Home /Bestuur /Schriftelijke vragen / Jeugd en onderwijs

Schriftelijke vragen van raad aan B&W

Toon alles / Verberg alles

FAQ uit/inklappen brief wethouder "kies baan met toekomst

(ingekomen 22 juni 2010)

Met verbazing heeft de fractie van Leefbaar leiden (LL) kennis mogen nemen van een actie van wethouder De Haan (CDA wethouder Werk en Inkomen). Het gaat bij deze om een artikel in het Leidsche Dagblad van dinsdag 1 juni.(bijlage 1) LL vindt het niet wenselijk dat een wethouder vanuit een of andere voorzitterschap een brief met de titel "Kies een baan met toekomst" rechtstreeks naar de ouders van leerlingen schrijft.

Antwoord van Burgemeester en Wethouders

(Ingezonden 29 juni 2010)

1. Staat uw college achter de strekking van deze brief?

De brief is geschreven namens de stuurgroep Regionaal Actieplan Jeugdwerkloosheid. In de stuurgroep zitten de volgende mensen:

Dhr. J.J. de Haan, gemeente Leiden, regiogemeente voor de uitvoering van het Actieplan
Dhr. T. de Bakker, UWV Werkbedrijf
Dhr. H. Frankes, Werkgevers,
Dhr. C. Broeksma, Kamer van Koophandel,
Dhr. S. Bouddouft, Werknemers
Dhr. J. van Gaal, Beroepsonderwijs
Dhr. A. de Roon, gemeenten Holland Rijnland
Dhr. M. du Chatinier, gemeenten Rijnstreek
Dhr. J. Fleer, COLO
Mevr. A. Standhart, RPA Rijngouwe
Mevr. J. M. Valk, Regionaal Actieplan Jeugdwerkloosheid

Het college steunt de doelen, inzet en acties van deze stuurgroep om jeugdwerkloosheid te voorkomen. Goede informatie aan ouders en leerlingen over perspectief en risico’s is een onderdeel van deze aanpak. 

2. Heeft de wethouder overleg gehad met z’n collega wethouder onderwijs alvorens de brief te schrijven?

Er is geen overleg geweest met collega wethouder onderwijs. Het Actieplan jeugdwerkloosheid en de daarbij ebhorende acties vallen onder de verantwoordelijkheid van de wethouder Werk en Inkomen. Er is wel overleg geweest met de onderwijsinstellingen.

3. Hoe komt de wethouder aan de adresgegevens van de leerlingen?

De adresgegevens zijn bij de VO scholen opgevraagd door het projectteam Regionaal Actieplan Jeugdwerkloosheid, ondergebracht bij de gemeente Leiden, en geleverd door de VO scholen zelf. De brief is ook verstuurd in de regio Rijnstreek, daar kwam de suggestie de adresbestanden te gebruiken van bureau leerplicht.

4. Was het niet beter geweest de ouders c.q. leerlingen vanuit de scholen te benaderen?

In het rectorenoverleg is aangegeven dat de stuurgroep voornemens had deze brief te sturen. Vanuit één van de VO scholen is aangegeven dat scholen het erg druk hebben in de periode april/mei. Om de scholen te ontlasten is de brief daarom vanuit de projectorganisatie van het Regionaal Actieplan Jeugdwerkloosheid verstuurd.

5. Is er over nagedacht wat voor impact dit schrijven op leerlingen en ouders heeft die reeds ingeschreven staan voor de opleidingen die wethouder De Haan in z’n schrijven opsomt?

Er is in het samenwerkingsverband gesproken over de consequenties van de brief. In het samenwerkingsverband, waarin ROC’s, Colo/landelijke kenniscentra, de voorzitter van de Stuurgroep en de projectleider van het Regionaal Actieplan Jeugdwerkloosheid zitting hebben, is uitgebreid gesproken over de stageproblematiek en de gevolgen voor leerlingen indien er geen stageplek in de betreffende beroepsopleiding is. De brief is één van de acties die uitgezet is om te voorkomen dat jongeren uiteindelijk niet aan hun opleiding kunnen beginnen in de BBL. Zonder arbeidsovereenkomst moeten jongeren uiteindelijk dit onderwijstraject verlaten of overstappen naar een BOL traject.

6. Scholen die de opgesomde richtingen aanbieden zullen dit ongetwijfeld merken in de afname in leerlingenaantallen. Heeft de wethouder nagedacht over de gevolgen die zijn schrijven voor scholen kan hebben? 

Het besluit om deze brief te schrijven is ook een besluit van de ROC’s. De consequenties van de afname van het aantal leerlingen in specifieke richtingen zijn bekend bij de ROC’s. Leerlingen die een opleiding vanwege het ontbreken van een arbeidsovereenkomst in de BBL niet kunnen afmaken, of opgeleid worden in een sector waarbij de verwachting is dat er niet of nauwelijks werk te vinden is, zijn risico leerlingen. Zij dreigen hun startkwalificatie niet te halen en/of werkloos te worden.
 
Ouders vinden dat de wethouder te laat met deze brief komt (mosterd na de maaltijd bijlage II); de inschrijvingen zijn reeds in februari geweest.

De inschrijvingen van leerlingen start in februari. De acties van de ROC’s zijn erop gericht dat leerlingen zich voor 1 april inschrijven. De ervaring is dat per 1 mei pas ongeveer 50% van de leerlingen zijn ingeschreven bij de ROC’s. Met name voor de groep leerlingen die twijfelt tussen verschillende beroepen kunnen in hun afweging meenemen wat de kansen zijn op de arbeidsmarkt.
 
7. Wat is de reden voor deze late actie?
De analyse van de cijfers jeugdwerkloosheid en stagetekorten is bepalend geweest voor deze actie.
 
De door de rijksoverheid verzonnen maatschappelijke stage dreigt- vanwege tekort aan stageplaatsen - een fiasco te worden. 
 
8. Is de wethouder dit in ogenschouw nemend alvast begonnen met stageplekken te creëren voor de  leerlingen uit het voortgezet onderwijs door mbo - leerlingen van de beroepsbegeleidende leerweg op school te houden?

Een belangrijk speerpunt in het Actieplan Jeugdwerkloosheid is aandacht voor het verwerven van stages. In de Leidse regio zijn diverse afspraken gemaakt tussen partijen, om vooral te zorgen dat er voor jongeren stageplaatsen zijn en op tijd te signaleren zijn waar er geen stageplaatsen/arbeidsplaatsen zijn. Bijvoorbeeld in de zorg op niveau 1 en 2, de bouw, administratie en daarop te sturen.
Tevens wordt in de verzonden brief de ouders gevraagd te kijken of er mogelijkheden zijn binnen hun bedrijf stageplekken te genereren.
  


Gevraagd door: D. SLOOS (LL) op 22 juni 2010
FAQ uit/inklappen Loverboys in Leidse regio

(Ingekomen 2 juni 2010)

Vorige week verscheen in het Leidsch Dagblad een bericht over het aantal meldingen en slachtoffers van loverboys in de Leidse regio. voor het eerst geeft de  politie  duidelijk aan dat loverboys actief zijn de Leidse regio en dat er meisjes het slachtoffer worden van hun praktijken. De politie meldt ook dat gesprekken met betrokken meisjes het aantal slachtoffers heeft beperkt.
De PvdA wil voorkomen dat meisjes slachtoffer worden van loverboys. Daar hebben we al eerder aandacht voor gevraagd. De PvdA wil op grond van artikel 45 van het reglement van orde voor de vergadering van de gemeenteraad de volgende vragen stellen:

Antwoord van Burgemeester en Wethouders

(ingezonden d.d. 22 juni 2010)


1. Waren de in het genoemde artikel in het Leidsch Dagblad opgenomen cijfers nieuw voor het College? Zo nee, waarom is de raad niet eerder geïnformeerd over deze cijfers?

Ja, de in het artikel in het Leidsch Dagblad opgenomen cijfers waren nieuw voor ons en naar buiten gebracht door de korpsrecherche.

Het interview had betrekking op de gehele politieregio Hollands-Midden, waar ca 750.000 mensen wonen.
De in het artikel opgenomen informatie dient mede daarom genuanceerd te worden. Het artikel is geschreven naar aanleiding van een op 26 mei jl. door de politie georganiseerd persgesprek waarin het thema mensenhandel/loverboys aan de orde is gesteld. Voor dit onderwerp is gekozen om deze problematiek voor het voetlicht te brengen om de bewustheid te vergroten bij ouders, verzorgers en jongeren en daarmee het risico van slachtofferschap te verkleinen.

In het artikel wordt voor de gehele politieregio Hollands-Midden gesproken over meer dan 70 tips en meldingen over mensenhandel (dus niet alleen mbt loverboys). Deze tips/meldingen komen vanuit de gehele regio binnen. Het gaat hier om  signalen die kunnen duiden op mensenhandel. Deze signalen komen van bezorgde verzorgers, scholen, jeugdinstellingen en/of vrienden of familieleden. Na binnenkomst moet de politie allereerst onderzoeken of er daadwerkelijk sprake is van mensenhandel of niet en dat is arbeidsintensief en tijdrovend.
Navraag bij de politie levert op dat het voor de gemeente Leiden om 17 meldingen van mensenhandel ging. Van die 17 meldingen hadden er 10 betrekking op loverboyproblematiek.

Voor de duidelijkheid zijn hieronder de in het persgesprek gehanteerde cijfers van de politie voor Hollands Midden en Leiden op een rij gezet: •

Situatie in 2009 Hollands Midden
(inclusief Leiden) Waarvan in
Leiden
Binnengekomen meldingen van mensenhandel 71 17
Waarvan met betrekking tot loverboys 37 10
Opgenomen aangiften van slachtoffers   4    2*
* Betreft twee slachtoffers die woonachtig zijn in Leiden, maar die buiten politieregio Hollands Midden het slachtoffer zijn geworden van een loverboy/pooierboy.

Naar aanleiding van de binnengekomen meldingen in de regio Hollands-Midden heeft de politie onderzoek ingesteld waarbij slechts in een beperkt aantal gevallen daadwerkelijk sprake bleek te zijn van mensenhandel. In de meeste gevallen bleek er niets aan de hand te zijn of was de politie nog op tijd om te voorkomen dat een meisje slachtoffer zou worden.

Overigens wordt er in het LD-artikel voor de gehele regio gesproken over acht zekere slachtoffers terwijl dit er in werkelijkheid vier zijn, zoals ook genoemd in het persgesprek. Er werd nog wel met vier andere potentiële slachtoffers een zogenaamd intakegesprek gevoerd om te kunnen beoordelen of er daadwerkelijk sprake was van een slachtoffer. Dit laatste bleek bij deze vier meisjes niet het geval.

Omdat er binnen Leiden geen tippelzones of andere ontmoetingslocaties zijn om in de prostitutie aan het werk te gaan (legale prostitutie uitgezonderd) vind je Leidse slachtoffers elders in het land, in de nabijheid van de loverboys, terug. Zo zijn de twee aangiften van Leidse slachtoffers voor afhandeling doorgezonden naar andere politieregio’s. Het blijft altijd mogelijk dat meer mensenhandelincidenten in Hollands Midden bestaan dan bij de politie bekend is. Dit omdat het delict achter gesloten deuren plaatsvindt in een branche die moeilijk controleerbaar is, waarbij slachtoffers bovendien niet altijd aangifte durven doen.

2. Is het College het met de PvdA eens dat goede voorlichting op scholen en via het jongerenwerk beter is dan voorlichting als meisjes al (bijna) slachtoffer zijn van een loverboy? Zo ja, is de voorlichting over loverboy praktijken de afgelopen jaren verbeterd?

Wij onderschrijven het belang van een goede voorlichting om op die manier slachtoffers te voorkomen. De aandacht voor dit onderwerp en daarmee de voorlichting is de afgelopen jaren verbeterd. Het onderwerp loverboys is regionaal belegd bij het Steunpunt Huiselijk Geweld en vandaar uit is een coördinator actief op gebied van preventie.
Door de vreemdelingenpolitie (VP), in nauwe samenwerking met de sociale jeugd en zeden politie (SJZP), wordt regelmatig voorlichting gegeven op scholen en in jeugdzorginstellingen. Ook op deze wijze wordt getracht bewustwording op gang te brengen op het thema mensenhandel in relatie tot de prostitutie om het risico van slachtofferschap te verkleinen.

3. Wat gaat het College doen om ervoor te zorgen dat er minder meisjes het slachtoffer worden van loverboys?

Er is een preventieprogramma beschikbaar voor vmbo-onderwijs en (semi-) residentiële instellingen. Inmiddels hebben drie scholen in Leiden hieraan meegedaan met in totaal 330 leerlingen. Na de zomer vindt verspreiding van het aanbod plaats op alle scholen. Gezien het enthousiasme tot nu toe lijkt werving geen probleem (vestigingen van Leonardo DaVinci, Bonaventura en Visser ‘t Hoofd hebben al meegedaan)
In de preventiegids Gezondheidsvoorlichting en –opvoeding (GVO) die voor de zomer naar het voortgezet onderwijs gestuurd zal worden door de GGD, is de informatie over het aanbod loverboys ook opgenomen. Ook Stichting  MEE heeft een cursusaanbod en geeft op verzoek voorlichting op speciaal onderwijs.
Met het Curium LUMC, academisch centrum voor  kinder- en jeugdpsychiatrie, is contact voor een training op maat voor professionals zodat ze de signalen binnen het aandachtsgebied loverboys kunnen oppakken.
Via het jongerenwerk is er informatie beschikbaar middels de informatiepunten die aanwezig zijn in elke accommodatie van het jongerenwerk(JIP).  

 


Gevraagd door: FRACTIE PVDA op 2 juni 2010
FAQ uit/inklappen Beschikbaarstelling middelen onderwijshuisvesting

(Ingekomen 3 februari 2010)

Sinds 1997 is huisvesting van scholen voor basis- en voortgezet onderwijs een gemeentelijke verantwoordelijkheid. De gemeente ontvangt daartoe jaarlijks een uitkering in het gemeentefonds. Het vermoeden bestond reeds lang dat gemeenten, ook Leiden, deze middelen niet volledig besteden aan het doel waarvoor ze bestemd zijn, nl.  het  verbeteren van de huisvesting van scholen. Naar aanleiding van een recente publicatie van de Algemene Onderwijsbond (Aob) heeft de fractie van D66 Leiden onderzoek doen verrichten naar de mate waarin het Leidse college in de afgelopen jaren de financiële middelen voor onderwijshuisvesting ook daadwerkelijk aan dit doel besteed heeft. De conclusie luidt dat in de voorbije 4 jaar elk jaar opnieuw ongeveer 4 miljoen euro (van de ontvangen 15 miljoen euro) te weinig is besteed aan de broodnodige verbetering van de onderwijshuisvesting.

Tevens blijkt uit het meerjarig integraal huisvestingsplan voor het onderwijs, het zgn. IHP, dat in deze schrijnende situatie de komende jaren geen verbetering te verwachten is. Pas in 2013 verwacht het college ongeveer hetzelfde bedrag uit te geven als dat ontvangen wordt via het gemeentefonds.
Gelet op bovenstaande wil de fractie van D66 op basis artikel 45 van het Reglement van Orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de Gemeenteraad aan het college een aantal vragen stellen. 

Antwoord van Burgemeester en Wethouders

(ingezonden 16 februari 2010)

1. Bent u met de fractie van D66 van mening dat onderwijs een zeer belangrijke pijler van de Leidse samenleving is, en dat dit onder meer zou moeten blijken uit een ambitieus investeringsprogramma voor optimale schoolgebouwen?

Ja, dat zijn we met u eens. In het tweejaarlijkse Integraal Huisvestingsplan voor het Onderwijs zijn die ambities vertaald in een planning voor investeringen en exploitatie van onderwijsgebouwen.

2. Wat zijn in de voorbije jaren de afwegingen van het college geweest om geld te onttrekken aan onderwijshuisvesting?

Ieder jaar maakt de Raad bij het vaststellen van de begroting een integrale afweging over de besteding van de aanwezige middelen. Vervolgens is de vastgestelde begroting voor ons als college het kader waarbinnen wij uitvoering geven aan het beleid. Uw formulering van de vraag lijkt het budgetrecht van de Raad te ontkennen. Anderzijds kan het zijn dat u het inhoudelijk niet eens bent met de afweging die een meerderheid van de Raad heeft gemaakt. In dat geval ware het wellicht verstandiger geweest tijdens de begrotingsbehandeling een amendement in te dienen om het budget voor onderwijshuisvesting te verhogen ten koste van een onderwerp dat u minder aan het hart gaat.Wat verder nog ieder jaar gebeurt, is dat bij de begroting het Investeringsplan wordt geactualiseerd. Indien een investering in een later jaar wordt gerealiseerd dan aanvankelijk gepland, hoeven er minder kapitaallasten opgenomen te worden in de begroting. Op dat moment –en niet eerder!- wordt de raming van het voor onderwijshuisvesting benodigde bedrag verlaagd voor het aankomende jaar.Afgelopen jaren is juist extra geld toegevoegd aan het budget onderwijshuisvesting. In historisch perspectief is met de motie Hesseling, PvdA bij de Perspectiefnota 2003 vanaf 2004 het accres van het gemeentefonds toegevoegd aan het budget voor onderwijshuisvesting (resulterend € 700.000 structureel vanaf 2006). Daarnaast is vanaf 2007 het budget als gevolg van de besluitvorming over de notitie Hoofdlijnen onderwijshuisvesting en investeringsprogramma 2004-2009 flink uitgezet. Bij het laatst vastgestelde IHP (op 16 juni 2009)is een geleidelijke stijging van het budget opgenomen van uiteindelijk circa € <metricconverter productid="800.000 in" w:st="on">800.000 in</metricconverter> 2017 en verder. Overigens zullen de voorziene uitgaven voor onderwijshuisvesting al in 2013 even hoog zijn als de normvergoeding in de Algemene Uitkering. De beschikbaar gestelde middelen voor onderwijshuisvesting hebben in elk geval geleid tot een aantal aantrekkelijke schoolgebouwen (o.a. de nieuwbouw van de Praktijkschool het Waterland, de nieuwbouw van de Lorentzschool, de uitbreiding van de Wissel en de nieuwbouw van de tweede vestiging van het Stedelijk Gymnasium). Bovendien is geen aanvraag voor onderhoud op basis van ontbreken van budget geweigerd, hetgeen betekent dat afgelopen jaren voldoende middelen aanwezig zijn geweest.

3. Wat zijn de overwegingen van het college geweest om dit beleid ook de komende jaren voort te willen zetten?

Wij informeren de Raad altijd zo goed mogelijk. Als bij het samenstellen van de begroting al duidelijk is dat een bepaald bedrag dat voor kapitaallasten is gereserveerd, daar niet voor nodig is, wil het college dat niet als verborgen lucht in de begroting laten zitten. Op dat moment stellen wij de Raad voor de raming van het bedrag benodigd voor kapitaallasten te verlagen. Door vertraging in de uitvoering is dat afgelopen jaren diverse malen voorgekomen.

4. Het is de fractie van D66 bekend dat het uw college vrij staat om de middelen die u ontvangt voor onderwijshuisvesting geheel anders te bestemmen. En dat heeft uw college dus ook sterk gedaan. Wat weerhoudt het college ervan om de komende jaren het te weinig geïnvesteerde geld extra toe te voegen aan het IHP en daarmee de verbetering van schoolgebouwen te versnellen?

Bedragen die door de Raad zijn geautoriseerd voor uitgaven binnen het programma Jeugd en Onderwijs mogen slechts voor uitgaven binnen dat programma worden aangewend. Daar houden we ons als college aan en dat wordt ieder jaar gecontroleerd door de accountant.De werkwijze voor onderwijshuisvesting betekent dat noodzakelijke en gewenste investeringen in de onderwijshuisvesting samen met de schoolbesturen worden geïnventariseerd en zo danig in de tijd worden gezet dat de uitzetting kapitaallasten die daar een gevolg van is gespreid in de tijd optreedt. Zouden meer investeringen sneller worden uitgevoerd dan stijgen de kapitaallasten sneller en komen deze gedurende meerdere jaren op een hoog niveau te liggen.

5. Het college staat voor een majeure bezuinigingsoperatie. Sluit u uit dat u nog meer dan 4 miljoen in de komende jaren zult korten op onderwijshuisvesting dan nu al in uw plannen is opgenomen?

Het is aan de Raad hier de besluiten te nemen.

6. Bent u bereid met de schoolbesturen te overleggen over deze conclusies en met hen uw investeringplannen in positieve zin bij te stellen?

Indien wij zouden besluiten investeringsplannen in positieve zin bij te stellen, zullen wij een voorstel aan de Raad voorleggen. Immers de Raad heeft het budgetrecht, niet het college.

 

 

 

 


Gevraagd door: P. VAN MEENEN op 3 februari 2010
FAQ uit/inklappen Beleid van de directie van het Da Vinci COllege in Leiden

(Ingekomen op 8 december 2009)

Omdat het da Vinci college een openbare onderwijs instelling is en dus binding heeft met de gemeente Leiden leg ik u het volgende voor.
Leefbaar Leiden heeft vragen over de volgende voorbeelden die ons voorgelegd werden door  insiders van het da Vinci College.
Leerlingen krijgen 1 keer per jaar een blok proefwerkpapier als deze op zijn moeten die gekocht worden door de leerlingen.
Paracetamol moeten leerlingen zelf meenemen of kopen bij de conciërge
Derde klasse gaan op kamp ongeveer 20 leerlingen per klas budget is maar 250 €
Heel veel stagiaires worden ingezet voor klassen om zo de kosten te kunnen sparen.
Onbevoegden die lessen moeten overnemen (voorbeeld docenten Nederlands/Engels /Wiskunde moeten lessen motorvoertuigen overnemen.
Docenten die 2 klassen moeten overnemen in een lokaal
Een jaar geleden is de directeur met vakantie in Spanje hij belt voor 750€ naar Nederland op kosten van da Vinci.
De medezeggenschapsraad krijgt geen financieel jaarverslag.
Zodoende wil er niemand meer in deze raad zitting nemen.
De centrale directie gaat met pensioen.
Er gaat een feest gegeven worden kosten worden geraamd op 25000 tot 30000 €

Ik kom dan ook met de volgende vragen.

Antwoord van Burgemeester en Wethouders 

(ingezonden 15 december 2009)

1. Zijn mijn voorbeelden aan uw college bekend?

Van uw voorbeelden hebben we kennis genomen, evenals van het artikel in het Leidsch Dagblad van 9 december, waarin directeur de heer De Zoete op voor ons geruststellende wijze de door u genoemde klachten van een reactie voorziet.

2. Is het zo dat de gemeente Leiden zeggenschap heeft in het beleid van het Da Vinci college?

Nee. Het gezag over het Da Vinci College is in handen van een bestuurscommissie (ex artikel 83 Gemeentewet) van het Da Vinci College.

3. Als dat zo is wilt u dan een onderzoekje doen naar het gevoerde beleid en mijn voorbeelden daarin meenemen?

4. Vindt u ook niet dat een feestje bij afscheid van de directie voor 30.000€ Erg overdadig is?

5. Kunt u mij het juiste bedrag noemen van het afscheidsfeest?

Wij verwijzen u naar het antwoord op vraag 2. Logisch gevolg van dit antwoord is, dat wij niet toekomen aan de beantwoording van de vragen 3 tot en met 5.

6. Wilt u verder ook eens kijken wat er te verbeteren is zodat de leerlingen goed onderwijs krijgen op de school?

Wij verwijzen u naar het antwoord op vraag 2. Meer het algemeen merken wij op vertrouwen te hebben in de kwaliteit van zowel de leiding van als het onderwijs op het Da Vinci College. Dit vertrouwen wordt gedeeld door het de Inspectie van het Onderwijs van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschap, zoals te lezen valt op de website van de Inspectie (zie www.onderwijsinspectie.nl).
Wij zouden het betreuren als de door u van een platform voorziene beschuldigingen zouden leiden tot een aantasting van de goede naam van het Da Vinci College. Mede daarom nemen wij met genoegen kennis van het artikel in het Leidsch Dagblad van 9 december jl., waarin direct en adequaat gereageerd wordt op de beschuldigingen, waardoor schade voor het Da Vinci College (zo veel als nog mogelijk) is voorkomen.

 

 


Gevraagd door: D. SLOOS (LL) op 8 december 2009
FAQ uit/inklappen Wachtlijsten en procedures in Leiden voor kinderopvang en buitenschoolse opvang

(Ingekomen 8 december 2009)

De wachtlijsten  voor de BSO zijn ook in de vogelwijk, de Raadsherenbuurt en het Houtkwartier te lang en stijgende. De Leidse Houtschool zit bijvoorbeeld tot zeker 2016 vol voor BSO. Dit geeft volgens de VVD nogmaals duidelijk aan dat de druk ook in deze wijken te hoog is.

Antwoord van Burgemeester en Wethouders

(ingezonden 19 januari 2010)

1. Bent u op de hoogte van deze problematiek? En zo ja, wat gaat u doen om de wachtlijsten snel terug te dringen.

Als college zijn we ons ervan bewust dat er vraag is naar meer plekken voor kinderopvang en buitenschoolse opvang. Het aantal beschikbare plekken is een kwestie van het aanbod door kinderopvangorganisaties. Als zij voor de vestiging van een BSO publiekrechtelijke ondersteuning nodig hebben, biedt de gemeente die.

2. Wat heeft u als gemeente tot nu toe gedaan om in deze wijken – onder meer de Leidse Houtschool – om spoedig meer kinderopvang- en BSO-plekken te creëren?

Zoals gezegd bij vraag 1; het is niet aan de gemeente om plekken te creëren. Waar mogelijk en in het redelijke kan en zal de gemeente faciliteren.

In de beantwoording van eerdere schriftelijke vragen van de VVD over de wachtlijsten in Leiden (d.d. 26 februari 2009) gaf u aan, dat het college wel degelijk signalen ontvangt van kinderopvangorganisaties dat procedures, vergunningverlening en bestemmingsplannen té veel tijd in beslag nemen.

3. Wat is er sinds uw beantwoording verbeterd aan deze procedures? En op welke wijze is de samenwerking tussen de verschillende afdelingen binnen de gemeente geoptimaliseerd?

Er wordt al langere tijd gewerkt aan betere samenwerking tussen de verschillende afdelingen/vakdisciplines binnen de gemeente. In het kader van procedures en bouwplannen is een nieuwe werkmethode ontwikkeld, welke inmiddels sneller verloopt. Één afdeling is nu integraal verantwoordelijk voor de adviezen en vanuit die afdeling wordt afgestemd met andere betrokken afdelingen. Ook wordt de aanvrager bij onverhoopte tegenslagen actief benaderd en geïnformeerd. Procedures voor ontheffingen en bestemmingsplannen hebben echter ook wettelijke stappen en termijnen.

Het college gaf in deze beantwoording ook aan dat zij te allen tijde bereid is om – na aanmelding – in concrete situaties die de VVD-fractie niet tot tevredenheid stemmen bij te sturen. Een dergelijke concrete situatie doet zich nu voor nu zowel B4Kids als kinderdagverblijf Pimmetje geïnteresseerd zijn in een voor hen geschikt pand aan de Rijnsburgerweg.

4. Bent u bereid in deze concrete situatie zó bij te sturen dat het betreffende pand beschikbaar komt voor BSO? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?

Ja, op dit moment wordt er alles aan gedaan om de publiekrechtelijk noodzakelijke procedures te doorlopen. Inhoudelijk kunnen wij een vestiging van een BSO op deze locatie ook van harte ondersteunen. Het betreft echter een complexe aanvraag: een combinatie van een bouwaanvraag en bestemmingsplanwijziging in een monument. Wij zullen, binnen publiekrechtelijke mogelijkheden, ons uiterste best doen de bouwaanvraag zo snel als mogelijk te verlenen. We hebben deze ondernemer op het Servicepunt Bedrijven gewezen en we hebben de medewerkers van het servicepunt gevraagd deze casus voortvarend te begeleiden.

 


Gevraagd door: P. LAUDY en A.J. SLEIJSTER (VVD) op 8 december 2009
FAQ uit/inklappen Onderzoek naar de samenstelling van school- en buurtpopulaties

(ingekomen 29 april 2009)

Afgelopen week is het onderzoek ‘Leerlingen, basisscholen en hun buurt’ van het Kenniscentrum Gemengde Scholen gepubliceerd. De onderzoekers concluderen dat veel scholen in Leiden een schoolbevolking hebben, die geen goede afspiegeling is van de wijk. De Leidse scholen scoren daarbij veel slechter dan de scholen in andere middelgrote en grote gemeenten. In het onderzoeksrapport tabel 3.1 staat aangegeven dat 2 Leidse scholen ‘te wit’ zijn, 5 ‘witter’, 10 een ‘afspiegeling’, 3 ‘zwarter’ en 9 ‘te zwart’. Ook de verschillen tussen wijken zijn groot volgens tabel 3.5.

Voor de PvdA-fractie is het zeer gewenst maatregelen te nemen om de segregatie tegen te gaan. Toch heb ik sterke behoefte aan een nadere toelichting op de Leidse cijfers en een beschouwing over de effectiviteit van het beleid gericht op leerlingstromen, voordat een beslissing wordt genomen over nieuwe maatregelen. 

Daarom verzoek ik u op basis van artikel 43 van het Reglement van Orde voor de Gemeenteraad, antwoord te geven op de volgende vragen:

Antwoord van Burgemeester en Wethouders

(ingezonden 16 juni 2009)

1. Kan uw college de juistheid van de cijfers uit het onderzoek onderschrijven?

Ja, met in achtneming van de opmerkingen die daarover door Leiden zijn gemaakt en in het rapport weergegeven. De opmerkingen – die niet hebben geleid tot aanpassing van het rapport - hebben betrekking op:

a. de gebruikte definitie (met name de vraag of leerlingen uit Griekenland, Italië, Portugal en Spanje ook niet-westers zijn gelet op de definitie van het CBS);

b. de schaal (een buurt is een te kleine eenheid om te meten: scholen trekken leerlingen uit meerdere buurten, dus meting per wijk of district lijkt logischer) en

c. de afbakening van de leeftijdsgroep (4 t/m 11 jaar dan wel ook de 12- en 13 jarigen die op de teldatum op school zaten meetellen).

De juistheid van de cijfers is overigens iets anders dan of dit onderzoek ook een goed beeld geeft van de situatie. Methodisch kunnen bij aspecten van het onderzoek vraagtekens worden gezet. Onder andere het feit dat alleen is gekeken naar de bevolkingssamenstelling in buurten waar ook scholen staan, kleurt de resultaten en conclusies. Graag verwijzen wij u in dit verband ook naar de analyse van dhr. H. van Dam (http://www.leiden.pvda.nl/nieuws/nieuws_item/i/3712/t/apart; tevens in leesmap van de commissie onderwijs en samenleving ter inzage).

2. Is uw college bereid de gemeenteraad een nadere toelichting te geven op de genoemde onderzoeksresultaten?

Gelet op onze bedenkingen ten aanzien van definities, methodologie en conclusies acht ons College zich niet als eerste geroepen een toelichting te geven op genoemde onderzoeksresultaten.

3. Is het mogelijk een uitsplitsing van de cijfers te geven per basisschool? Dwz per basisschool aan te geven in welke groep de school valt en hoe hoog het percentage ‘niet-westerse leerlingen’ precies is? Met daarnaast aangegeven hoe zich dit verhoudt tot de samenstelling van de wijk.

Gelet op eerder genoemde bedenkingen is terughoudendheid gepast. Wij geven u graag uitgebreide informatie in samenhang met de afspraken met de besturen zoals die thans worden voorbereid. Overigens is in het rapport ‘Sturen op leerlingenstromen in Leiden’ (RV 05.0159), in tabel 1 van het rapport een overzicht gegeven waarbij ook het percentage niet-Nederlandse kinderen per district is gegeven. Het rapport is ter inzage in de leesmap van de commissie Onderwijs en Samenleving gelegd.

4. Is ook per school aan te geven hoeveel leerlingen de school bezoeken per buurt of postcodegebied om te zien in hoeverre het buurtscholen zijn?

Ja, dat is aan te geven. Tot nu toe worden jaarlijks op basis van de gegevens van de leerlingenadministratie de leerlingenstromen per school tussen de districten gemeten (zie bijlage 2 van het rapport ‘Sturen op leerlingenstromen in Leiden’). Cijfers uit opeenvolgende jaren laten maar een beperkte verschuiving zien in de leerlingenstromen. In bijlage 1 van het rapport is per januari 2005 de verdeling van leerlingen per basisschool per buurt gepubliceerd.

5. Inmiddels is, volgens het Leidsch Dagblad van 24 april, bekend gemaakt dat  Leiden 135.000 euro subsidie krijgt van staatssecretaris Dijksma om tot en met 2011 te experimenteren met maatregelen om zwarte en witte basisscholen tegen te gaan. In het Leidsch Dagblad van 28 april is tevens een eerste reactie van wethouder Van den Berg opgenomen. Graag een nadere toelichting van het college op de maatregelen die uw college denkt te kunnen nemen om de segregatie tegen te gaan? En op basis van welke overwegingen verwacht u dat deze maatregelen het beoogde effect zullen sorteren?

Leiden is een van de vier nieuwe pilotgemeenten die subsidie van de staatssecretaris krijgen om maatregelen te nemen die ertoe moeten leiden dat basisscholen een betere afspiegeling zijn van de wijk waarin ze staan. Over de precieze aanpak en de meetbare doelen zijn wij momenteel met de schoolbesturen in gesprek. In Leiden hanteren wij conform raadsbesluit RV 05.0159 – in volgorde van belangrijkheid - de volgende doelen:

1. het vergroten van onderwijskansen van leerlingen;

2. onderwijs in de wijk en

3. bestrijden van segregatie: scholen moeten een afspiegeling van de wijk vormen.

Graag geven wij u een nadere toelichting nadat de afspraken in samenwerking met de schoolbesturen zijn gemaakt.

6. (Nagekomen vraag aanvullend bij vraag 2): Waarop is de uitkomst van 44% te zwarte buurten gebaseerd?

Volgens het onderzoek zijn in Leiden 9 van de 29 basisscholen te zwart. Deze 29 scholen staan in 16 buurten. In 7 van deze buurten is het percentage niet-westerse leerlingen op de school meer dan 20% hoger dan het betreffende percentage van de bevolking in de buurt.

 


Gevraagd door: C. Broeyer (PvdA) op 29 april 2009
FAQ uit/inklappen Wachtlijsten in Leiden voor kinderopvang en buitenschoolse opvang

(26 februari 2009)

Zoals uit onze vorige schriftelijke vragen is gebleken, vindt de VVD het belangrijk dat zoveel mogelijk kinderen naar een veilige kinderopvang of BSO kunnen gaan, dicht bij huis. Zo kunnen ouders/verzorgers immers blijven participeren op de arbeidsmarkt. Wij zijn dan ook van mening dat de lange wachtlijsten voor kinderopvang en buitenschoolse opvang (BSO) in Leiden ongewenst zijn. Naar aanleiding van de beantwoording van onze vorige schriftelijke vragen heeft de VVD nog een aantal vervolgvragen.

Antwoord van Burgemeester en Wethouders

(ingezonden 24 maart 2009)

1. Bent u met de VVD van mening dat u ook preventief en proactief een rol kan spelen? En zo ja,  wat voor acties liggen er nu op de stapel, anders dan de al eerder genoemde Brede School  Leiden Noord, Trigon en hockeyclub Roomburg?

Onder verwijzing naar de eerder gegeven antwoorden, met name wat daar gezegd is over de commerciële aard van de sector en de beperkingen die dat met zich meebrengt voor wat de gemeente wel en niet kan en mag, ziet de gemeente met enige regelmaat kans mogelijkheden te scheppen bij verbouw of nieuwbouw van panden, met name door combinaties van sport, onderwijs en opvang. Verder heeft de gemeente continu oog en oor voor nieuwe kansen die zich voordoen. Nieuwe initiatieven uit de markt worden waar maar enigszins mogelijk gefaciliteerd in de vergunningenprocedure, inclusief eventuele bestemmingsplanaanpassingen.     

2. Wat zijn de ‘best practices’ in andere gemeenten in den lande waarvan maatregelen tot op  heden nog niet in Leiden worden benut en waarom niet?

De meeste  “best practices” zoals genoemd door de landelijke werkgroep onderwijs kinderopvang gaan over combinatie met sport en onderwijs, waar we in Leiden zoals gezegd ook mee bezig zijn. Verder verschillende  “best practices” vooral in inhoudelijke invulling en niet in huisvesting. Een uitzondering hierop is de “best practice” in landelijk gebied. Hier is een kinderopvangorganisatie die vanuit gastouderopvang start om bij geringe vraag toch de buitenschoolse opvang mogelijk te maken. Deze situatie is niet vertaalbaar naar de Leidse praktijk.
Wij staan altijd open voor goede nieuwe initiatieven die zich in de markt ontwikkelen.   

3. U gaf aan dat er 31 meer plaatsen in de opvang zijn eind 2008 dan er eind 2007 waren. Wat is  het streven voor de komende jaren? En waar baseert u deze cijfers op?

U gebruikt in uw vraag een verkeerd aantal. In antwoord op vraag 3 van uw schriftelijke vragen in december 2008 hebben wij u het volgende gemeld: “Er zijn eind 2008 70 plaatsen kinderopvang en 201 plaatsen bso (naschools) meer dan op 31 december 2007”.
Deze cijfers komen uit het gemeentelijke Kinderopvangregister, waar houders van kindercentra de wettelijke verplichting hebben om het aantal kindplaatsen dat zij exploiteren te melden.

In de kinderdagopvang in Leiden (kinderen van 0-4 jaar) is in 2008 ruim 48% van de Leidse kinderen opgevangen. In de buitenschoolse opvang (kinderen van 4-12 jaar) is dit 30%. Dit is landelijk gezien een goed resultaat (het ministerie van OCW geeft in 2008 aan dat ongeveer 24% van de kinderen in de leeftijd 0-4 jaar gebruik maakt van formele kinderopvang en ongeveer 8% van de kinderen van 4-12 jaar van buitenschoolse opvang).

Nu de rol van de gemeente door commercialisering van de sector beperkt is geworden tot toezichthouder en handhaver van de kwaliteit, ligt het niet voor de hand nog langer kwantitatieve gemeentelijke doelen te stellen. Het wel stellen van kwantitatieve doelen zou in die zin ook een onjuist beeld van de situatie oproepen. Je zou immers uit de doelstellingen kunnen concluderen dat hier een gemeentelijke verantwoordelijkheid ligt, inclusief de bijbehorende (sturings)instrumenten, middelen en bevoegdheden. Dit is echter, zoals bekend, niet de situatie. Voor een schets van de rol die wij nog wél zien voor de gemeente verwijzen wij u terug naar het antwoord op vraag 1 en onze antwoorden op de eerder gestelde vragen.

4. In 2002 is de gemeente Leiden begonnen met het project “kinderopvang”. Van het rijk moest de  gemeente Leiden het aantal plaatsen in de opvang flink uitbreiden. U hebt toen aangegeven om  niet alleen financieel te stimuleren, maar ook om actief onderzoek te blijven doen naar geschikte  locaties. Wat is de status van het actieve onderzoek wat u sindsdien pretendeert te doen en is  het wellicht tijd voor een nieuw project?

De gemeente Leiden is in 1997 aan de slag gegaan voor uitbreiding van de kinderopvang. Van 2001 tot en met 2003 heeft het project Uitbreiding Kinderopvang plaatsgevonden. Wij gaan er vanuit dat u hiernaar verwijst. Dit project is in 2004 afgesloten met een Projectevaluatie Uitbreiding Kinderopvang. Belangrijkste conclusie hierbij was dat er in de periode 1997-2003 meer plaatsen waren gerealiseerd dan voorgenomen (854,4 in plaats van 600). Daarnaast stonden er nog extra uitbreidingen op stapel, die grotendeels ook gerealiseerd zijn.    

Er is sinds die tijd veel veranderd in verband met de invoering van de Wet kinderopvang in 2005. De kinderopvang is een commerciële sector geworden, waarbij het de taak van de gemeente is om door toezicht en handhaving de kwaliteit in het oog te houden en het verstrekken van een gemeentelijke bijdrage voor in de wet omschreven doelgroepen (bijv. de sociaal-medische indicatie).

5. U erkent dat voldoende huisvesting een probleem is. Welke concrete bijdrage gaat u leveren om  deze problematiek spoedig en structureel op te lossen?

Kinderopvang is en blijft een belangrijke voorziening, waar in de huidige situatie meer vraag dan aanbod is. Daarom houden wij bij nieuwe ontwikkelingen rekening met de mogelijkheden die er zijn om deze met opvang te combineren.
 
De gemeente onderzoekt in overleg met de schoolbesturen welke mogelijkheden er zijn voor combinatie van onderwijs en opvang. Uitgangspunt is dat kinderopvang in schoolgebouwen op basis van commerciële huur dient te geschieden (nb dit is wettelijk vastgelegd). 

Overigens een is bijkomend aspect dat niet in alle wijken evenveel vraag is naar kinderopvang. Ook zijn de gestegen kosten voor de kinderopvang (op basis van de gedaalde Rijksbijdrage) en de recessie bedreigingen voor deze marktsector. Onlangs is door de gemeente een pand te huur aangeboden aan twee aanbieders. Beiden hebben echter aangegeven op de betreffende locatie geen behoefte te hebben aan extra huisvesting. 


Gevraagd door: P. LAUDY van A.J. SLEIJSER (VVD) op 26 februari 2009