt gebeurt. De fractie van de ChristenUnie erkent de problemen, maar vindt het opjagen van daklozen geen oplossing.
Op grond van artikel 45 van het reglement van orde voor de vergaderingen van de gemeenteraad stellen wij u de volgende vragen:
Antwoord van Burgemeester en Wethouders
(ingezonden 1 december 2009)
1. Kent u het bericht Daklozen niet welkom op de Garenmarkt van hedenochtend in het Leids dagblad?Ja
2. Is het opjagen van dak- en thuislozen bewust beleid van de gemeente?
Nee, het alleen opjagen van dak- en thuislozen is geen beleid van de gemeente.
Het is echter vanuit het oogpunt van openbare orde en veiligheid niet de bedoeling dat op de Garenmarkt overlastgevend gedrag wordt vertoond, drankgebruik plaatsvindt in het openbaar en/of drugs wordt gedeald. Handhaving met betrekking tot deze feiten behoort wel tot het (al dan niet gemeentelijk) beleid. De politie grijpt, op eigen initiatief of na klachten van omwonenden, in als daar aanleiding toe is.Juist om niet alleen mensen weg te jagen, maar hen te kunnen verwijzen is in 2002 besloten een alcoholgebruikersruimte te creëren. Dit is inmiddels gebeurd in Nieuwe Energie. Hier kan onder toezicht en met mate alcohol worden gebruikt.
Op de betreffende locatie geldt, net als in de hele binnenstad een alcoholverbod. De politie heeft dus de instrumenten (alcoholverbod + doorverwijzen naar Nieuwe Energie) om op te treden tegen alcoholgebruik in de openbare ruimte op de Garenmarkt. Overigens bestaat bedoelde groep niet uitsluitend uit daklozen.
3. Is het college het met de ChristenUnie eens dat het opjagen van dak en thuislozen niet de oplossing is van het probleem?
Zie het antwoord op vraag 2. Daarnaast willen we een echte oplossing bereiken door een persoonsgebonden aanpak voor alle daklozen in de regio, gericht op herstel en re-integratie van deze groep. Dit beleid is opgenomen in het Regionaal Kompas Zuid-Holland Noord 2008-2013.
4. Wat wil het college doen om deze groepen dak- en thuislozen een betere dagbesteding te geven?
In het gebouw Nieuwe Energie is voorzien in een combinatie van dag- en nachtopvang en dagbesteding voor langdurig daklozen en verslaafden op weg naar herstel. In deze opvang is ook een alcoholgebruikruimte gerealiseerd, waarin onder toezicht en gecontroleerd alcohol kan worden genuttigd.
Daarnaast voert stichting de Binnenvest, die de daklozenopvang verzorgt, zogenoemde ‘outreachende bemoeizorg’ uit, met het doel dergelijke groepen op straat te benaderen en te stimuleren om gebruik te maken van deze voorzieningen. Uiteindelijk verwachten wij dat de individuen uit deze groep op middenlange termijn met behulp van een individueel integraal trajectplan de weg naar maatschappelijk herstel en integratie zullen inslaan.
5. Is het college tot nu toe al in overleg getreden met organisaties – zoals de Binnenvest – die actief zijn in de opvang en dagbesteding van dak- en thuislozen? Waarom wel/niet?
Ja. Over de aanpak van dakloosheid en aanverwante problemen is zowel ambtelijk als bestuurlijk regelmatig contact en overleg met de organisaties die hierin een taak hebben.
6. Is het college bereid om hierover in overleg te treden met de organisaties die op dit moment actief zijn in de opvang van dak- en thuislozen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Gevraagd door: G. TERPSTRA (CU) op 22 oktober 2009 -
Huisvesting platform vluchtelingen
-
(ingekomen 5 oktober 2009)
Graag stellen wij de volgende vragen aan het college van B&W op basis van artikel 43 van het reglement van orde van de gemeenteraad.
Antwoord van Burgemeester en Wethouders
(ingezonden 10 november 2009)
Het platform Vluchtelingen in Leiden heeft van de gemeente het bericht gekregen dat zij per 1 januari 2009 uit hun huidige onderkomen wegmoeten en op zoek moeten naar een alternatieve ruimte.
1. Klopt bovenstaande informatie?
Zo niet, dan graag toelichting op de feitelijke stand van zaken.Deze informatie klopt.
2. Wanneer en op welke wijze is het platform over het voornemen van huuropzegging geïnformeerd?
De huuropzegging is 1 juli 2009 verzonden, per aangetekende brief
3. Klopt het dat er eerst sprake was van huurverhoging en nu van huuropzegging?
Nee, er is geen sprake geweest van huurverhoging. Het contract loopt vanaf 2002. Wel wordt de huurprijs jaarlijks geïndexeerd.
4. Wat is de precieze reden van huuropzegging? Graag uitgebreide toelichting.
De PVL heeft al in een eerder stadium aangegeven om te willen zien naar vervangende ruimte, omdat er gezien de hoogte van de huur een financieel probleem voor haar organisatie dreigde te ontstaan. Tevens was zij met ons van mening dat er van weinig effectief gebruik sprake was van het pand, zeker gezien het feit dat activiteiten in Eksterpad 6 slechts in de weekenden staan gepland en het pand overdag nauwelijks-behoudens de Kiddsclub op woensdagmiddag- wordt gebruikt .Vanuit deze situatie is er gezocht naar een effectief gebruik van het pand, waarbij de Stichting Jeugd en Jongerenwerk Midden Holland (STJJMH) een alternatief bleek voor een effectiever gebruik van het pand. Hierbij is een eerste instantie onderzocht naar een medehuurderschap met het PVL. Dit laatste is door het PVL al snel van de hand gewezen..Niettemin wil de gemeente graag verder met STJJMH.
5. Wordt de huidige locatie verkocht of komt er een nieuwe huurder in? Als het laatste aan de orde is, wie is de nieuwe huurder en op basis waarvan wordt dit besluit genomen?
Het pand wordt niet verkocht. De locatie wordt per 1 januari 2010 beschikbaar gesteld aan jongerenwerk.
6. In hoeverre ondersteunt de gemeente bij de zoektocht naar alternatieve ruimte? Graag toelichting.
De beleidsafdeling heeft in de diverse gesprekken die er vooraf zijn geweest vroegtijdig aangedrongen bij het PVL om op zoek te gaan naar een andere ruimte en deze mogelijk te delen met andere huurders. Dit laatste uit financiële overweging. Diverse mogelijkheden zijn van de kant van de gemeente aangedragen Recentelijk is het voormalig politiebureau Slaaghwijk aan de Pelmolen 4-6 en het voormalig bankgebouw aan de Pelmolen in beeld geweest. Beide opties konden niet gerealiseerd worden, omdat de eventuele medehuurder zich terugtrok respectievelijk het gebouw door PVL niet geschikt werd bevonden.
Op dit moment vinden gesprekken plaats met PVL over mogelijke huisvesting in het Vijf Hovenhuis.7. Wat is het aanbod van de gemeente t.a.v. de huurprijs van een alternatieve locatie?
Alternatieve locaties waren geen eigendom van de gemeente en zijn door PVL afgekeurd in verband met de hoogte van de huurprijs.
8. Wat gebeurt er als er voor 1 januari geen ruimte is gevonden? Graag uitgebreid antwoord.
De huurovereenkomst is per 19 november officieel opgezegd. Omdat het pand niet direct leeg hoefde, heeft de PVL nog tot het einde van het jaar gekregen om in het pand te kunnen blijven (middels een gebruiksovereenkomst) om zo hun geplande activiteiten voor dit jaar nog uit te kunnen voeren.. PVL is na verschillende gesprekken en meedenken vanuit de gemeente uiteindelijk zelf verantwoordelijk voor het vinden van passende huisvesting. Inmiddels hebben hernieuwde inspanningen er toe geleid dat er goede kans bestaat dat het PVL vanaf 1 januari a.s. een nieuwe ruimte kan betrekken voor al haar activiteiten.
Het platform is niet de enige organisatie met problemen met de huisvesting. Door de voorgenomen verkoop van gemeentelijke panden, verkeren veel organisaties in onzekerheid.
9. Is het college het eens met bovenstaande constatering? Zo ja, wat wordt er ondernomen om deze onzekerheid weg te nemen? Zo nee, waarom niet?
Bij verkoop vastgoed wordt zoveel mogelijk gezocht naar vervangende huisvesting. Waar de gemeente een (juridische) verplichting heeft (huurrechten) wordt vervangende huisvesting verzorgd. In de overige gevallen wordt rekening gehouden met de termijnen van de lopende huurovereenkomsten en wordt meegedacht met de huurders. Echter in geval PVL is dit niet aan de orde, omdat de opzegging van de huurovereenkomst een andere achtergrond heeft.
10. Bestaat er momenteel een volledig overzicht van gemeentelijke panden, waar maatschappelijke organisaties op dit moment gebruik van maken?
Ja, dit overzicht is beschikbaar.
Gevraagd door: R. VAN GELDEREN (SP) en R. BECHT (GL) op 5 oktober 2009 -
Evaluatie verordening plaatsingsvolgorde WSW 2008
-
(ingekomen 7 september 2009)
Op grond van artikel 45 van het reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad wil de fractie van de VVD, naar aanleiding van deze tussentijdse evaluatie, uw college enige schriftelijke vragen stellen.
Onlangs zond uw college deze evaluatie aan de commissie voor werk en financiën. Waarvoor onze dank. De VVD ziet dat er een forse inspanning is gepleegd om de wachtlijst te bekorten.
De evaluatie was helder en werd puntsgewijze duidelijk toegelicht.
Maar er rezen bij ons toch wat vragen die wij u graag voorleggen.In de toelichting onder punt 2 de afbouw van de wachtlijst staat:
Er is ook van 15 personen de indicatie WSW ingetrokken omdat zij op het moment dat hen een dienstverband aangeboden kregen toch niet beschikbaar bleken te zijn. Daarnaast blijken tot nu toe ongeveer 60 mensen tijdelijk niet beschikbaar voor werk.Antwoord van Burgemeester en Wethouders
(ingezonden 29 september 2009)
1. Wat is (zijn) de reden dat deze 15 mensen niet beschikbaar voor WSW werk zijn?
De WSW is een vrijwillige voorziening. Dat wil zeggen dat er geen verplichting bestaat om arbeid in het kader van de WSW te aanvaarden. De WSW is vrijwillig maar niet vrijblijvend. Wanneer iemand met een WSW-indicatie die op de wachtlijst staat aangeeft niet beschikbaar te zijn voor arbeid in het kader van de WSW kan de SW-indicatie worden ingetrokken. Van de genoemde 15 mensen waarvan de indicatie is ingetrokken zijn de redenen zeer divers. Er zijn mensen waarvan hun persoonlijke (gezondheids) situatie zodanig is verslechterd dat zij (langdurig) niet in staat zijn om arbeid in het kader van de WSW te verrichten. Er zijn ook mensen bij die een andere baan hebben aanvaard (met of zonder subsidie van het UWV) waardoor feitelijk hun indicatie van rechtswege reeds is vervallen.
2. Wat is (zijn) de reden dat 60 mensen tijdelijk niet beschikbaar voor werk zijn ?
Ook voor deze groep mensen geldt dat er diverse redenen zijn waardoor zij tijdelijk niet beschikbaar zijn voor werk. Ziekenhuisopname, revalidatie en een (tijdelijke) terugval bij psychische aandoeningen zijn veel voorkomende redenen. Een andere reden is alcoholproblematiek. Er zijn mensen die een zodanige alcoholproblematiek hebben dat het onverantwoord is voor DZB als werkgever om hen een dienstbetrekking aan te bieden. De alcoholproblematiek zal eerst door de geïndiceerde onder controle gebracht moeten worden voordat een arbeidsovereenkomst bij DZB kan worden aangeboden. Ook is er een aantal mensen die een voltijds-opleiding volgen die hen op termijn in staat stelt om werk buiten het kader van de WSW te kunnen aanvaarden; ook zij zijn dan tijdelijk niet beschikbaar voor werk.
De genoemde 60 mensen worden periodiek (afhankelijk van hun persoonlijke situatie) weer opgeroepen om de mogelijkheden voor arbeid in het kader van de WSW te bespreken. Als blijkt dat de tijdelijke niet-beschikbaarheid langer zal duren, zal de betreffende persoon van de wachtlijst worden gehaald. Afhankelijk van de situatie zal de indicatie worden ingetrokken of niet. Wanneer de indicatie in stand blijft kan de betreffende persoon DZB verzoeken om terugplaatsing op de wachtlijst op het moment dat hij/zij feitelijk weer beschikbaar is om arbeid te verrichten in het kader van de WSW.Verderop bij de toelichting onder punt 4 staat:
Van de 14 mensen die nu langer dan 2,5 jaar op de wachtlijst staat, zijn er 5 ziek of tijdelijk niet beschikbaar.3. Wij begrijpen het als iemand ziek is, maar wat is (zijn) hier de reden van tijdelijk niet beschikbaar zijn?
Het college kan niet rapporteren over individuele situaties. Voor de genoemde personen zijn de redenen genoemd bij antwoord 2 ook aan de orde.
Gevraagd door: J. HERMANS en G. VAN GRUTING (VVD) op 7 september 2009 -
Vragen inburgering
-
(ingekomen 26 augustus 2009)
Inleiding
Bij brief van 25 augustus 2009 heeft de minister voor Wonen, Wijken en Integratie E.E. van der Laan aan de Tweede Kamer te kennen gegeven dat het aantal van 21.000 gestarte inburgeringsvoorzieningen in de eerste helft van 2009 ver achterblijft bij de ambitie van het kabinet (kenmerk: DGWWI/I&I/2009041349).
De minister meent dat de tegenvallende resultaten de gemeenten moeten worden aangerekend, nu deze verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het ‘Deltaplan inburgering’. Volgens Van der Laan geniet de inburgering in het algemeen onvoldoende politiek-bestuurlijke prioriteit van de gemeenten en ontbreekt het de gemeenten aan voldoende kennis en capaciteit in de uitvoering. Hij leidt dit onder meer af uit het feit dat dertien van de 52 grotere gemeenten de prognoses wèl weten te realiseren, waaronder Alphen aan den Rijn.
Naar aanleiding hiervan legt de CDA-fractie u graag de volgende vragen voor (ex artikel 45 van het Reglement van Orde voor de gemeenteraad).
Feitelijke stand van zaken Leiden
Leiden ontbreekt in het rijtje van dertien gemeenten dat de prognoses haalt. De CDA-fractie leidt uit dit gegeven af dat de inburgering in Leiden niet alleen beter kan, maar ook beter moet.
Antwoord van burgemeester en wethouders:
(Ingekomen 29 september 2009)
1. Welke ambitie heeft de gemeente zich voor 2009 gesteld voor het aantal te starten inburgeringsvoorzieningen? Strookt deze ambitie met die van het kabinet?
Op 25 mei j.l stuurden wij u een brief waarin het volgende gesteld werd:
“Het is gezien het bovenstaande de verwachting dat de prestatieafspraken voor de gestelde tijd (1 januari 2010) niet gehaald zullen worden. Of deze afspraken in de loop van 2010 gehaald zullen worden, is nu nog niet duidelijk. Wel zal eind 2009 duidelijk zijn hoeveel Leidenaars in principe nog moeten inburgeren.”
Inmiddels heeft de minister de verwachtingen bijgesteld. Omdat 2007 een verloren jaar is, hoeven de gemeenten nog maar twee derde van de oorspronkelijke afspraken te halen in 2008 en 2009, te weten twee keer 380 trajecten. Dit aantal is in 2008 gehaald en zal naar verwachting in 2009 ook gehaald worden.
Recentelijk hebben de media aandacht besteed aan de streefcijfers die het ministerie van WWI voor 2010 heeft vastgesteld en de reactie daarop van de VNG. Deze heeft onderzocht dat de dertig grootste gemeenten juist in 2010 een lager aantal trajecten verwachten. Het BPI is dan zo goed als leeg en de doelgroep is dan voornamelijk vrijwillige inburgeraars, van wie bekend is dat zij lastiger te verleiden zijn tot een inburgeringstraject. De uitkomst van deze discussie moet nog worden afgewacht, maar de verwachting dat er in 2010 minder trajecten zijn dan in 2009 geldt zeker ook voor Leiden.2. Hoeveel inburgeringsaanboden heeft de gemeente gedaan tot en met juli 2009?
De gemeente Leiden doet iedereen die onder de doelgroep van de Wet inburgering valt, een aanbod. Van 1 januari 2009 tot en met eind juli 2009 heeft de gemeente 266 keer een aanbod gedaan.
3. Hoeveel inburgeringsvoorzieningen zijn er in de gemeente tot en met juli 2009 daadwerkelijk gestart? Wat is het verschil met de prognose van de minister?
Er zijn van 1 januari 2009 tot en met eind juli 2009 158 inburgeringsvoorzieningen opgestart. Dit is iets minder dan de helft van wat de minister in 2009 van ons verwacht, namelijk 380 trajecten.
4. Hoe kwalificeert u de prestaties van Leiden? Bent u met onze fractie van mening dat het niet alleen beter kan, maar – gezien de prestaties van de dertien door de minister genoemde gemeenten – ook beter moet?
Leiden presteert zeker niet slecht; in 2009 komt de piek in de tweede helft van het jaar. In oktober 2009 staat een grote actie gepand: De Dag van de Inburgering, naar het voorbeeld van de gemeente Den Haag. Op deze dag worden in principe alle mensen die nog in het BPI (Bestand Potentieel Inburgeringsplichtigen) staan, uitgenodigd, gesproken en zoveel mogelijk meteen doorverwezen naar een taalaanbieder. De verwachting is dan ook dat wij in 2009 de 380 trajecten die het ministerie van ons vraagt, gaan halen.
Bovendien worden er voortdurend maatregelen genomen om de resultaten verder te verbeteren. Er wordt veel verwacht van het Project Wijkgerichte Inburgering in Leiden Noord, dat een goede aanpak moet opleveren om de vrijwillige inburgeraars tot inburgering te verleiden.
Maken we de omslag?
In zijn brief kondigt de minister maatregelen aan om een omslag te maken en de ambities van het ‘Deltaplan inburgering’ alsnog zoveel mogelijk te realiseren. Hij wil daartoe afspraken maken met achterblijvende gemeenten en expertise beschikbaar stellen. Ook wil de minister middelen aan afspraken koppelen: teveel verstrekte voorschotten wil hij terugvorderen en overhevelen naar de gemeenten die zich committeren aan verbetering van hun resultaten.
De CDA-fractie constateert dat het vlottrekken van de inburgering in Leiden derhalve niet alleen belangrijk is vanwege het grote maatschappelijke belang van inburgering, maar ook omwille van de gemeentefinanciën.
5. Is het college voornemens nog voor het einde van het jaar de inburgering vlot te trekken en sneller meer inburgeringsvoorzieningen te starten? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4. Er is bovendien geen louter financiële reden om snel meer voorzieningen te starten. Eind 2009 kunnen we zonder problemen het niet gebruikte voorschot terugbetalen.
6. Wat vindt het college van het idee in dit verband best practices te bestuderen bij de gemeente Alphen aan den Rijn, nu die gemeente er klaarblijkelijk wel in slaagt het geprognosticeerde aantal inburgeringsvoorzieningen te starten?
Alphen aan den Rijn hoort bij de ‘goed presterende gemeenten’ omdat zij in de eerste helft van 2009 relatief goed hebben gescoord. Het is duidelijk dat Alphen aan den Rijn maatregelen heeft genomen die hebben geleid tot betere resultaten dan in de voorgaande jaren. Wij hebben contact met Alphen aan den Rijn en met andere gemeenten die goed scoorden om te zien of wij hun maatregelen in Leiden kunnen toepassen.
7. Is het college bereid een – in onze woorden – ‘verbeterafspraak’ te maken met de minister en eventueel van de door hem ter beschikking te stellen expertise gebruik te maken? Zo niet, waarom niet?
Het college is bezig om te onderzoeken welke aanvullende maatregelen nodig zijn en welk prijskaartje hieraan hangt.
8. Om wat voor bedrag zou het gaan, wanneer het rijk daadwerkelijk over zou gaan tot terugvordering van – in de visie van het rijk – overbodig verstrekte voorschotten ten behoeve van inburgeringsvoorzieningen?
Het is heel lastig om dit bedrag te berekenen.
Ten eerste is het is de bedoeling om in het najaar 2009 een fors aantal trajecten op te starten. We kunnen nu niet voorspellen hoeveel, maar dat aantal heeft wel invloed op de financiering.
Ten tweede gaat het om een outputfinanciering. Het grootste deel van de middelen (70%) ontvangen we pas als de inburgeraar heeft deelgenomen aan het examen. De uiteindelijke afrekening van de trajecten die in 2009 zijn gestart, vindt daarom pas plaats in 2010 en 2011.
Gevraagd door: A. BONESTROO en M. VAN SANDICK-SOPERS (CDA) op 26 augustus 2009) -
Dierenwelzijn
-
(ingekomen 13 februari 2009)
In het kader van dieren welzijnsnota en de werkzaamheden van de politie in onze stad het volgende ter inleiding.
Vandaag in het Algemeen Dagblad het volgende bericht:
Man voor de rechter omat hij weigerde een kat dood te rijden.
Schiedammer Cees Schuurman die een bekeuring van 75 euro kreeg omdat hij stopte voor een overstekende kat.
Op 7 januari vorig jaar stond Schuurmans met zijn auto voor het rode verkeerslicht op de Harga laan in Schiedam Op het moment dat het licht op groen sprong liep een kat het zebrapad op en stak over. Schuurmans gaf geen gas omdat hij anders de kat had doodgereden een agent die net bij de kruising stond te controleren schreef een bekeuring uit wegens het negeren van een groen verkeerslicht. De politie gaf destijds toe dat het een uitzonderlijk geval is, Maar de wet zegt nou eenmaal dat alles wat je doet waarbij je het verkeer belemmert, een overtreding is, zegt een woordvoerder.
Dit is het voorbeeld wat ik bij u voor wil leggen omdat het veelvuldig voorkomt dat auto, s voor het verkeerslicht aan de kennedylaan voor rood licht wachten en dat er dan bij het op groen gaan opeens een koppel zwanen of ganzen netjes het zebrapad oversteken en dat je dan natuurlijk wacht totdat de dieren overgestoken zijn.
Naar aanleiding van het bericht uit Schiedam in de krant bekruipt mij de angst dat als mensen het bericht gelezen hebben ze doodleuk doorrijden en de beesten aan of dood rijden.
Mijn vragen aan u als korpsbeheerder van Hollands Midden zijn de volgende.
Antwoord van de Burgemeester
(ingezonden 24 februari 2009)
1. Bent u met mij van mening dat de wet nooit de bedoeling heeft om dieren dood te rijden als dat gaat om een groen stoplicht.
Ja.
2. Is het zo dat de politie opdracht heeft om alle overtredingen van welke aard dan ook te moeten bekeuren
Nee. De politie heeft bij het uitvoeren van haar taak een discretionaire bevoegdheid. Dat betekent dat op basis van de specifieke omstandigheden van het geval beoordeeld wordt op welke manier omgegaan wordt met een geconstateerde overtreding. Zo kan afhankelijk van de situatie in bepaalde gevallen gekozen worden voor een bekeuring, terwijl in een ander geval een correctiegesprek gevoerd wordt. Indien een bekeurde het niet eens is met een opgelegde boete kan men de zaak voor de rechter laten komen. Overigens is inmiddels op internet te lezen dat de kantonrechter de Schiedamse kattenliefhebber het voordeel van de twijfel heeft gegeven en dat hij de boete niet hoeft te betalen.
3. Kunt u mij verzekeren dat het voorbeeld wat ik u gaf nooit in Leiden zal resulteren tot een bekeuring.
Nee. Zie vraag 2. Overigens valt het optreden van de politie in dergelijke situaties onder het gezag van de Officier van Justitie en niet onder het gezag van de burgemeester.
4. Is het misschien mogelijk als er bekend is waar dieren veelvuldig oversteken in Leiden er borden komen met de aanduiding overstekende dieren.
Met het plaatsen van extra verkeersborden wordt zeer terughoudend omgegaan, ook omdat uit onderzoek blijkt dat een groot aantal borden een oorzaak van verkeersonveiligheid kan zijn.
Gevraagd door: D. SLOOS (LL) op 13 februari 2009 -
Klachtenmeldpunt WMO
-
(ingekomen 3 juli 2009)
In de vergadering van de commissie O&S van 7 oktober 2008 heeft wethouder van den Berg een toezegging gedaan m.b.t. de klachtenafhandeling WMO. Begin 2009 zou de wethouder een brief sturen met daarin voorstellen hoe de klachtenafhandeling WMO verbeterd zou kunnen worden.
Antwoord van Burgemeester en Wethouders
(ingezonden 14 juli 2009)
1. Waarom is er nog geen voorstel?
2. Wanneer kunnen wij het voorstel verwachten?
3. wat zijn de redenen van de vertraging?
4. Waarom is hierover geen bericht gekomen naar de commissie?
Uit het verslag van de vergadering van de commissie O&S van 7 oktober 2008 kunt u opmaken dat de wethouder geen toezegging zoals door u geformuleerd heeft gedaan. Wel heeft zij in genoemde vergadering enige vrijheid gevraagd ten aanzien van het vormgeven van een rapportage over klachten en signalen ten aanzien van de uitvoering van de WMO. De wethouder heeft van die vrijheid gebruikgemaakt en voor 2008 het overzicht van klachten en signalen gevoegd in de rapportage over het totale functioneren van de WMO 2008/begin 2009. Deze rapportage is op 21 april jl. door ons College vastgesteld als besluit nummer 09.0408’. Voor de inhoud verwijzen wij kortheidshalve naar genoemde rapportage.
Dit besluit is als ingekomen stuk nummer VI onder het kopje ‘Stukken ter kennisname’ opgenomen bij de agenda van de commissie O&S van 19 mei 2009. Tijdens de vergadering van de commissie O&S op 19 mei heeft uw fractiegenoot De Bakker gevraagd of het betreffende stuk ook geagendeerd kan worden. Verder gaf zij aan “…graag meer informatie over het onderwerp te willen ontvangen en wellicht over het onderwerp te willen debatteren.”, waarop de voorzitter stelde “…dat het streven is dat het onderwerp voor de zomer aan de orde komt.” en “… dat als mevrouw De Bakker een goede reden heeft voor eerdere behandeling, zij daarvoor een voorstel kan indienen.” (Citaten komen uit het verslag van genoemde vergadering.) Voor zover ons bekend heeft dit vooralsnog niet tot behandeling geleid.
Gevraagd door: R. van Gelderen (SP) op 3 juli 2009 -
Opheffen JEZ en herstart
-
(ingekomen 20 april 2009)
Antwoord Burgemeester en Wethouders
(ingezonden 2 juni 2009)
Voorafgaand aan de beantwoording ter toelichting het volgende. De Stichting JEZ (voluit: de stichting Jeugd, Educatie en Zorg) verzorgde dagopvang voor kinderen die vanwege ernstige gedragsproblemen verwijderd zijn uit het basisonderwijs. Herstart was een eerste noodopvangvoorziening voor kinderen die wegens ernstige gedragsproblemen werden verwijderd van de basisschool.
1. Deelt het college de mening van het CDA dat het wegvallen van begeleiding voor kinderen die wegens gedragsstoornissen uit het Basis onderwijs vallen een ongewenste ontwikkeling is?
Tenzij er goede alternatieven voor handen zijn acht het college het wegvallen van begeleiding voor autistische kinderen met een gedragsprobleem een ongewenste ontwikkeling
2. Heeft het College inzicht in de oorzaak van het stopzetten van deze twee organisaties?
JEZ werd gefinancierd vanuit de Persoons Gebonden Budgetten (PGB) van ouders. Ouders kochten de begeleiding voor hun kind in bij JEZ. Doordat er bij de AWBZ een wijziging in de indicering is gekomen ontvingen ouders niet langer een PGB. JEZ is derhalve gestopt als organisatie doordat de regeling van de inzet van PGB’s is ingekort, maar de voormalige JEZ medewerkers bieden momenteel ambulante begeleiding ter ondersteuning aan kinderen met een zorgbehoefte totdat ze een indicering krijgen.
In reactie op de vraag kan gesteld worden dat het project Herstart niet is stopgezet. Herstart is een regeling voor kinderen die 4 weken thuis zitten, geen indicatie hebben voor een REC 4 school en geen uitzicht hebben op schoolplaatsing. Deze kinderen kunnen zich op basis van deze regeling beroepen op een subsidie voor 16 weken waarin zij regulier onderwijs genieten en daarbinnen worden ondersteund door professionele begeleiders. Deze begeleiders zijn voormalige JEZ medewerkers. In deze periode wordt tevens de indicatieaanvraag gedaan.
De fysieke vorm van de ‘Herstartklas’ is dus opgeheven. Reden hiervoor is dat de onderbezetting van de klas de gedragsproblematiek niet ten goede kwam.
Een belangrijke doelstelling is om kinderen zo snel mogelijk in het regulier onderwijs op te nemen. Herstart maakt dit mogelijk door ondersteuning te bieden in het regulier onderwijs.
Kortom, in Leiden bestaat de mogelijkheid om gebruik te maken van een subsidie die kinderen met een ernstig gedragsprobleem van, zoveel mogelijk, regulier onderwijs te voorzien waarbinnen ze kunnen worden ondersteund door professionele begeleiders.
3. Heeft het college inzicht in de omvang van deze oorzaak (financieel, organisatorisch, ruimtelijk, sociaal). En zo ja, graag een beschrijving?
Het College kent niet de omvang van de financiën die gemoeid zijn met beide voorzieningen. JEZ is een onafhankelijke stichting en was gehuisvest bij kinderopvang de Kleine Beer. Herstart valt onder verantwoordelijkheid van de scholen en was voorheen gehuisvest bij de PI school de Brug.
4. Hoeveel kinderen zitten er in Leiden momenteel thuis doordat deze twee instanties zijn weggevallen?
Geen.
5. Hebben Stichting JEZ en project Herstart een overleg gehad met de <place productid="gemeente Leiden" w:st="on">gemeente Leiden</place> en zo ja, wat is daar uit gekomen? Zo nee, waarom niet?
Over Herstart is geen overleg geweest met de gemeente. Het is een besluit geweest van de scholen.
JEZ heeft een aantal organisaties geïnformeerd over het wegvallen van de financiering en de consequenties hiervan. Ook de portefeuillehouder onderwijs Leiden is door JEZ op de hoogte gesteld. De portefeuillehouder heeft geantwoord, dat ze het betreurt dat een goed initiatief als JEZ moet stoppen en dat het nu weer aan de onderwijsinstellingen is die in het kader van passend onderwijs moeten zorgdragen voor een plaats voor ieder van deze kinderen.
6. Is dit een sec Leidse aangelegenheid of heeft Leiden in deze een centrumfunctie? In het laatste geval: hoeveel kinderen zitten er buiten Leiden thuis, die wel door Leiden opgevangen zouden moeten worden?
De Leidse voorzieningen hadden een centrumfunctie voor de Leidse regio. Ook voor kinderen uit de regio geldt dat er alternatieven gezocht worden ter overbrugging van plaatsing in het speciaal onderwijs of in een zorgtraject.
7. Wat wordt er nu in het werk gesteld om deze kinderen toch weer in een ontwikkelingstraject te krijgen? Welke taak is hierbij voor de gemeente weggelegd?
Wij hebben hierover contact gezocht met het Regionaal Bureau Leerplicht (RBL). Eind 2008 heeft het RBL in samenwerking met Weer Samen Naar School Leidse regio en het Openbaar Speciaal Onderwijs Cluster IV Leiden onderzoek gedaan naar de problematiek van thuiszitters vanuit het basisonderwijs. Onderdeel van het rapport is hoe thuiszitten voorkomen kan worden. Het RBL heeft de aanbevelingen uit het rapport onderdeel gemaakt van haar werkwijze. Inzet vindt plaats vanuit meerdere partijen. Bureau Leerplicht geeft geen vrijstelling voor deze kinderen, maar spreekt de scholen aan op de verantwoordelijkheid die zij hebben om passend onderwijs te bieden aan alle kinderen. Ook de zorgpartijen worden betrokken bij het zoeken naar de juiste onderwijssetting en naar het zoeken van oplossingen hoe de overbruggings-periode voor beide partijen (kind en school) zo goed mogelijk ingericht kan worden. Het RBL brengt momenteel alle thuiszitter in beeld in de leeftijd van 5-18 jaar. Deze informatie, alsmede het bovengenoemd onderzoeksrapport worden binnenkort door het RBL openbaar gemaakt (in ieder geval voor de zomervakantie).
8. Ziet de wethouder mogelijkheden om deze twee organisaties weer aan de slag te krijgen?
De gemeente zal geen actie ondernemen om JEZ weer aan de slag te krijgen Dit was een stichting die financiering ontving vanuit zorggelden die aan ouders waren toegekend.
9. Ziet de wethouder andere mogelijkheden om deze thuiszittende kinderen weer in een traject te krijgen?
Het is de taak van het RBL om hier samen met de scholen en de zorginstellingen aan te werken. Primair is het de verantwoordelijkheid van de scholen en zorgpartijen om ervoor zorg te dragen dat er voor elk kind passend onderwijs is. Het Regionaal Bureau Leerplicht heeft een taak in het aanspreken van de scholen op hun inzet in deze. De gemeente heeft er vertrouwen in dat er goede oplossingen worden geboden voor leerlingen met gedragsproblemen.
10. Wat is de reden waarom er geen financiële hulp door de Gemeente aan organisaties die werken voor kinderen met een stevige gedragsproblematiek uit het Basisonderwijs wordt gegeven?
Het is niet aan de gemeente maar aan de onderwijsinstellingen om passend onderwijs te bieden voor deze kinderen. De gemeente speelt hier in die zin geen rol in. De gemeenten van de regio Holland Rijnland hebben gezamenlijk wel een rol via de aansturing van het RBL. Scholen (regulier basisonderwijs en speciaal basisonderwijs) hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid in het bieden van onderwijs aan kinderen met gedragsproblemen (Weer Samen naar School). Raakvlakken met de gemeente kunnen er liggen in de Wet Jeugdzorg en in de Wet Maatschappelijke Ondersteuning. Ook voor leerlingen uit het voortgezet onderwijs is de gemeente hier niet in eerste instantie verantwoordelijk voor.
11. Hoe verhoudt het nu gedwongen thuis zijn van deze leerplichtige kinderen zich tot het daartoe bepaalde in de Leerplichtwet?
Het gedwongen thuiszitten van een kind is in strijd met de leerplichtwet. Daarom heeft het RBL hier ook een belangrijke taak in. Het Regionaal Bureau Leerplicht kan zowel de ouders als de scholen aanspreken op hun rol hierin en doet dat ook. In overleg worden per kind afspraken gemaakt.
12. Op welke wijze handhaaft de <place productid="gemeente Leiden" w:st="on">gemeente Leiden</place> in deze specifieke gevallen het bepaalde in de Leerplichtwet?
De taak tot handhaving wordt uitgeoefend door het RBL. Het RBL spreekt nu scholen directer aan op hun verantwoordelijkheid ieder kind passend onderwijs te bieden en brengt in voorkomende gevallen de betrokken onderwijs- en zorgpartijen rond de tafel om tot een sluitende oplossing te komen. In dit multidisciplinair overleg wordt bekeken of het kind een indicatie heeft of niet en welke stappen daaruit voortvloeien. In beide gevallen, wel of geen indicering, wordt in overleg met de inspectie, de onderwijs en zorgpartijen nader bekeken welke instrumenten hierbij ingezet kunnen worden.
13. De gemeente Den Haag is medefinancier van project Herstart binnen haar grenzen. Is er samenwerking met deze gemeente mogelijk?
Het College acht dit geen taak voor de gemeente.
14. Beide organisaties kennen een verschillende financieringsbasis. Kan het college voor beide vormen aangeven op welke wijze de gemeente een rol zou kunnen spelen?
Het College acht dit wederom geen taak voor de gemeente. Daar waar het om voorzieningen gaat die binnen de WMO of JGZ vallen is er een rol voor de gemeente weggelegd.
15. Is het College bereid om met een voorstel te komen om Project Herstart en Stichting JEZ een doorstart te kunnen laten maken?
Het College heeft vertrouwen in de aanpak van het RBL, de scholen en de aan scholen verbonden organisaties om goede oplossingen te vinden voor deze kinderen. Wij zullen het RBL vragen ons eind 2009 over de resultaten te informeren.
Gevraagd door: M. van Sandick (CDA) op 20 april 2009 -
Pand van het Inloophuis Psychiatrie/GGZ-Informatiepunt
-
(ingekomen 22 juli 2009)
Al 10 jaar is er sprake van onduidelijkheid over de bestemming van het pand op Rapenburg 48 waar het Inloophuis Psychiatrie/ GGz-Informatiepunt verblijft. Het college van B&W heeft in eerste instantie aangegeven een andere bestemming voor het pand te willen vinden, maar heeft dit nog niet gedaan. Ook is er nog geen duidelijkheid over de eventuele nieuwe locatie van het Inloophuis Psychiatrie/ GGz-Informatiepunt.
Volgens het Inloophuis Psychiatrie/ GGz-Informatiepunt is het pand intussen zwaar verouderd en de gemeente heeft aan het Inloophuis Psychiatrie/ GGz-Informatiepunt aangegeven niet te willen investeren totdat er meer duidelijkheid is wat er met het pand gaat gebeuren.
D66 is geschrokken dat het College van B&W nog steeds geen duidelijkheid heeft gegeven aan het Inloophuis Psychiatrie/ GGz-Informatiepunt en deze mensen hier in erbarmelijke omstandigheden laat verblijven. Vandaar de volgende schriftelijk vragen:Antwoord van Burgemeester en Wethouders
(ingezonden 13 oktober 2009)
1. Hoe komt het dat het College van B&W in 10 jaar tijd nog steeds geen besluit heeft genomen over de bestemming van het pand op Rapenburg 48?
De bestemming van het pand is met het Bestemmingsplan Binnenstad 1 (in 2007 onherroepelijk geworden) gewijzigd en toegespitst op de mogelijke ontwikkeling van een hotel. In het voornemen het pand te verkopen is bij het besluit (RB 05.0129 d.d. 11 november 2005 (verkoopproces) BW 06.0927 d.d. 18 juli 2006 (besluit tot verkoop onderhavig pand)) inzake Verkoop Gemeentelijk Vastgoed meegenomen dat een hotelontwikkeling hier het uitgangspunt is. Voor het zomerreces hebben wij dit standpunt nogmaals herbevestigd aan de ambtelijke organisatie en wordt in het Programma Binnenstad rekening gehouden met de voorgenomen ontwikkeling. Resumerend oordelen wij dat er weldegelijk besluiten zijn genomen over de bestemming van het pand.
2. Overweegt het College op dit moment om het Inloophuis Psychiatrie/ GGz-Informatiepunt Leiden op de huidige locatie te laten blijven? Zo nee, waarom niet?
Inmiddels hebben wij besloten dat het Inloophuis Psychiatrie/GGz-Informatiepunt Leiden zal worden gehuisvest in de panden Ketelboetersteeg 10-12 en Langebrug 56a. Een Raadsvoorstel hierover wordt aan de raad voorgelegd.
3. Heeft de gemeente concreet nieuwe huisvesting aan Inloophuis Psychiatrie/ GGz-Informatiepunt aangeboden? Zo ja, welke opties liggen op tafel en waarom is dit (nog) niet door gegaan? Zo nee, waarom niet?
Ja.
4. Inloophuis Psychiatrie/ GGz-Informatiepunt heeft aangegeven dat het pand tocht, lekt en daarmee in slechte staat verkeerd. Is het college hiervan op de hoogte? Zo nee, hoe hebt u dit beoordeeld? Zo ja, wat gaat het college hieraan doen, ook i.v.m. de aankomende winter?
Wij zijn op de hoogte van de staat van het pand aan het Rapenburg. Dit is ook de reden geweest om op korte termijn actie te ondernemen ten aanzien van de verkoop en de mogelijke ontwikkeling. Ten aanzien van de huidige gebruikers zal al het nodige gedaan worden om het comfort van de gebruikers van het pand zoveel mogelijk te behouden en daar waar mogelijk te verbeteren, zolang de een verhuizing nog niet gerealiseerd is.
5. Is het college bereid op korte termijn maatregelen treffen voor het Inloophuis Psychiatrie/ GGz-Informatiepunt zodat zij binnenkort weten waar zij aan toe zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer kan het Inloophuis Psychiatrie/ GGz-Informatiepunt dit besluit verwachten?
Er is inmiddels door ons een besluit genomen.
In november 2009 zal het inloophuis psychiatrie haar 25-jarig bestaan vieren. D66 zou het fijn vinden als het Inloophuis Psychiatrie/ GGz-Informatiepunt op dat moment duidelijkheid heeft over het pand en in ieder geval onder normale omstandigheden de winter door kunnen.
Gevraagd door: P. van Meenen (D66) op 22 juli 2009 -
Zorgveiling (ook wel dynamisch selectiemodel genoemd)
-
(ingekomen 8 mei 2009)
De fractie van de SP wil op basis van artikel 43 van het reglement van orde van de gemeenteraad de volgende vragen aan het college van B&W stellen.
Sinds januari 2009 maakt de gemeente Leiden e.o. gebruik van het zorveilingsysteem t.b.v. de huishoudelijke hulp. De SP krijgt op dit moment al veel klachten binnen van clienten en wil mede naar aanleiding van deze signalen de volgende vragen stellen.
De SP vraagt het college om bij de beantwoording van deze vragen zoveel mogelijk uit te gaan van de praktijk. Dus niet alleen hoe iets bedoeld is, maar vooral hoe het daadwerkelijk uitpakt en welke actie daarop wordt ondernomen!
Antwoord van Burgemeester & Wethouders
(ingezonden 16 juni 2009)
Inleiding op de beantwoording
Alvorens in te gaan op de afzonderlijke vragen, willen wij het volgende aangeven. Wij hebben samen met de Colleges van de andere Leidse regio gemeenten en in nauw overleg met de Wmo-adviesraden medio 2008 bewust gekozen om hulp bij het huishouden in natura te bieden via het zelf ontwikkelde dynamisch selectiemodel.
De keuze om te gaan werken met een totaal ander systeem werd ingegeven door de knelpunten met de uitvoering van hulp bij het huishouden die zich in 2007 en 2008 voordeden, zoals:
· discussie met aanbieders over de door henzelf geoffreerde tarieven;
· grote leveringsproblemen bij veel aanbieders waardoor de voorkeur van cliënten niet kon worden gehonoreerd;
· in veel Leidse regio-gemeenten lange wachttijden voordat een aanbieder bij een nieuwe cliënt kon starten met het leveren van hulp;
· en de klachten van cliënten over de vele wisselingen bij het inzetten van personeel door bepaalde thuiszorginstellingen.
Voor hulp in natura heeft de gemeente Leiden per 1 januari 2009 met tien aanbieders een contract gesloten. Indien een cliënt kiest voor hulp in natura moet uit deze tien gecontracteerde aanbieders een keuze worden gemaakt wie de hulp gaat leveren. De gemeenten van de Leidse regio veilen geen cliënten, maar voeren per hulpvraag een selectie uit .Deze selectie gebeurt op basis van meerdere factoren, zoals de voorkeur van de cliënt, de anti-voorkeur van de cliënt, de geboden levertijd, het rapportcijfer voor cliënttevredenheid en de prijs. De aanbieder die intekent met de beste prijs/kwaliteitsverhouding op een hulpvraag, krijgt de meeste punten en wordt voor de uivoering van die individuele hulpvraag geselecteerd.
Doel van dit nieuwe model is voor de cliënt (én de gemeente als betaler van de rekening) de beste leverancier (qua prijs/kwaliteitverhouding) te selecteren. Resultaat moet zijn goede hulp voor de cliënt tegen een maatschappelijk aanvaardbare prijs.
Het nieuwe systeem laat tot op heden twee heel belangrijke voordelen ten opzichte van het verleden zien. Alle nieuwe cliënten voor hulp bij het huishouden in de Leidse regio kunnen aan hulp worden geholpen en de levertijd is erg snel (binnen een paar dagen).
Voor meer informatie over de redenen om te gaan werken met dit nieuwe model en de eerste ervaringen ermee wordt verwezen naar het Collegebesluit van 8 juli 2008 (B&W 08/0645) respectievelijk de rapportage uitvoering individuele voorzieningen Wet maatschappelijke ondersteuning 2008/begin 2009 ((B&W 09/0408)
De SP heeft het in haar vraagstelling een aantal keer over signalen van (veel) cliënten. Wij kunnen niet of slecht beoordelen om hoeveel mensen het gaat. De gemeente heeft naar aanleiding van de actieweken “Stop de zorgveiling” circa 59 bezwaarschriften ontvangen (ten opzichte van 2500 cliënten met hulp in natura). Het overgrote deel van deze bezwaarschriften ging over de beleidskeuze om het nieuwe systeem te hanteren an sich, en niet om een individueel gevolg voor de cliënt. Dit gedeelte van bezwaarschriften is om deze reden niet ontvankelijk verklaard.
In de correspondentie van de gemeente met de aanvragers wordt met geen woord gerept over het feit dat de verdeling van huishoudelijke zorg via dit systeem op een externe internetsite plaatsvindt. Laat staan dat er expliciet om toestemming wordt gevraagd.
1. Is het college met de SP eens dat clienten die een aanvraag doen voor huishoudelijke zorg volledig geinformeerd dienen te worden en ondubbelzinnig toestemming moet worden gevraagd om via dit systeem op een externe site 'geveild' te worden
Zo ja, waarom gebeurt dit dan niet?
Zo nee, is dit dan niet in strijd met wettelijke regelingen, zoals bijvoorbeeld de bescherming persoonsgegevens?
Waarom wordt door de gemeente niet expliciet de mogelijkheid geboden bezwaar te maken tegen het gebruik van het veilingsysteem?
Zowel bestaande cliënten als nieuwe cliënten voor huishoudelijke hulp zijn/worden persoonlijk geïnformeerd over het feit dat er per 1 januari 2009 met een nieuw systeem wordt gewerkt waarbij de gemeente uit tien aanbieders voor de cliënt een aanbieder selecteert, waarbij de voorkeur van de cliënt een rol speelt. Om deze voorlichting helder en begrijpbaar voor iedereen te houden, is deze informatie beknopt gehouden en ging deze niet in op alle details. Voor cliënten die zich nader willen verdiepen, is op de gemeentelijke website, www.leiden.nl/wmo, een aantal veelgestelde vragen met antwoorden opgenomen. Op deze wijze wordt het systeem voor deze groep tevens meer in detail toegelicht.
Om de selectie uit te voeren, wordt alleen een omschrijving van de hulpvraag (welke categorie hulp, hoeveel uur per week, in welk gedeelte van de stad, indicatieduur) kenbaar gemaakt aan alle tien aanbieders via een besloten gedeelte van de website van het bedrijf Stipter. Op het dynamisch selectiemodel worden dus alleen geanonimiseerde hulpvragen geplaatst. Deze geanonimiseerde hulpvragen zijn niet terug te herleiden tot een individuele cliënt. De privacy van cliënten is dan ook niet in het geding. Pas als de hulpvraag aan een bepaalde zorgaanbieder is toegewezen, krijgt deze aanbieder net als voorheen de naam en adresgegevens van de cliënt. De cliënt geeft voor dit laatste expliciet toestemming via het aanvraagformulier.
Op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning moet de burger aanspraak kunnen maken op ondersteuning in de vorm van huishoudelijke hulp. De wet bepaalt dat de cliënt de keuzemogelijkheid moet hebben tussen hulp in natura of een persoonsgebonden budget. Voor hulp bij het huishouden geldt bovendien dat de gemeente met meerdere aanbieders een contract moet sluiten. Voor invulling van de verplichting om hulp bij het huishouden in natura te bieden, hebben de gemeenten uit de Leidse regio gekozen voor het dynamisch selectiemodel.
Cliënten kunnen bezwaar aantekenen tegen de beschikking waarin wordt aangegeven of zij wel of geen recht hebben op hulp bij het huishouden. De wijze waarop er een aanbieder wordt geselecteerd, vorm geen onderdeel van deze beschikking.
De SP krijgt signalen binnen van mensen die niet op de hoogte waren van het feit dat zij waren 'geveild' en plotseling bemerkte dat zij bij een andere zorgaanbieder zaten.
2. Is het college ook met de SP eens dat de huidige informatie vanuit de gemeente verbeterd moet worden?
Zo ja, op welke wijze en op welk gebied zullen er wijzigingen komen?
Zo nee, hoe verklaart het college dan dat meerdere mensen niet op de hoogte bleken van dit systeem?
Wij beschouwen de informatievoorziening, inclusief veelgestelde vragen op gemeentelijke website, als toereikend.
De situatie waarop de SP lijkt te doelen, is het feit dat er een nieuwe selectie van een aanbieder aan de orde is, indien een bestaande cliënt geherindiceerd wordt. Cliënten met een aflopende indicatie, worden hierop door de gemeente gewezen alsmede op het feit dat een aanvraag noodzakelijk is. Bij de herindicatie wordt de cliënt door de gemeente nogmaals geïnformeerd over het dynamisch selectiemodel en wordt er naar diens voorkeur en anti-voorkeur gevraagd. Indien een cliënt tijdig de herindicatie heeft aangevraagd, ontvangt hij/zij in principe een paar weken voor de ingangsdatum van de nieuwe indicatie, een bericht van de gemeente welke aanbieder is geselecteerd.
Vanwege de overgang naar het nieuwe systeem kan in een aantal gevallen in januari en februari 2009 zijn voorgekomen, dat de termijn waarop een bestaande cliënt van een mogelijke verandering op de hoogte werd gebracht korter was, maar dit was een tijdelijke situatie.
In de beantwoording van schriftelijke vragen in de tweede kamer (ook van de SP) heeft minister Klink gezegd dat clienten altijd de mogelijkheid moeten hebben om deze vorm van selecteren te weigeren.
3. Wat is het alternatief van een client in Leiden, die weigert via dit systeem geveild te worden?
Hulp bij het huishouden in natura wordt door de <metricconverter productid="gemeente Leiden" w:st="on">gemeente Leiden</metricconverter> ingevuld via het dynamisch selectiemodel. Een andere manier voor hulp in natura (waarbij gemeente de hulp regelt en betaalt) is er niet. Het alternatief is dat de cliënt kiest voor een persoonsgebonden budget (PGB). Daarmee kunnen zij zelf hulp inkopen.
De beantwoording van de minister van VWS ging overigens over kraamzorg en niet over ondersteuning/hulp via de Wmo. Tussen kraamzorg en hulp bij het huishouden bestaan ten minste twee wezenlijke verschillen. Ten eerste geldt voor kraamzorg dat het een recht betreft op basis van een verzekering waarvoor een premie is betaald en ten tweede is er bij de kraamzorg geen alternatief in de vorm van een PGB aanwezig. In het licht van deze verschillen moet het antwoord van de minister over de kraamzorg worden gelezen.
De SP hoorde van clienten die tegen hun zin een PGB hebben aangevraagd om het veilingsysteem te omzeilen. Hierdoor worden zij opgezadeld met administratieve rompslomp die ze liever niet wilden hebben.
4. Is het college het met de SP eens dat een PGB geen gelijkwaardig alternatief is voor zorg in natura?
Zo ja, waarom en zo nee, waarom niet?
Wij willen allereerst stellen dat Hulp bij het huishouden via het dynamisch selectiemodel voorziet in een adequate voorziening in natura, waartoe de gemeente Leiden krachtens de wet een taak heeft. Wij zijn tevens van mening dat het PGB een gelijkwaardig alternatief van hulp in natura is. De hoogte van het PGB, opgenomen is het gemeentelijk Wmo-besluit, is daarop nadrukkelijk afgestemd.
Het PGB is in de kern wel een andere manier van verstrekken. Met een PGB heeft de cliënt namelijk de mogelijkheid om voor een voorziening te kiezen die duurder is dan de goedkoopst adequate voorziening die de gemeente in natura zou treffen en de extra kosten van die duurdere voorziening zelf te dragen. Naast vrijheid, hoort bij een PGB ook dat een cliënt eigen verantwoordelijkheid kan nemen en het kunnen omgaan met de bijbehorende verplichtingen. De vraag of het PGB voor een cliënt een geschikt of verstandig middel is, zal per individuele cliënt moeten worden bekeken.
Er zijn ons op dit moment nauwelijks gevallen bekend van mensen die vanwege de invoering van het nieuwe systeem een PGB hebben aangevraagd.
Het systeem is in Leiden sinds januari van dit jaar in werking getreden. De SP heeft begrepen dat er binnenkort een rapport uitkomt over huishoudelijke zorg in 2008, met ook cijfers van de eerste maanden van dit jaar en dus over de eerste ervaringen met het veilingsysteem.
5. Hoeveel mensen zijn er vanaf 1 januari via dit systeem 'geveild'? Om hoeveel nieuwe clienten gaat het hierbij en om hoeveel clienten die al huishoudelijke hulp ontvingen?
In de rapportage uitvoering individuele voorzieningen Wet maatschappelijke ondersteuning 2008/begin 2009 ((B&W 09/0408) is aangegeven dat tussen 1 januari en medio maart er voor ruim 300 Leidse cliënten een selectie heeft plaatsgevonden. Dit betreft grofweg 65% nieuwe cliënten en 35% bestaande cliënten. Bij 276 cliënten is de voorkeursaanbieder toegewezen, bij 34 cliënten niet. Daar waar de voorkeursaanbieder niet geselecteerd werd, kwam dat doordat de voorkeursaanbieder simpelweg niet intekende op de hulpvraag (niet meebood) of omdat de voorkeursaanbieder veel later kon starten met de hulp of dat deze veel minder prijskorting bood. Tot medio maart werd dus 87,7% van de cliënten toegewezen aan hun voorkeursaanbieder.
Veel clienten hebben principiele bezwaren tegen deze manier van zorgtoewijzing. Ook zijn er vele praktische bezwaren en ernstige klachten over de uitwerking van dit systeem in de praktijk.
6. In hoeverre is er de mogelijkheid om te stoppen met dit systeem. Wat zouden de consequenties zijn van het stopzetten?
De raamcontracten met de aanbieders voor hulp bij het huishouden zijn gesloten voor de duur van één jaar, dus tot en met 31-12-2009. Op zijn vroegst kan er per 1 januari 2010 dus gestopt worden met het dynamisch selectiemodel.
Wij zien overigens, mede gelet op de zorgvuldige en nadrukkelijke keuze voor dit systeem medio 2008 en de eerste positieve effecten op levering en levertijd nog geen enkele aanleiding om met het systeem te stoppen. Een eventuele aanpassing van het scoresysteem van het dynamisch selectiemodel in 2010, indien noodzakelijk en op basis van een evaluatie, ligt wat betreft ons College meer voor de hand.
Het streven was in het begin om 95% van de clienten de zorgaanbieder van zijn/haar keuze te laten krijgen. Inmiddels is dit bijgesteld tot 85 – 90%.
7. Waarom is dit getal gewijzigd? En wat is het nut van deze wijziging?
Er is geen sprake van een wijziging. In het Collegebesluit van 8 juli 2008 (B&W 08/0645) is vastgelegd dat het scoresysteem zodanig moet worden ingesteld dat bij bestaande cliënten, in minimaal 85 `a 90% van de gevallen, de voorkeursaanbieder gehonoreerd wordt.
8. Uit de eerste rapportage blijkt dat bijna 88% van de mensen de zorgaanbieder van hun keuze hebben toegewezen gekregen. Om hoeveel mensen gaat dit in totaal en hoe is dit gemeten?
Zie antwoord op vraag 5.
9. Is een percentage van bijna 13% van clienten dat NIET de zorgaanbieder van hun keuze hebben gekregen niet onacceptabel hoog? Hoe verhoudt zich dit tot de keuzevrijheid van clienten?
Het percentage van 13% acht ons College, gezien het streven om in minimaal 85 `a 90% van de gevallen de voorkeursaanbieder te honoreren, acceptabel. Het past ook bij het uitgangspunt van het systeem, namelijk keuzemogelijkheid voor cliënten maar niet tegen elke prijs.
Overigens is het goed om te realiseren dat in de situatie van 2007 en 2008, het veel vaker voorkwam dat de voorkeur van de cliënt niet kon worden gehonoreerd, omdat voorkeursaanbieders geen cliënten konden opnemen.
Het systeem is regionaal ingezet. De SP Leiden ontvangt inmiddels ook klachten uit Leiderdorp, Oegstgeest en Voorschoten.
10. Is er overleg met de regiogemeenten die ook met dit systeem werken?
Ja , zowel ambtelijk als bestuurlijk.
11. Heeft het overgaan op dit systeem voor verzwaring van werkdruk bij het zorgloket gezorgd?
Zo ja, hoe gaat dit opgelost worden?
Bij de invoering van het dynamisch selectiemodel was reeds voorzien dat het selecteren van een aanbieder per hulpvraag, het meer sturen op de kwaliteit van de hulp en de invoering van cliënttevredenheidsonderzoeken een taakverzwaring zou zijn voor de Unit Zorg, die de Wmo uitvoert. Deze taakverzwaring is in de formatieberekening voor 2009 meegenomen.
Het is de bedoeling om iedereen ieder jaar opnieuw te laten veilen, ook al is de indicatie voor meerdere jaren afgegeven.
12. Met welke bedoeling is deze afspraak gemaakt?
Het jaarlijks selecteren van een aanbieder voor elke cliënt heeft meerdere redenen, waaronder:
a) gelijke mogelijkheden voor bestaande en nieuwe aanbieders om cliënten aan zich te binden;
b) het scherp houden van de aanbieders op kwaliteit en prijs. Het prikkelen van aanbieders tot meer kwaliteit en het tegelijkertijd beheersen van de Wmo-uitgaven gaat niet samen met een volledige garantie van de voorkeursaanbieder richting cliënten. Bij de invoering van het nieuw systeem zijn deze beide belangen gewogen;
c) het risico dat een beperkt gedeelte van de cliënten door de werking van het systeem haar bestaande aanbieder verliest, is te prevaleren boven het systeem van periodiek op de “oude manier” aanbesteden, waarbij het risico is dat een bepaalde bestaande aanbieder helemaal buiten de boot valt en een veel grotere groep cliënten zijn aanbieder niet meer krijgt;
d) er wordt door gemeente per cliënt een afspraak met een aanbieder gemaakt in de vorm van een contract. Zo’n contract kan je niet sluiten voor de duur van de indicatie (vaak 5 jaar), omdat de wereld snel verandert. Wij hebben ervoor gekozen dat het contract per cliënt één jaar geldig is.
13. Welke gevolgen zal dit hebben voor zowel zorgaanbieders als clienten?
Gevolgen voor aanbieders zijn al genoemd in het antwoord op vraag 12.
Voor bestaande cliënten die tevreden zijn over hun bestaande aanbieder betekent het dat zij, bij het bieden van een goede prijs/kwaliteit door hun aanbieder, in de regel bij deze aanbieder kunnen blijven, maar dat dit niet volledig gegarandeerd is (streven is 85 à 90%).
Gevraagd door: R.A. van Gelderen (SP) op 8 mei 2009 -
Terugkeren veroordeelde pedo seksuele in woning nabijheid slachtoffer
-
(12 januari 2009)
De vragen zijn beantwoord door de Burgemeester.
De Minister van justitie heeft naar onze mening terecht besloten om burgemeesters in te lichten over terugkeer van veroordeelde Pedo seksuele in hun woonomgeving in de directe nabijheid van het slachtoffer.
In een artikel in het Leidsch Dagblad van de vorige week over deze zaak was het commentaar van de Leidse Burgemeester Henri Lenferink erg kortaf.
Hij melde dat hij er weer een stukje gereedschap erbij heeft gekregen in zijn gereedschapkist.
Deze uitspraak werkt nogal verwarrend vandaar dat de Fractie van Leefbaar
Leiden enkele vragen ter opheldering heeft.
Antwoord van de Burgemeester
(ingezonden 27 januari 2009)
1. Wat voor gevolgen heeft het voor de veroordeelde als de Burgemeester dit meld aan de woningbouwvereniging?
De minister van Justitie heeft aangegeven een wetswijziging te willen gaan doorvoeren om het mogelijk te maken burgemeesters te informeren over het vrijlaten van Pedoseksuelen. Deze wetswijziging moet nog worden voorgesteld en besloten. Uit het voorstel zal een kader blijken welke bevoegdheden de burgemeester krijgt aangewezen. Daaruit zal vervolgens blijken op welke wijze dit vorm gegeven kan gaan worden en of dat tot nadere afspraken, met onder andere de woningbouwverenigingen, moet leiden.
Afgewacht moet echter worden of, en zo ja op welke termijn de wetswijziging wordt doorgevoerd.
2. Moet de veroordeelde dan met dwang verhuizen naar een andere buurt in Leiden?
Zie antwoord bij vraag 1.
3. Zo ja wat denkt de burgemeester daar mee te bereiken als men na de verhuizing in de andere buurt er achter komt dat de nieuwe bewoner eens veroordeeld was voor een dergelijk delict?
Zie antwoord bij vraag 1.
4. Is het niet veel beter dat de Burgemeester van Leiden in een artikel in de pers er wat openlijker over zou hebben gesproken hoe hij dan wel met dat gereedschap om wenst te gaan. Want hier wordt op zijn minst erg onduidelijk over gedaan en daar is niemand mee gediend?
Aangezien nog moet worden afgewacht of, en zo ja op welke termijn de wet wordt gewijzigd is het nog niet mogelijk aan te geven hoe hier precies mee kan worden omgegaan.
5. Vraag is dus is de Burgemeester bereid om uit te leggen hoe hij van plan is om met deze materie in de toekomst om te gaan?
Ja, zodra de wettelijke basis hiervoor aanwezig is.
Gevraagd door: D. Sloos (LL) op 12 januari 2009 -
Situatie Winnersway
-
(24 augustus 2009 en 3 september 2009)
Ter inleiding op de beantwoording van deze vragen, wil het College de context van de werkzaamheden van Winnersway en de relatie die de gemeente met deze organisatie heeft schetsen.
Winnersway bestaat uit twee delen: de Stichting Winnersway Verslavingszorg en de Stichting Winnersway WerkProjecten. Verslavingszorg beheert twee locaties voor kleinschalig wonen voor verslaafden, één locatie met 30 plaatsen voor mannen aan de Turkooislaan en één locatie met 8 plaatsen voor vrouwen aan de Lammenschansweg. WerkProjecten organiseert concrete werkplekken waar de bewoners van Verslavingszorg re-integreren. De werkactiviteiten worden uitgevoerd vanuit de Hoge Morsweg 160. Voor het tijdelijk gebruik van deze locatie (grond met portocabins en loodsen) is de gemeente een gebruikersovereenkomst voor onbepaalde tijd met Winnersway overeengekomen.
De begeleiding die wordt geboden vanuit Verslavingszorg wordt, op basis van de erkenning van het agentschap CIBG van het ministerie van VWS d.d. 1 december 2008, gefinancierd door het Zorgkantoor Zuid-Holland Noord/Amstelland en de Meerlanden uit de AWBZ (rijksmiddelen). Naar aanleiding van berichtgeving in de media zijn zowel de Inspectie voor de Gezondheidszorg als het Zorgkantoor een onderzoek gestart naar de kwaliteit van de zorg bij Verslavingszorg. Het rapport van de Inspectie is openbaar, van het rapport van het Zorgkantoor is een verkorte versie openbaar gemaakt. Beide zijn te vinden op de website van het ministerie van VWS.
De conclusies die beide instanties trekken zijn zorgelijk. Uit beide rapporten blijkt dat de kwaliteit van de zorg niet voldoet aan de eisen die het Rijk hieraan stelt, onder meer waar het gaat om de inhoud en opbouw van de zorg en keuzevrijheid van de cliënt.
Bovendien heeft het Zorgkantoor, ernstige twijfels bij het gebrek aan transparantie rond de opbrengsten van de werkprojecten. Deze opbrengsten staan, zo stelt het rapport, niet in verhouding tot de kosten en komen niet ten goede aan de cliënten. Er lijkt sprake van dubbelfinanciering (AWBZ, inzet van uitkeringsgelden en opbrengsten van derden). Op dit punt is de gemeente al voor de zomer in gesprek gegaan met Winnersway, aangezien hier wel gemeentelijke middelen (WWB-uitkeringsgelden) bij betrokken zijn. Op dat moment hebben wij ook aan gemeentelijke diensten de mededeling gedaan geen diensten/werk af te nemen van Winnersway.Het Rijk heeft Winnersway een termijn geboden waarbinnen de gestelde tekortkomingen opgelost dienen te zijn. Voor bepaalde punten geldt dat de organisatie deze per ommegaande diende te implementeren. Dat is, zo blijkt uit rapport van de Inspectie, gebeurd. Voor de overige verbeterpunten is een hersteltermijn gesteld. Uiterlijk 31 augustus 2009 diende Winnersway aan te geven hoe de verbetering gerealiseerd zou worden. Op dit moment is het verbeterplan van Winnersway onderwerp van gesprek tussen de organisatie en respectievelijk de Inspectie en het Zorgkantoor. Het Zorgkantoor heeft laten weten dat het verbeterplan vooralsnog niet voldoet aan de gestelde eisen, en is nog in gesprek met Winnersway over de vereiste verbeteringen.
De gemeente had en heeft geen directe betrokkenheid bij Winnersway. Het is geen gesubsidieerde instelling, noch heeft de gemeente in het kader van re-integratie een contract met Winnersway. Er worden dan ook geen gemeentelijke re-integratiemiddelen aan Winnersway verstrekt. Cliënten van Werk, Inkomen en Zorg maken op vrijwillige basis gebruik van de dienstverlening van Winnersway. Op dit moment wonen zeven cliënten met uitkering op basis van zak-en kleedgeld (WWB) van WIZ in een huis van Winnersway. De gemeente maakt, op basis van een machtiging van de cliënt, deze gelden rechtstreeks over aan Winnersway .
De praktijk is, zo laat ook het rapport van het Zorgkantoor zien, dat cliënten instromen uit andere gemeenten (m.n. Amsterdam). Wanneer zij zich vervolgens bij Winnersway in Leiden vestigen, vragen zij hier een uitkering aan. De contacten met Winnersway bestaan dan reeds – de gemeente verwijst geen cliënten naar deze organisatie.Ondanks het feit dat er geen formele opdrachtgever – opdrachtnemer relatie is tussen de gemeente en Winnersway, acht het College het wel van groot belang dat de activiteiten die door Winnersway worden uitgevoerd transparant, zorgvuldig en met respect naar de deelnemers worden uitgevoerd. Het betreft immers inwoners van de gemeente, waaronder cliënten van WIZ, die gebruik maken van de dienstverlening. Op grond van haar zorgplicht heeft de gemeente zich dan ook, naast de onderzoeken die door de Inspectie en het Zorgkantoor zijn uitgevoerd, uitgebreid laten informeren over de uitvoering van de werkzaamheden. Hier wordt in de beantwoording van de vragen nader op ingegaan.
De gemeente kan geen formele stappen ondernemen richting Winnersway. Het College sluit zich dan ook noodzakelijkerwijs aan bij de opmerkingen die verantwoordelijk staatssecretaris Bussemaker heeft gemaakt in antwoord op vragen van de Tweede Kamer. Zij benadrukte bovendien dat er geen AWBZ middelen ingezet mogen worden voor financiering van religieuze instellingen. Tevens heeft de staatssecretaris expliciet uitgesproken dat zij tot een aanwijzing zal overgaan indien “er sprake is van risicovolle situaties voor patiënten/cliënten en/of onverantwoorde kwaliteit van zorg” (zie brief aan Tweede Kamer d.d. 21 augustus jl). Het College kan zich vinden in deze uitspraken en zal de staatssecretaris steunen indien zij zich genoodzaakt ziet op te treden.
Antwoord van Burgemeester en Wethouders
(ingezonden 15 september 2009)
1. U stelde op 31 maart 2009 dat er uw indruk was dat de ervaringen met Winnersway goed zijn. Hoe kijkt het College nu aan tegen de uitspraak dat de ervaringen goed zijn en wat is op dit moment de opvatting van het College over Winnersway?
De conclusies uit de rapporten van de Inspectie en het Zorgkantoor zijn inderdaad zorgelijk. Op 31 maart jl. waren de ervaringen van de gemeente met de cliënten van Winnersway niet negatief. De oorzaak van deze ogenschijnlijke tegenstrijdigheid ligt in de verschillende verantwoordelijkheden, zoals hierboven uiteengezet. De Inspectie en het Zorgkantoor beoordelen de kwaliteit van de zorg, om te kunnen bepalen of AWBZ middelen juist worden ingezet. De gemeente beoordeelt de dienstverlening allereerst op het resultaat uitstroom naar (regulier) werk, dan wel een resultaat in de vorm van (meer) maatschappelijke participatie. In 2008 was het resultaat van Winnersway beter dan de gemiddelde resultaten van re-integratiebedrijven (uitstroom van 8 van de 10 deelnemers, waarvan 4 naar betaald werk). Re-integratiebedrijven worden hiervoor betaald uit re-integratiemiddelen maar Winnersway niet.
Een tweede graadmeter voor de gemeente zijn de ervaringen van cliënten. Via consulenten en casemanagers zijn het afgelopen jaar geen klachten binnengekomen over de dienstverlening van Winnersway. In het verleden, dat wil zeggen een jaar en langer geleden, zijn klachten van cliënten binnengekomen over Winnersway. Het ging daarbij onder meer om klachten over de bejegening die voortvloeit uit de afspraken die cliënten zelf met Winnersway hebben gemaakt. Over deze klachten is door WIZ gesproken met Winnersway (24 november 2008).
Ten slotte is dit voorjaar onderzoek gedaan door de sociale recherche naar mogelijke uitkeringsfraude. Hiervan bleek geen sprake.Dit gematigd positieve beeld rond re-integratie en uitkeringen wijkt af van waarnemingen, zoals dit voorjaar in het Leidsch Dagblad naar voren kwamen, op het terrein van de zorg. Aangezien niet het College maar het Rijk hier een formele verantwoordelijkheid in heeft, heeft het College haar oordeel ten aanzien van de zorg gebaseerd op de rapporten van de Inspectie en het Zorgkantoor.
Hoewel de gemeente formeel geen verantwoordelijkheid heeft, voelt zij deze moreel wel. Daarom is Winnersway naar aanleiding van de publiciteit uitgenodigd voor een gesprek. Dit gesprek heeft op 22 april jl. plaatsgevonden tussen het management van WIZ en de directie van Winnersway, in de persoon van de heren R. Sieval (directeur) en D. Sieval (Werkprojecten). In dit gesprek is door de directie uitleg gegeven over hun werkwijze. Daaruit is het volgende beeld naar voren gekomen over de werkwijze van Winnersway:
cliënten van Winnersway komen daar om af te kicken en toegeleid te worden naar regulier werk;
dat gebeurt door een combinatie van inwonen, dagbesteding en opleiding (in groepsverband);
elke groep bestaat uit 3 tot 5 personen, waarop één begeleider is. In totaal zijn vijf begeleiders in dienst;
een werkgever die werk wegzet bij WerkProjecten, betaalt hiervoor € 325,- per groep per dag. Hieruit worden de kosten voor de begeleiding, materiaal, (beschermende) kleding en vervoer betaald.In dit gesprek is door de gemeente een moreel appèl gedaan om de publieke kritiekpunten ter harte te nemen en te verbeteren. Verhinderen dat Winnersway potentiële cliënten benadert die naar Leiden komen om bij Winnersway te wonen, kunnen wij niet. Wel is direct in het voorjaar aan alle gemeentelijke diensten en bedrijven de mededeling gedaan geen diensten of werk (meer) af te nemen van Winnersway. In het verleden heeft DZB werk dat zij zelf niet konden uitvoeren door cliënten van Winnersway laten uitvoeren. Deze werkwijze was reeds sinds langere tijd gestopt.
2. Na het lezen en zien van bovengenoemd rapport, de berichten en de uitzending vraagt de PvdA zich af hoe het kan dat de gemeente overleg voerde en in zekere zin samenwerkte met deze instelling, en blijkbaar geen enkel inzicht had in de interne situatie of werkwijze van de instelling. Kan het College dit toelichten? Welke conclusies trekt het College uit deze situatie wat betreft samenwerking met en controle op instellingen die verslaafden of andere kwetsbare groepen als cliënt hebben?
De term ‘samenwerking’ is zoals blijkt uit bovenstaande inleiding en de beantwoording van vraag 1 niet op zijn plaats. Er is geen overeenkomst met Winnersway, noch is er een regulier overleg. Er is dan ook geen sprake van ‘samenwerking met’ of ‘controle op’, zoals in de vraag wordt gesteld. De gemeente heeft geen betrokkenheid bij en toegang tot de interne bedrijfsvoering van andere organisaties, wanneer hier geen aanleiding toe is en wanneer de zakelijke verhouding hier niet toe verplicht.
De enige relatie is dat enkele cliënten van Werk, Inkomen, Zorg op vrijwillige basis ook cliënt zijn of waren van Winnersway. Deze cliënten staat het uiteraard vrij om hun inkomsten, in dit geval een WWB-uitkering, naar eigen inzicht te besteden. Cliënten storten hun inkomsten op een rekening van Winnersway die vervolgens het geld voor hen beheert. Dit vooral omdat, zoals ook in het rapport van de Inspectie te lezen is, deze cliënten niet of slecht met geld kunnen omgaan. Dit is niet uitzonderlijk; het afgeven van een machtiging aan WIZ om middelen elders in beheer onder te brengen of rechtstreeks naar bijvoorbeeld een corporatie over te maken gebeurt vaker wanneer cliënten moeite hebben om met geld om te gaan.
Op grond hiervan zijn er contacten tussen individuele cliënten en casemanagers en/of consulenten van WIZ. Incidenteel zijn er contacten tussen consulenten/casemanagers WIZ en begeleiders van individuele cliënten. Er zijn geen gesprekken met het management van Winnersway over de voortgang van trajecten.3. Op 7 april zegde u toe “betrokken cliënten actief te zullen laten benaderen om naar hun tevredenheid te informeren”. Is dit gebeurd? Zo ja, wat zijn hiervan de resultaten? Zo nee, waarom is dit niet gebeurd en wanneer gebeurd dit alsnog?
Allereerst de opmerking dat ook naar aanleiding van de berichtgeving in de media geen klachten binnengekomen zijn bij casemanagers. Desondanks zijn in de loop van de zomer alle cliënten die bij Winnersway betrokken zijn en een WWB-uitkering ontvangen actief (per brief) uitgenodigd. Nog niet iedereen is gesproken, uit de eerste contacten komen echter geen ontevreden signalen naar voren.
4. Is er na publicatie van het IGZ rapport overleg geweest met Winnersway over de situatie? Zo ja, wat is er besproken? Zo nee, wanneer vindt dit overleg plaats?
Zoals gezegd is eind april een gesprek geweest met de directie van Winnersway. De Inspectie, en het Zorgkantoor, zijn ervoor verantwoordelijk te bewaken dat de vereiste verbeteringen worden gerealiseerd. Omdat de gemeente op dit terrein geen bevoegdheden heeft, volgen wij deze ontwikkelingen nauwlettend en hebben wij regelmatig contact met beide instanties. Het College heeft er alle vertrouwen in dat Inspectie en Zorgkantoor dit nauwkeurig volgen, zoals ook blijkt uit de (helaas teleurstellende) berichtgeving in het Leidsch Dagblad van 8 september jl. en de beantwoording van staatssecretaris Bussemaker tijdens het spoeddebat diezelfde dag.
5. Is de cliënten die gebruik maken van Winnersway inmiddels expliciet duidelijk gemaakt waar het bij Winnersway aan schort en is hen een alternatief geboden? Zo ja, hoeveel cliënten hebben hier gebruik van gemaakt? Zo nee, gaat dit gebeuren en zo ja, wanneer?
Aangezien de conclusies en aanbevelingen van zowel de Inspectie als het Zorgkantoor openbaar zijn, kunnen cliënten deze informatie zelf tot zich nemen. Een keuze van cliënten voor Winnersway is een vrijwillige keuze. Voor die cliënten die ook cliënt bij WIZ zijn, zijn er alternatieve (re-integratie) trajecten mogelijk. Indien tijdens de gesprekken met deze cliënten blijkt dat zij elders een traject willen, dan zal WIZ daarin ondersteunen.
6. Kan het College ons nog informeren over andere ontwikkelingen in dit dossier? Zo ja, dan graag.
In aanvulling op de tekst in de inleiding en de antwoorden op m.n. vraag 1 kunnen wij u kort verslag doen van het spoeddebat in de Tweede Kamer dat op 8 september jl. plaatsvond. Staatssecretaris Bussemaker deelt de mening van de Tweede Kamer dat de beide rapporten aanleiding tot zorg geven. Daarom heeft zij zowel de Inspectie als het Zorgkantoor verzocht de verbeteracties van Winnersway nauwlettend te volgen. Hieruit blijkt dat er, sinds de eerste contacten van de Inspectie in april, al een aantal verbeteringen zijn gerealiseerd en dat Winnersway bezig is ook de verdere stappen te zetten. Het is, ook naar het oordeel van de staatssecretaris, nog niet voldoende en Winnersway blijft dan ook onder nauwlettende aandacht van beide instanties staan. Op dit moment acht de staatssecretaris onvoldoende grond aanwezig om Winnersway te sluiten, omdat er geen sprake is van acuut gevaar.
Eerder heeft het Zorgkantoor wegens geconstateerde gebreken de bevoorschotting in het kader van de AWBZ aangepast. De rechter achtte dit besluit niet redelijk en billijk. Het Zorgkantoor heeft daarop deze maatregel teruggedraaid.7. Waarom zijn wij tot nu toe nog niet geïnformeerd over de stappen die het College naar aanleiding van de toezeggingen in maart/april heeft gedaan en over eventuele stappen die het College of andere partijen gaan nemen of hebben genomen naar aanleiding van het rapport en waarom heeft het College niet uit zichzelf een reactie gestuurd op het rapport?
Op verzoek van het Rijk is afgesproken om tegelijkertijd de uitkomsten van de onderzoeken naar het zorg en naar het inkomensaspect te presenteren. De Leidse werkzaamheden waren reeds voor het zomerreces grotendeels afgerond. De werkzaamheden rond het IGZ rapport waren toen nog gaande. Helaas is door miscommunicatie het rapport van het Rijk alsnog op een zelfstandig moment naar buiten gebracht. Het college is niet om een reactie op het rapport gevraagd en heeft, evenals de raad, via de media kennis moeten nemen van de inhoud.
8a. Klopt het dat de verdiensten van cliënten van Winnersway tot 2005 opgegeven werden bij sociale zaken om met de uitkering verrekend te worden, maar dat dat na het failliet gaan van de BV en de oprichting van stichting Werkprojecten niet meer werd gedaan?
Mensen met een WWB uitkering moeten hun inkomsten altijd opgeven. Zij ontvangen daarvoor maandelijks een inkomstenverklaring. Dat was voor 2005 zo en dat is na 2005 niet veranderd. Deze verplichting geldt voor alle klanten, ook voor bewoners van Winnersway.
8b. Welke actie is hierop van sociale zaken ondernomen?
N.v.t. gelet voorstaande beantwoording.
9. Heeft het College inzicht (nu en in het verleden) in de geldstromen binnen de stichting Werkprojecten? Zo ja, klopt het dat de begeleiding van cliënten in werktrajecten zowel bij werkgevers gedeclareerd werd als uit zorggelden gedekt?
Het is het College niet mogelijk gebleken om een nader inzicht te verkrijgen in de geldstromen van Winnersway. Van de kant van Winnersway is aangegeven dat het geld dat van derden ontvangen werd voor de verrichte werkzaamheden besteed werd aan begeleiding van de cliënten van Winnersway en dat cliënten zelf geen inkomsten ontvingen die verdiend werden met werkzaamheden. Het rapport van het Zorgkantoor stelt dat er onvoldoende transparantie is in de verschillende geldstromen. Gezien de beperkte transparantie in de geldstromen van Werkprojecten, en de substantiële omvang van deze geldstromen, blijft het College dit een zorgelijk aspect vinden. Onderzoek naar de geldstromen, onder meer naar het mogelijk niet afdragen van premies is een bevoegdheid van de SIOD. Het College heeft het SIOD, naar aanleiding van het rapport van het Zorgkantoor en de eigen bevindingen, verzocht om dit onderzoek uit te voeren. Zodra de uitkomsten daarvan bekend zijn, zal het College de Raad hierover – voor zover binnen onze mogelijkheden - informeren.
Onze bronnen melden ons dat cliënten die weg wilden werden bedreigd met het stopzetten van de uitkering. Als cliënten weg gingen gaf Winnersway dit aan de gemeente door en werd de uitkering stopgezet. Cliënten moesten zich dan als dakloze inschrijven bij De Bakkerij en opnieuw een uitkering aanvragen, wat zes weken duurde. Dat deden cliënten niet, omdat ze geen middelen hadden om die zes weken door te komen.
10. Is dit beeld ook naar voren gekomen in de gesprekken die (zo nemen wij aan) inmiddels me (ex-)cliënten hebben plaatsgevonden?
Om uitkeringsfraude te voorkomen is de afspraak met Winnersway dat het direct wordt doorgegeven wanneer een cliënt niet langer meer verblijft/woont op het adres van Winnersway. Een cliënt is zelf overigens ook verplicht een wijziging in de woonsituatie door te geven. Als een cliënt vertrokken is met onbekende bestemming wordt de uitkering beëindigd. Dit is mede relevant omdat een groot deel van de cliënten niet uit Leiden afkomstig is. Als de cliënt zich vervolgens weer meldt bij WIZ wordt de aanvraag in behandeling genomen en versneld afgehandeld. Als een cliënt dakloos is moet hij zich inschrijven op het adres Papegaaienbolwerk, het gemeentelijke adres voor dak- en thuislozen. Als de aanvraag langer dan vier weken duurt wordt er een voorschot verstrekt ter hoogte van de uitkering. Dat is een standaard procedure, conform de wettelijke verplichting. Er kunnen op verzoek van de cliënt ook eerder voorschotten verstrekt worden. De situatie waarin cliënten zes weken geen inkomsten ontvangen kan dus niet voorkomen.
11. Klopt het dat uitkeringen beëindigd werden als cliënten Winnersway verlieten?
De uitkering van een klant die verblijft op het adres Winnersway wordt bij vertrek alleen beëindigd indien niet bekend is waarheen betrokkene vertrokken is. Hij/zij kan immers Leiden verlaten hebben en geen recht meer hebben op een uitkering. Indien een nieuw verblijfsadres binnen Leiden bekend is, blijft de uitkering gehandhaafd.
Gevraagd door: R. VAN LAAR (PvdA) op 24 augustus en 3 september 2009
