- Ga direct naar: inhoud, hoofdnavigatie, service menu, zoeken
Schriftelijke vragen van raad aan B&W
- Wet Houdbare Overheidsfinanciën
- Verkokering gemeentelijk vergunningbeleid
- Verbeteren congreslocaties
- Toepassing Winkeltijdenwet
- Het nieuwe werken
- Samenwerking met regio met name toerisme
- Glazen Huis 2011
- Garantstelling van het Haring- en Corewijngala
- Roze zaterdag
- Koppeling rioolheffing aan waterverbruik
- Niet doorgaan van de Happietaria
- Financiele ontwikkeling meerjarenraming
- IJsbaan Nieuwe Rijn en Centrummanagement
- Terrassen versus evenementen op de Beestenmarkt
- Onbetaalbare gemeentelijke heffingen en aanslagen waterschapsbelasitng voor minima met een eigen huis
- Stadspicknick
- Voornemen Teylingen aanleg jachthaven
- Belastingonderzoek
- Sluiting New Times
- Economische crisis
- Gevolgen kredietcrisis voor de financiële huishouding van de gemeente Leiden
- Kosten van het niet-legaliseren van de Vrijplaats Koppenhinksteeg
- Leugens in zaak Oostvlietpolder
- Marketing evenementen
- Mogelijke verkoop van vastgoed; Eksterpad 6 in Leiden
- Overwegingen bij de eventuele verkoop aan Vattenvall van aandelen NUON
- Provinciale memo Lammebrug in verband met de zaak Oostvlietpolder
- Vermeende leugens in de zaak Oostvlietpolder
Wet Houdbare Overheidsfinanciën
Ingekomen 2 april 2012
Momenteel is de Wet Houdbare Overheidsfinanciën (HOF) in voorbereiding. Deze wet kan grote gevolgen hebben voor de gemeentefinanciën. De bedoeling van de wet is dat het Rijk de bevoegdheid krijgt om boetes uit te delen aan gemeenten als zij in een bepaald jaar een te groot – financieel - tekort hebben. Bovendien betekent het huidige voorstel dat het kabinet investeringen van gemeenten zal kunnen stopzetten.
In verschillende media is de afgelopen tijd bericht over deze consequenties van dit wetsvoorstel. De reacties van (vertegenwoordigers van) provincies en gemeenten zijn overwegend negatief. Zo stelt de voorzitter van het Interprovinciaal Overleg (IPO), Johan Remkes (Commissaris van de Koningin Noord-Holland, VVD): “Er kleven absurde effecten van de methodiek die het kabinet voorstelt.” Terwijl Ralph Pans als voorzitter van de
VNG-directieraad zegt: “Als het voorstel van het kabinet werkelijkheid wordt, pakt dit funest uit voor de investeringen van de gemeenten. Dit is ongewenst en onnodig.”
Op basis van artikel 45 van het reglement van orde stelt de fractie van PvdA u de volgende vragen:
Antwoord van Burgemeester en Wethouders
(ingezonden 24 april 2012)
1. Is het college bekend met het ontwerp-wetsvoorstel houdbare overheidsfinanciën?
Kunt u dit voorstel in concept naar de raad sturen dan wel toelichten wat de strekking van dit voorstel is?
Ontwerp-wetsvoorstel houdbare overheidsfinanciën
Het college is wel bekend met de ontwikkelingen omtrent het ontwerp-wetsvoorstel houdbare overheidsfinanciën maar niet met de concept tekst. De ministerraad heeft in december 2011 het concept-wetsontwerp Houdbare Overheidsfinanciën vastgesteld. Dat concept is niet openbaar en voor commentaar aan de koepelorganisaties VNG, IPO en Unie van Waterschappen voorgelegd.
De kern van het voorstel is dat de huidige afspraken tussen Rijk en gemeenten over EMU-tekorten nu wettelijk worden vastgelegd, en tegelijkertijd strenger worden. Die toegenomen strengheid zit in lager toegestane EMU-tekorten en in strengere maatregelen (mogelijke boetes) voor de gemeenten die een te groot EMU-tekort of een te klein EMU-overschot hebben; zoals die tussen de EU-regeringsleiders zijn afgesproken.
Invoering van de wet HOF betekent voor de gemeente Leiden dat de begroting voortaan niet alleen sluitend moet zijn conform de Gemeentewet maar ook moet voldoen aan de normen die via de wet HOF afgeleid worden uit het aangescherpte Stabiliteits en Groeipact.
In de nieuwe ‘Wet houdbare overheidsfinanciën’ komt te staan: “De decentrale overheden zijn
gehouden tot het treffen van adequate maatregelen om een gelijkwaardige inspanning als geldt voor het Rijk te leveren aan het respecteren van de normen voor:
a. de Middellangetermijndoelstelling (MTO) voor het structureel EMU-saldo begrotingsevenwicht);
b. het feitelijk jaarlijks EMU-saldo (max 3% BBp landelijke en 0,38% voor alle gemeenten);
c. de feitelijk jaarlijkse EMU-schuld (max 60% BBp).
De minister van Financiën moet daarbij gaan vaststellen wat voor de decentrale overheden een ‘gelijkwaardige inspanning is’. Dat zal hij aan het begin van elke kabinetsperiode doen, na overleg met de VNG.
Baten-lastensysteem
De decentrale overheden hebben een baten-lastenstelsel en moeten een sluitende begroting hebben. Er is een groot verschil tussen een sluitende begroting op baten-lastenbasis en op kasbasis:
baten-lastenbasis kasbasis
investeringen alleen de afschrijving
(op basis van
historische kosten) volledige
investeringsbedrag
grond niet op afgeschreven;
koerswinst of -verlies
pas bij verkoop
(eventueel tussentijds) uitgaven en inkomsten
tellen mee voor EMU-saldo,
aanwending van boekwinst
belast het EMU-saldo
opbrengst uit financiële activa (aandelen) boekwinst ten gunste
van exploitatiesaldo boekwinst telt níét mee
voor EMU-saldo,
aanwending van boekwinst
belast het EMU-saldo
aanwenden reserves financieringsbron geen financieringsbron
beroep op voorzieningen financieringsbron geen financieringsbron
Dat verschil in stelsels verklaart waarom gemeenten op batenlasten basis een sluitende begroting hebben, maar op kasbasis (zoals van belang is voor het EMU-saldo) een tekort kunnen hebben.
Sanctie
In de huidige situatie kan het Rijk de decentrale overheden alleen een boete opleggen vanwege een te hoog EMU-saldo als het Rijk zélf een boete heeft gekregen van de Europese Unie voor een te hoog EMU-saldo. Dat gaat veranderen. Het Rijk wil ook de mogelijkheid hebben om de decentrale overheden een boete op te leggen voor een te hoog EMU-saldo als het Rijk zelf geen boete heeft gekregen, en zelfs als de totale Nederlandse overheid onder de normen van 3% tekort en 60% schuld zit. Als reden geeft de minister op “dat het Rijk verantwoordelijk wordt gehouden voor het op orde houden van de overheidsfinanciën en het voldoen aan de Europese afspraken over de overheidsfinanciën.
Het sanctie-instrument biedt de minister van Financiën de mogelijkheid om decentrale
overheden vroegtijdig – voordat de Europese normen worden overschreden – de goede kant op te laten bewegen met hun EMU-saldo.” En: “Zo wordt voorkomen dat de decentrale overheden ten onrechte kunnen meeliften op de goede resultaten die behaald worden door het Rijk, en vice versa.” Uiteindelijk telt het EMU-tekort op realisatiebasis, niet dat op begrotingsbasis.
Die korting bedraagt maximaal het bedrag van de geconstateerde overschrijding. Als de gemeenten dus bijvoorbeeld € 4,0 miljard EMU-tekort in plaats van de toegestane € 2,4 miljard hebben, dan is de maximale boete € 1,6 miljard. De boete heeft eerst het karakter van een renteloos depot in de kas van het Rijk. Afhankelijk van het EMU-tekort in latere jaren, kan het Rijk dat renteloos depot in latere jaren wel of alsnog niet uitbetalen .
2. Wat is de reactie van het college op dit ontwerp-wetsvoorstel?
Het college vindt het redelijk dat gemeenten een bijdrage leveren aan de houdbaarheid van de overheidsfinanciën. Maar, het college vindt ook dat het wetsvoorstel in de huidige vorm gemeenten te beknellend is. Dit geldt vooral bij het doen van investeringen en het inzetten van bestemmingsreserves. De VNG vertegenwoordigt de gemeenten bij zulke zaken. Eind maart is een lid van de directie van de VNG te gast geweest bij het college. Het college van B&W van Leiden heeft toen aangegeven dat de gemeente Leiden de VNG-bezwaren deelt op dit vlak, en de VNG verzocht in haar overleg met de Minister aandacht te vragen voor Gemeenten die aan de vooravond staan van grote investeringen. VNG zal inzetten op een macro-normering, dat wil zeggen dat de gemeenten niet individueel een EMU-norm opgelegd krijgen maar dat er een EMU-norm zal gelden voor alle Nederlandse gemeenten.
3. Onderschrijft u de opvatting van de PvdA-fractie dat de gevolgen van de invoering van de wet zijn een verdere inperking van de beleidsvrijheid van de gemeente en van de financiële verantwoordelijkheden.
Vooropgesteld staat dat het college onderschrijft dat een solide financieel beleid van de overheid van groot belang is. Wij kunnen ons dus vinden in de gedachte achter het wetsvoorstel. Wij willen echter benadrukken dat we ervoor moeten zorgen dat gemeenten, juist in de komende jaren, investeringen kunnen blijven doen. Dit is van groot belang voor de Nederlandse economie. In gezamenlijkheid moeten we komen tot een werkbare oplossing.
Daarom roepen wij het Rijk via de VNG op om het wetsvoorstel aan te passen op een aantal elementen en gehoor te geven aan de genoemde bezwaren van gemeenten.
Meer in algemene zin zien wij een uitbreiding van gemeentelijke taken en (financiële) verantwoordelijkheden. Daarentegen krijgen gemeenten niet meer instrumenten en ruimte om zelf te kunnen beslissen over de gemeentefinanciën. Het college is zich bewust van het spanningsveld dat tussen beide ontwikkelingen ontstaat. Recent hebben de 100.000+ gemeenten dit ook aangekaart. Een rigide invoering van de Wet HOF zou dit spanningsveld kunnen vergroten. Wij hopen daarom ook dat het kabinet gehoor geeft onze wensen.
4. Wat zouden precies de gevolgen voor de gemeente Leiden zijn als deze wet in werking treedt? Kunt u deze ook – bij benadering - kwantificeren?
Hierbij graag uitgebreid aandacht besteden aan wat deze wet zou betekenen voor de Nuonreserves voor duurzame investeringen. Is het college van mening dat wij de investeringen die Leiden met deze reserves willen doen naar voren moeten halen om te voorkomen dat deze door het rijk worden stopgezet?
De insteek van het kabinet is om de wet in te laten gaan per 1-1-2013. Wat de gevolgen bij inwerkingtreding van de wet voor de gemeente zijn, staat nog niet vast. Veel hangt af van de mogelijkheden die de definitieve wet gemeenten biedt om invulling te geven aan de uitvoering. Pas als de definitieve wetstekst bekend is, kunnen de gevolgen op een zinvolle manier gekwantificeerd worden. Wel staat vast dat gezien de omvang van de toekomstige investeringen (RWO, parkeergarages, NUON gelden) de gemeente een risico loopt.
De investeringen in het bereikbaarheidsdossier worden gefinancierd uit de reserves (Nuon). Het besteden van gelden uit de reserves lijkt onder de wet HOF te gaan leiden tot een EMU-tekort, omdat er dan in het jaar van het doen van de investering meer geld uit gaat dan er binnen komt bij de gemeente. Het risico bestaat eruit dat het jaarlijkse uitgaventempo voor investeringen moet worden gedempt (verlaagd) tot het dan maximaal toegestane Emu-tekorten, waardoor deze investeringen in tijd zouden kunnen gaan vertragen. In welke mate dit effect optreedt, zal afhankelijk zijn van de wijze waarop het in de wet wordt vormgegeven.
In 2012 hebben we weliswaar nog geen “last” van de wet HOF en kunnen we kasuitgaven doen ongeacht het EMU-saldo van de gemeente. Het is praktisch lastig haalbaar om kasuitgaven op investeringen in de tijd naar voren te halen. Afhankelijk van de ontwikkelingen op dit gebied en de uiteindelijke wettekst sluiten we niet uit dat we later dit jaar met voorstellen komen om te anticiperen op de wet HOF.
5. Kunt u aangeven wat de gevolgen van deze wet zijn voor de Nuonreserves die nu rente trekken om het jaarlijks dividendverlies te compenseren?
Het college kan nu nog niet anticiperen op de mogelijke gevolgen van de nieuwe Wet HOF op de rente van de NUON reserves. In zijn algemeenheid geldt dat op het moment dat als een reserve eerder wordt ingezet, er ook eerder rente wordt gemist als algemeen dekkingsmiddel. Pas als de definitieve wetstekst bekend is, kunnen we de financiële gevolgen kwantificeren
6. In de Bestuursafspraken tussen het Rijk en o.a. VNG is afgesproken dat het
huidige percentage (0.38% BBP) dat gemeenten mogen ‘bijdragen’ aan het EMU-tekort in 2011 zou worden geactualiseerd op basis van een ‘breed onderzoek’. Wat is de stand van zaken van dit onderzoek en de actualisatie?
De werkgroep (van Rijk en VNG) die het onderzoek begeleidt, kwam op 1 maart voor het eerst bijeen. Het onderzoek wordt pas na de zomer afgerond4.
7. Kunt u toelichten op welke wijze u deze reactie – direct of indirect – bij het kabinet onder de aandacht heeft gebracht?
Via de VNG, de VNG vertegenwoordigt in deze discussie de gemeenten waaronder ook de gemeente Leiden.
8. Indien u dit niet heeft gedaan, bent u nog voornemens dit te gaan doen? Zo nee, waarom niet?
Vooralsnog houden we ambtelijk en bestuurlijk contact met de VNG en bezien we of op een later moment alsnog zelf moeten lobbyen bij het Ministerie.
9. Op welke (andere) manieren probeert het college deze negatieve gevolgen te vermijden c.q. onder de aandacht te brengen?
Op dit moment worden de bezwaren van de VNG (dus ook die van de gemeente Leiden), IPO en Unie van Waterschappen besproken met het ministerie van Financiën. Het college verwacht dat het definitieve wetsvoorstel (in elk geval deels) tegemoet komt aan de bezwaren van de betrokken partijen.
Verkokering gemeentelijk vergunningbeleid
(Ingekomen 22 februari 2012)
De Gemeente Leiden heeft zich tot doel gesteld de klantvriendelijkste gemeente van Nederland te worden. Belangrijk onderdeel daarvan is duidelijke communicatie richting de inwoners en ondernemers in Leiden.
De fractie van de ChristenUnie ontving klachten van uitbaters van horecagelegenheden wiens vergunning was ingetrokken. Deze uitbaters kregen bijvoorbeeld toestemming tot verbouwing van hun kroeg, of een horecavergunning, terwijl later een vergunning alsnog werd ingetrokken op basis van het (op moment van de vergunningverlening al vigerende) bestemmingsplan. Deze ondernemers steken geld in het verbouwen en/of opstarten van een onderneming. Pas op het moment dat het bestemmingsplan, kennelijk soms maanden later, wordt nagekeken, wordt het tekort geconstateerd.
Navraag levert het vermoeden op dat de gemeentelijke vergunningssystemen inderdaad los van elkaar opereren. De fractie van de ChristenUnie maakt zich daar zorgen om. Inwoners van Leiden communiceren immers met één gemeente, niet met verschillende afdelingen afzonderlijk.
Op basis van artikel 45 van het Reglement van Orde van de Gemeenteraad hebben wij daarom een aantal vragen voor het college van B&W.
Antwoord van Burgemeester en Wethouders
(ingezonden 27 maart 2012)
1. Wordt bij de verlening van een vergunning voor een specifiek adres door de gemeente gekeken naar de (on)mogelijkheden in het bestemmingsplan voor het voeren van die specifieke vergunningsplichtige activiteit op dat adres?
Bij het verlenen van een omgevingsvergunning wordt op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) altijd getoetst aan de voorschriften uit het bestemmingsplan.
Bij het verlenen van een Drank- en horecavergunning (d.i. toestemming om bedrijfsmatig alcohol te schenken) mag het college niet toetsen aan de voorschriften uit het bestemmingsplan omdat de Drank- en horecawet deze mogelijkheid niet geeft. Aanvragers worden er wel op gewezen dat de activiteit moet voldoen aan de voorschriften van het bestemmingsplan. Hierbij wordt aan de hand van de beschikbare informatie een globale toets uitgevoerd. Bij de beslissing op de aanvraag wordt geadviseerd om contact op te nemen met het servicepunt Bouwen & Wonen van de gemeente.
2. Is het college met de ChristenUnie van mening dat wanneer een ondernemer een vergunning aanvraagt voor een activiteit, het de verantwoordelijkheid van de gemeente zou moeten zijn dat bij verstrekken van dergelijke vergunning deze in overeenstemming is met het bestemmingsplan?
Bij het uitvoeren van rijksregelgeving is het college gebonden aan de wettelijke kaders. Wel vindt het college dat er bij de behandeling van een aanvraag om een Drank- en horecavergunning ook aan een bestemmingsplan getoetst zou moeten kunnen worden. De burgemeester heeft daarom medio 2011 aan het ministerie van VWS gevraagd om de Drank- en horecawet op dit onderdeel aan te passen. De thans aanhangige wijziging van de Drank –en horecawet was echter al in een te vergevorderd stadium om deze wijziging nog door te voeren.
3. Welke mogelijkheden ziet het college om te komen tot een unificering van gemeentelijk beleid door het koppelen van verschillende vergunningssystemen?
De wetgeving biedt op dit moment geen mogelijkheden om de Drank- en horecavergunning en de Omgevingsvergunning in elkaar op te laten gaan. Dit betekent dat het vooralsnog twee gescheiden vergunningenstelsels blijven. Het college ziet desondanks mogelijkheden om de dienstverlening rondom deze vergunningen te verbeteren.
Per 1 maart 2012 worden aanvragen om een Drank –en horecavergunning ook gezien door de gemeentelijke Wabo-coördinatoren. Daarbij wordt een eerste toets uitgevoerd of de voorgenomen activiteit in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan.
Indien er op voorhand geen twijfel is dat de activiteit in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan wordt de ondernemer uiterlijk hierover geïnformeerd in de aanbiedingsbrief van de beslissing op de aanvraag Drank- en horecavergunning.
Als hier wel twijfel over is wordt de ondernemer uitgenodigd voor een nadere toelichting (vooroverleg). Indien nodig wordt gevraagd om een ontheffing bestemmingsplan aan te vragen. Gebeurt dit niet dan wordt de zaak overgedragen aan de afdeling handhaving. De afdeling handhaving behandelt de zaak in overeenstemming met de door u vastgestelde handhavingnota 2012-2015.
Voor de zomer worden er verdergaande afspraken gemaakt tussen de betrokken afdelingen om de dienstverlening rondom alle vergunningen in de openbare ruimte (APV-vergunningen, Omgevingsvergunningen, overige bijzondere vergunningen) verder te verbeteren.
4. Hoe ziet het college de kennelijke verkokering van de gemeentelijke afdelingen in het licht van de nieuwe verantwoordelijkheden die op de gemeente afkomen in het kader van het handhaven van de drank- en horecawet?
Toezicht en handhaving van de Wabo en de bestemmingsplannen is al een gemeentelijke taak. Toezicht en handhaving van de Drank- en horecawet komt over van de nieuwe Voedsel- en Warenautoriteit naar de gemeente. Het college ziet dit als een kans om de toezicht en handhaving van alle horecagerelateerde activiteiten verder te integreren en verkokering te voorkomen.
Verbeteren congreslocaties
(Ingekomen 6 februari 2012)
Schriftelijke vragen aan het College van Burgemeester en Wethouders van het raadslid J. SANDRIMAN (CDA) inzake verbetering congreslocaties (ingekomen 6 februari 2012)
Plek voor congressen ontbreekt
In het Leidsch Dagblad van 28 januari jl. stelde de eigenaar van de Haagse Schouw, dat het aantal hotelkamers is toegenomen, maar dat andere voorzieningen om bezoekers naar Leiden te trekken niet zijn gerealiseerd. In 2007 bleek uit een rapport van de LAgroup, dat indien de gemeente Leiden meer congressen en toeristennaar de stad wil halen, ook de congreslocaties moeten verbeteren.
Het CDA heeft tijdens verschillende commissie vergaderingen gevraagd naar informatie over de beoogde toename van bezoekers in Leiden voor meerdaags verblijf en de ambitie van Leiden Congresstad. Voor het CDA is het van belang dat de uitvoering van Programma Binnenstad en de prestatieafspraken voor citymarketing leiden tot een bruisende stad. Het is Leiden Congresstad en niet lijden als congresstad…
Het CDA vindt dat er potentie is om meer bezoekers naar Leiden te halen en Leiden als congresstad bekend te laten staan.
Op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad, wil de fractie van het CDA uw college daarom hierover de volgende schriftelijke vragen stellen:
Antwoord van Burgemeester en Wethouders
(ingekomen 13 maart 2012)
1. Is het college bekend met het artikel uit het Leidsch Dagblad dat de bezorgdheid van het hotelwezen aangeeft?
Ja. Overigens heeft de portefeuillehouder voor Economie en Toerisme al eerder met vertegenwoordigers van het Leidse Hoteloverleg gesproken, waarbij onder meer deze kwestie is besproken.
2. Deelt het college de mening van de geïnterviewde dat niet alleen de hotelkamers moeten toenemen, maar ook andere acties om de bezoekers in Leiden voor meer dan 1 dag in de stad te laten vertoeven moeten worden uitgevoerd zoals beloofd?
Ja en nee. Wij zijn van mening dat de stad Leiden, met het huidige aanbod aan toeristische en culturele voorzieningen, zeer geschikt is voor meerdaags verblijf van toeristische en zakelijke bezoekers. Als het gaat om de uitbreiding van de congresaccommodatie in Leiden, of de realisatie van voorzieningen voor grootschalige evenementen, laten wij dit over aan marktpartijen. Met verwijzing naar onze recente beantwoording van schriftelijke vragen in 2012 (BW 12.0087), alsmede de beantwoording van schriftelijke vragen in 2010 en 2009 (BW 10.0902; BW 09.1261), zal de ontwikkeling van nieuwe locaties voor congressen en (zakelijke) evenementen van initiatieven van marktpartijen afhangen.
3. Indien ja, WANNEER geeft het college hieraan invulling? En waaruit zullen de exacte acties bestaan en binnen welke tijdspanne worden ze uitgevoerd?
4. Zo nee, waarom niet?
Wij vinden het stimuleren van congressen en zakelijke evenementen in Leiden erg belangrijk. Dat sluit goed aan bij de Ontwikkelingsvisie 2030 “Leiden Stad van Ontdekkingen” en de citymarketing van Leiden, met de twee pijlers Kennis en Cultuur. Veel congressen en zakelijke evenementen komen voort uit de universiteit, LUMC en de overige kennisgerelateerde bedrijven en instellingen. Dat is voor Leiden een interessante sector. Met het huidige aanbod aan congres- en vergaderaccommodaties, is Leiden geschikt voor congressen tot ca. 550 deelnemers. Grotere congressen kunnen alleen worden gefaciliteerd als meerdere locaties samenwerken.
De congres- en vergadermarkt is bovendien een interessante markt voor de hotelsector, door de veelal aan congressen verbonden overnachtingen. Overigens is een voldoende en gevarieerd aanbod aan hotelkamers vaak een belangrijke voorwaarde voor het binnenhalen van congressen en zakelijke evenementen.
Het interessante van Leiden is verder nog dat veel congres- en cultuurlocaties zich in de oude binnenstad bevinden. Door de combinatie daarvan is er voor congressen een meerwaarde door de grotere capaciteit van congressen en de vele locaties en zalen op korte loopafstand van elkaar. In de samenwerking en afstemming tussen de bedrijven, instellingen en locaties is nog veel winst te behalen, maar de eerste goede voorbeelden zijn er. Een mooi voorbeeld daarvan is het meerdaagse Nationale Museumcongres, dat in 2011 heeft plaatsgevonden, met ruim 700 deelnemers en congresactiviteiten op diverse locaties in de binnenstad (Stadsgehoorzaal, Waag, diverse musea).
Leiden Marketing is de centrale koepel voor de citymarketing en stadspromotie van onze stad. Met Leiden Marketing hebben wij in de ’Uitvoeringsovereenkomst (UVOK) Leiden Marketing 2009-2012’ prestatieafspraken gesloten voor de marketing van Leiden voor congressen en zakelijke evenementen. Leiden Marketing opereert hierin samen met de kennisinstellingen (universiteit, LUMC), de congresgerelateerde bedrijven (hotels, congreslocaties), maar ook de culturele sector (Pieterskerk, Stadsgehoorzaal, Waag, musea, Academiegebouw).
Vervolgens is de Stichting Leiden Congresstad (SLC, samenwerking tussen gemeente en universiteit voor stimulering congressen) opgegaan in Leiden Marketing.
Leiden Marketing werkt door deze krachtenbundeling samen met de congresgerelateerde bedrijven aan de marketing van congressen in Leiden, gericht op de universiteit, ministeries en overige landelijke en internationale instellingen. Het gaat dan niet alleen om de werving van congressen, maar ook seminars en het binnenhalen van het Glazen Huis.
In samenwerking met de betrokken Stadspartners is een specifieke wervingsbrochure ontwikkeld. De doelgroepen worden bewerkt met beursbezoek en zogenaamde inspiratiedagen, die een inzicht geven van de verrassende Leidse congresfaciliteiten.
5. Voor hoeveel congressen heeft het thema Leiden Congresstad al gezorgd en hoeveel werkgelegenheid heeft dit gecreëerd?
Het binnenhalen van congressen is een tijdrovende bezigheid, veelal in de vorm van pitches, die soms een periode van enkele jaren beslaan. Veel congressen zijn gerelateerd aan de universiteit. Helaas is het nog lang niet vanzelfsprekend dat de universiteitscongressen ook in Leiden plaatsvinden. Een effectieve marketing en promotie is ook op lokaal niveau gewenst.
De oplossing hiervan is de krachtenbundeling van Leiden Marketing en de genoemde congresgerelateerde bedrijven en instellingen. Leiden Marketing, de universiteit en de congresgerelateerde bedrijven werken aan de ontwikkeling van een model voor de centrale registratie van de universiteitsgerelateerde congressen.
Door het ontbreken van deze cijfers kan geen totaal beeld worden gegeven van het aantal congressen en zakelijke evenementen van de afgelopen periode, dan wel de werkgelegenheid.
Het afgelopen jaar zijn enkele interessante (inter)nationale meerdaagse congressen in Leiden georganiseerd, goed voor enkele duizenden deelnemers, zoals:
European Society for Moleculair congres (meerdaags; 350 deelnemers); European Society for Swallowing Disorders (meerdaags; 300 deelnemers; SETEC 2011 (research, lucht- en ruimtevaart congres; meerdaags; 200 deelnemers); Nationaal Museumcongres (meerdaags; ca. 750 deelnemers) en het medisch congres BOTweg (meerdaags).
Recentelijk zijn twee congressen “binnen gehaald” die in 2013 zullen worden gehouden. Het gaat dan om een 3-daags congres voor neurochirurgen (150 deelnemers) en een 5-daags, eveneens internationaal congres voor endocrinologen (800 deelnemers)
Meerdaagse congressen zijn interessant voor de stad, door de bestedingen die hiermee gemoeid zijn.( Zo besteden internationale congresbezoekers gemiddeld ca. € 350,-- per dag).
Wij zijn van mening dat het potentieel van de congresmarkt in Leiden nog verder benut kan worden.
Wij zien het belang in van de intensivering van de marketing van congressen en zakelijke evenementen. Dit ook mede vanuit de overweging van de doorontwikkeling van de Kennissector in Leiden. Want uitbreiding van het aantal wetenschappelijke congressen in Leiden heeft ook een positieve uitstraling van Leiden als Kennisstad.
Derhalve hebben wij uw raad een besluit voorgelegd (BW 12.0184; RV 12.0015), om voor de jaren 2012 tot en met 2015 de meeropbrengsten boven de volgens het meerjarenbeeld geraamde begrootte inkomsten van de gemeentelijke toeristenbelasting (ad €380.381,--), onder meer aan te wenden voor de intensivering van de marketing van congressen en zakelijke evenementen.
6. En op welke indicatoren worden deze prestaties gemeten?
In de huidige programmabegroting is onder meer als prestatie opgenomen het aantal hotelovernachtingen in Leiden. Voor de doorontwikkeling van de programmabegroting voor 2013 voor programma 3/Economie en Toerisme, overwegen wij om als effectindicator op te nemen ’Toename van het aantal congressen en zakelijke evenementen’, met als prestaties het aantal congressen en zakelijke evenementen.
Toepassing Winkeltijdenwet
(Ingekomen 12 januari 2012)
In het Leids Nieuwsblad van 28 december 2011 (p. 5) valt te lezen dat de eigenaar van een Turkse bakkerij in de Merenwijk n.a.v. de winkeltijdendiscussie uit de raad van 22 december stelt: “Voor mij verandert er niets, ik blijf gewoon zeven dagen per week werken”. Het lijkt er op dat deze bakker ook het geval is waar collega Gubbens (D66) tijdens de raadsvergadering van 22 december 2011 aan refereerde toen hij stelde “(…) Nu moeten niet-gelovige ondernemers buiten het centrum op zondag dicht. Dit terwijl een Turkse (mogelijk islamitische) bakker wel open mag op grond van zijn geloof. Hiermee bestaat er in Leiden dus een rechtsongelijkheid op basis van geloof. Hier is D66 faliekant tegen (…).”
De Winkeltijdenwet staat niet toe winkeliers zich op grond van religie onttrekken aan het verbod op zondagsopenstelling. Wel kunnen winkeliers conform artikel 6 van de Winkeltijdenwet bij een college van B&W ontheffing vragen om in plaats van de zondag een andere dag in de week gesloten te zijn. Dit dient dan de dag zijn die overeenstemt met de voorschriften van de religie die de winkelier te goede trouw als de zijne/hare aanvoert.
Omdat het er op lijkt dat deze wetgeving hier niet correct is toegepast stelt de ChristenUnie – op grond van art. 45 Reglement van Orde op de Gemeenteraad – de volgende schriftelijke vragen:
Antwoord van Burgemeester en Wethouders
(ingezonden 24 januari 2012)
1. Was het college tot op heden op de hoogte van de precieze strekking van art. 6 winkeltijdenwet? Dit gelet het feit dat dhr. Gubbens bij zijn bijdragen in commissie en Raad door het college niet is gewezen op het feit dat tegenover zondagsopenstelling een sluitingsdag behoort te staan.
Ja, echter de winkel waarover de heer Gubbens heeft gesproken had een ontheffing op grond van artikel 10, sub van b van het vrijstellingenbesluit winkeltijden en niet op grond van artikel 6 van de winkeltijdenwet. Bij de specifieke ontheffing voor deze winkel geldt niet dat er tegenover de zondagsopenstelling een sluitingsdag behoort te staan.
2. Zijn er buiten winkeliers gevestigd buiten het centrum aan wie ontheffingen zijn verleend op grond van art. 6 lid 1 Winkeltijdenwet? Zoja, hoeveel dergelijke ontheffingen zijn in Leiden verleend?
Ja. Er is in totaal aan 5 winkeliers ontheffing verleend op grond van artikel 6, lid 1 van de winkeltijdenwet.
3. Zijn deze ontheffingen conform art. 6 lid 2 vergezeld gegaan met het voorschrift dat zij op een andere dag gesloten dienen te zijn?
Ja.
4. Als er geen ontheffingen zijn verleend, hoe verklaart het college dat in strijd met de Winkeltijdenwet toch winkels open zijn geweest? Waarom is het college hier niet tegen opgetreden?
Er zijn wel ontheffingen verleend. Aan 4 winkels, waaronder de winkel aan de Watermolen 2 met toepassing van artikel 10, sub b van het vrijstellingenbesluit winkeltijden, aan 5 winkeliers met toepassing van artikel 6, lid 1 van de winkeltijdenwet met de voorwaarde om op een andere dag dan de zondag een rustdag te nemen. Overtredingen van die voorwaarden zijn niet geconstateerd.
Artikel 10, sub b van het vrijstellingenbesluit winkeltijdenwet luidt:
De in artikel 2, 1e lid van de wet vervatte verboden, voor zover deze betrekking hebben op de zon en de feestdagen geldt niet ten aanzien van:
b. winkels, waar uitsluitend maaltijden, voor directe consumptie geschikte eetwaren, alcoholvrije dranken en, door middel van een automaat, tabaksprodukten, middelen ter voorkoming van zwangerschap en damesverband plegen te worden verkocht.
Het nieuwe werken
(Ingekomen 22 november 2011)
Uit onderzoek van Price Waterhouse Coopers blijkt dat ‘Het Nieuwe Werken’ miljarden kan opleveren aan de Nederlandse samenleving.
In het blad Management Team staat een artikel over de besparingen die ‘Het Nieuwe Werken’ zou kunnen opleveren. (http://www.mt.nl/158/51666/techbusiness/het-nieuwe-werken-scheelt-miljarden.html). Zo blijkt dat als in 2015 twintig procent van de beroepsbevolking een dag per week thuis zou werken, dat jaarlijks bijna 2 miljard euro oplevert en dat als twintig procent twee dagen per week thuis, dan loopt dat op tot bijna 3 miljard euro. De arbeidsproductiviteit zou toenemen met 648 miljoen euro, wat overeenkomst met een structurele toename van het BNP met 1 procent. Daarnaast zijn er ook nog allemaal positieve effecten zoals minder files die 'gewone' werkers tijd kosten, en 3,5 miljard minder autokilometers, wat zorgt voor minder luchtverontreiniging en minder verkeersslachtoffers. Om deze redenen wil D66 de volgende vragen stellen.
Antwoord van Burgemeester en Wethouders
(ingezonden 10-1-2012)
1. Staat het College van Burgemeester en Wethouders positief tegenover ‘Het Nieuwe Werken’ en de voordelen die dit met zich meebrengt?
Ja. Het Nieuwe Werken is als beleidsthema voor 2012 opgenomen in het Concernwerkplan. Hierin is aangekondigd een integrale visie te ontwikkelen op Het Nieuwe Werken. Echter de bouwstenen voor deze visie liggen er al, o.a. in de onlangs vastgestelde Nota van Uitgangspunten voor één centrale Huisvesting in 2020, maar ook in verschillende HRM opdrachten en in de ICT besluiten. De kern van Het Nieuwe Werken ligt ons inziens in een samenhang tussen de Bricks (huisvesting), Bytes (ICT) en Behaviour (ondersteunende personele regelingen, andere sturing op medewerkers, cultuur), waarbij zowel duurzaamheid, efficiency en flexibiliteit van werken voor zowel medewerkers als organisatie de leidende uitgangspunten van het beleid zullen zijn. Op korte termijn zal een presentatie over de nota van uitgangspunten voor één centrale huisvesting (en daarmee over Het Nieuwe Werken) worden gegeven in de gemeenteraad.
Bovenstaande heeft voornamelijk betrekking op de interne organisatie van de gemeente Leiden; voor wat betreft Het Nieuwe Werken voor de stad Leiden zal het College in 2012 met een verdere uitwerking komen van het Duurzaam Mobiliteitscentrum, waar kennis en expertise op dit punt wordt gedeeld met het bedrijfsleven in Leiden en waar ook gewezen wordt op de kansen die er schuilen in het nieuwe werken; ook met oog op mobiliteit en bereikbaarheid.
2. In hoeverre wordt er door de ambtenaren werkzaam bij de Gemeente Leiden al aan ‘Het Nieuwe Werken’ gedaan?
Op dit moment wordt binnen de bestaande mogelijkheden op verschillende plekken in de organisatie al aan Het Nieuwe Werken gedaan. Met name op beleidsfuncties wordt al regelmatig thuis gewerkt, veel afdelingen hebben al flexplekken ingericht. Aangezien iedereen tegenwoordig overal binnen de gemeente kan inloggen op een PC wordt dit ook ICT technisch ondersteund. Dit geldt echter nog niet voor alle applicaties. Vanaf dit jaar wordt een nieuw ICT concept ingevoerd waarbij de verschillende ICT-applicaties niet op de PC’s, maar in een datacenter draaien.
Daardoor kunnen straks alle applicaties vanaf iedere werkplek benaderd worden. Ook komt er draadloos netwerk (WiFi) op alle grote locaties.. Medewerkers met een eigen I-pad/tablet kunnen dan ook kosteloos gebruik maken van eigen apparatuur. Thuis kan men momenteel inloggen op outlook en de mail lezen, maar nog niet op de overige bestanden. Ook daar wordt aan gewerkt. Steeds meer medewerkers beschikken over een Smart-phone. Dit betekent dat tijdens het reizen met het openbaar vervoer of buiten werktijd, ook gewerkt kan worden.
De bereikbaarheid van medewerkers wordt hiermee verhoogd en de arbeidsproductiviteit neemt hiermee toe.
Dit betekent meer vrijheid van medewerkers (plaats en tijdongebonden werken), maar ook meer eigen verantwoordelijkheid (zorg zelf dat het werk op tijd af is).
3. Is het College bereid ‘Het Nieuwe Werken’ te organiseren binnen het Gemeentelijk
apparaat? Hierbij valt te denken aan voorlichting onder het personeel,
aanpassingen in de werkomgeving en de inrichting van werkprocessen.
Het college is een groot voorstander van Het Nieuwe Werken, sterker nog, daar wordt al aan gewerkt; een concernbrede thuiswerkregeling is in de maak en zal in 2012 worden ingevoerd. Er wordt per januari 2012 een nieuw format voor functionerings en beoordelingsgesprekken uitgerold, waarmee resultaat- en ontwikkelgericht sturen van medewerkers wordt ondersteund. Hiervoor zullen ook trainingen worden aangeboden. Een verandering van sturing door leidinggevenden is namelijk essentieel om Het Nieuwe Werken te kunnen doorvoeren. Als mensen meer thuiswerken en niet langer op input maar op resultaten worden afgerekend, betekent dit meer vrijheid maar ook meer eigen verantwoordelijkheid voor medewerkers. Er zal al vanaf 2012 veel meer gewerkt worden met zogenaamde flexplekken in de organisatie, zodat bijvoorbeeld medewerkers van SP71 op locatie bij de klant kunnen werken, maar ook medewerkers die heen en weer reizen tussen de verschillende Leidse locaties, kunnen werken waar zij op dat moment zijn. Dit scheelt reistijd en daarmee productieverlies.
De verschillende werkprocessen worden vanwege Het Nieuwe Werken zowel richting medewerkers maar ook richting burgers steeds meer gebaseerd op Het Nieuwe Werken. Steeds meer processen gaan digitaal, zoals het aanvragen van vergunningen, afspraak maken voor een paspoort, etc. Dit betekent een efficiëntere en meer flexibele inzet van medewerkers, passend bij het concept van het Nieuwe Werken, maar ook een flexibeler dienstverlening aan burgers (zij kunnen inloggen en aanvragen wanneer zij dat willen en zitten minder vast aan openingstijden). Door het organiseren van frontoffice afdelingen (intern) en een Klantcontactcentrum (extern), is een direct contact met een medewerker natuurlijk altijd mogelijk, maar de “bytes” (digitaal en telefonisch) gaan boven de kilometers, zodat reistijd en daarmee files en milieuverontreiniging kan worden voorkomen.
4. Is het College bereid om ‘Het Nieuwe Werken’ ook mogelijk te maken bij
organisaties die onder de verantwoordelijkheid van de Gemeente vallen zoals
bijvoorbeeld het Servicepunt 71?
Het Servicepunt 71 loopt eigenlijk vooruit met Het Nieuwe Werken op de gemeente Leiden. De centrale huisvesting voor SP71 in het Tweelinghuis is ingericht met flexplekken, stilteplekken, voldoende vergaderruimten e.d.
Er zijn minder werkplekken aanwezig dan er medewerkers in dienst zijn, dit betekent dat er efficiënter met de ruimte wordt omgegaan, medewerkers krijgen de mogelijkheid bij de klant (de vier gemeenten) te werken, maar ook thuis. Er wordt nu nagedacht aan het voorzien van alle (of een groot deel) van de medewerkers van een mobiele telefoon. Medewerkers hebben straks geen vaste werkplek meer, maar kunnen zitten waar ze willen, er is een clean-desk policy, iedereen heeft een eigen locker voor zijn spullen. Regelingen zoals een thuiswerkregeling en andere ondersteunende voorwaarden, zullen ook daar de komende tijd moeten worden ontwikkeld en ingevoerd.
Het Nieuwe Werken is ons inziens geen keuze, maar iets waar we niet meer aan ontkomen. De werkprocessen zullen daarop moeten worden ingericht en aangepast.
Samenwerking met regio met name toerisme
(Ingekomen 21 november 2011)
Regio moet toeristen vasthouden.
In Nieuwsbrief Regio van 17 november jl. stond de wens van Katwijk om samen te werken met de regio, met name op het punt van toerisme.
‘Wie in Leiden uitgekeken is, kan op de fiets stappen naar het katwijkse museum of de kust bekijken’, aldus de Katwijkers. Hiermee worden 2 sterke punten van Leiden aangegeven:
- Leiden als centrum, van waaruit bezoekers naar andere delen van de regio kunnen trekken en
goede fietsvoorzieningen in de regio m.n. Leiden-Katwijk
- Leiden als stad die bezoekers van kunst, cultuur en natuur aantrekt.
Het CDA Leiden vindt de Katwijkse voorstellen interessant. Samenwerken met de regio, elkaar versterken, taken verdelen om de bezoekers een gevarieerd program voor 1 of meer dagen te bieden om in de regio te vertoeven, moet kunnen! Een dagje naar het Katwijkse strand kan een goede aanvulling zijn op een bezoek aan de Leidse binnenstad en/of de Leidse musea.
Het CDA denkt dat er genoeg potentie zit om samen met Katwijk en de regio te werken en beter gebruik te maken van het rijke en diverse aanbod dat Holland Rijnland aan toeristen kan bieden.
Op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad, wil de fractie van het CDA uw college daarom hierover de volgende schriftelijke vragen stellen:
Antwoord van Burgemeester en Wethouders
(ingekomen 20 december 2011)
1. Is het college bekend met het uitvoeringsplan economie 2011-2014 van Katwijk en haar ambitie om met de regio samen te werken?
Ja, wij hebben kennisgenomen van het Uitvoeringsplan economie 2011-2014 van de gemeente Katwijk, dat zich onder meer richt op de ontwikkeling van Katwijk tot een aantrekkelijke bestemming voor de regiobevolking en toeristen.
2. Deelt het college de mening van het CDA dat het samenwerken met de regio m.n. Katwijk de aantrekking van bezoekers naar de regio zal vergroten althans meer gedaan kan worden samen bezoekers naar de gemeentes te trekken?
Wij geloven in samenwerking, maar dan vanuit onze eigen Leidse identiteit en gewenste imago. Om die reden is ook Leiden Marketing ontwikkeld tot centrale organisatie voor citymarketing en stadspromotie voor de stad. Samen met de 18 Stadspartners richten wij ons op het aantrekken van meer bezoekers, studenten, expats, investeerders en bedrijven naar Leiden, met als doel langer verblijf van bezoekers, toename van de bestedingen, bedrijvigheid en werkgelegenheid.
In het verleden is besloten de regionale VVV te ontvlechten, wij voelen er niet voor om dat weer terug te draaien. Wel zien wij op het niveau van de toeristische promotie het belang van samenwerking op projectbasis rondom toeristische en culturele attracties, congressen en evenementen, mits die gericht zijn op een dubbel bezoekmotief van de bezoekers en een relatie hebben met de Leidse identiteit.
Naar ons idee zou hierbij ook de Keukenhof en Noordwijk moeten worden betrokken. Wij vinden dat dergelijke activiteiten tot het terrein behoren van de lokale citymarketingorganisaties van Leiden, Katwijk en Noordwijk. De marketingorganisaties hebben de verantwoordelijkheid om samenwerking (op projectbasis) inzake marketing en promotie te zoeken indien deze concreet tot meerwaarde leidt. De gemeente Leiden heeft zoals u weet door middel van subsidie de marketing- en promotie-activiteiten ondergebracht bij Leiden marketing. Wij weten dat Leiden Marketing inmiddels contacten heeft met andere citymarketing organisaties uit de regio om deze samenwerking te bekijken.
Overigens participeren deze partijen al in het uitbrengen van de toeristische regiokrant van HDC Media (Leidsch Dagblad), die verspreid wordt op de diverse campings, bungalowparken en hotels in het regiogebied.
3. Is het college bereid om met Katwijk in gesprek te gaan en na te gaan hoe de ambities en behoeften van beide steden elkaar kunnen aanvullen en waar overlap is samen te werken om het aantal bezoekers naar de gemeentes te vergroten?
Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording onder vraag 2.
4. Kan het college samen met Leiden Marketing en de 19 participerende stadspartners inzicht bieden aan de raad hoe deze samenwerking vorm zal worden gegeven en binnen welk termijn?
De citymarketing van Leiden gaat verder dan alleen de toeristische marketing. Samen met de 18 andere Stadspartners werken wij vanuit onze gemeenschappelijke visie “Leiden stad van ontdekkingen” aan de versterking van het imago van onze stad. Leiden Marketing richt zich voor de citymarketing en stadspromotie van Leiden, naast dag- en verblijfstoeristen, juist ook op het aantrekken van expats, studenten, congressen, investeerders, bedrijven en uitbreiding van de kennissector.
Voor het overige verwijzen wij naar de beantwoording onder vraag 2.
5. Volgens het CDA dragen betere hotelfaciliteiten binnen Leiden ook bij aan het versterken van de toeristische kracht van de regio. Zowel voor het profiel van Leiden als congresstad als voor het toerisme is uitbreiding van het aantal hotelbedden noodzakelijk. In de begroting voor 2012 kondigt het College aan dat er bij het Stationsplein een hotel zal worden geopend met 120 hotelkamers. Deze hotelopening was een uitgesteld project van 2010. Wat is de huidige stand van zaken en zal dit hotel in 2012 inderdaad met 120 hotelkamers openen?
De eigenaar van het in aanbouw verkerende hotel is zelf later gestart met de bouwwerkzaam¬heden. Volgens opgave van de hotelexploitant wordt het Ibis Hotel Leiden Centre in het voorjaar van 2012 geopend. Het hotel telt in totaal 118 kamers en is het eerste Ibishotel in Nederland volgens een nieuw stylingconcept voor de Ibis hotels.
6. In de structuurvisie 2025 staan ‘hotels en congresruimtes’ gepland bij het stationsgebied, hoeveel hotelkamers en congresruimten komen er bij?
In het stedenbouwkundig plan voor het Stationsgebied is 7.800 m2 bvo beschikbaar voor de functies ‘Hotels en congresruimten’. De nadere uitwerking hiervan vindt in een later stadium plaats.
7. Het college geeft aan in 2012 d.m.v. proactief accountmanagement initiatieven voor het vergroten van het aantal hotelkamers zal worden gefaciliteerd. Ziet het College nog andere mogelijkheden voor uitbreiding van de hotelcapaciteit?
Wij bezien ook de mogelijkheden van verkoop van gemeentelijke panden in de historische binnenstad voor vestiging van kwalitatief hoogwaardige hotelconcepten. Zo loopt er een verkoopprocedure voor vestiging van een binnenstadshotel in het monumentale pand Rapenburg 48.
Glazen Huis 2011
(Ingekomen 20 augustus 2011)
De commotie over de vergunning van het Glazen Huis in Leiden heeft het vertrouwen rond de komst van het evenement naar Leiden geen goed gedaan. Vele Leidenaren zijn vanaf de nominatie tot op de dag van vandaag zeer betrokken en druk bezig met dit project. Een aantal inzamelings-evenementen zijn zelfs al achter de rug.
Het Glazen Huis en SeriousRequest leven in Leiden en Leiden leeft toe naar de komst van dit grootste goede doel evenement van 2011.
Er is in 2010 een bidbook gemaakt en op basis van dat plan is Leiden gekozen. Op 11 mei 2010 werd bekend dat het Glazen Huis van dat jaar naar Eindhoven zou gaan én tegelijkertijd dat Leiden in december 2011 de gastheer zou zijn. Daarmee heeft de gemeente Leiden de langste voorbereidingstijd ooit gehad voor dit project.
Dat is helaas geen garantie voor een soepel verloop gebleken. Afgelopen week bleek dat er problemen zijn rond de vergunningsverlening voor dit evenement. De fracties van PvdA, GroenLinks en VVD hebben daarover een aantal vragen. Niet omdat we het evenement geen warm hart toedragen, in tegendeel zelfs.
De fracties willen graag antwoord op de vragen om te leren van het proces en om met die kennis zorg te dragen voor een soepel verloop van SeriousRequest in onze Sleutelstad met uiteraard een record opbrengst in 2011.
Antwoord van Burgemeester en Wethouders
(ingekomen 20 september 2011)
Op grond van artikel 45 van het Reglement van Orde van de gemeenteraad, willen de fracties van GroenLinks, PVDA en VVD u daarom de volgende vragen stellen:
1. Is er veel gewijzigd aan de locatie en de indeling van het terrein sinds 11 mei 2010. Indien het antwoord ja is : Graag een chronologisch overzicht.
Antwoord is: “Nee, want het zou altijd op de Beestenmarkt gehouden worden en dat blijft zo. In het voorjaar van 2010 bestonden er slechts artist impressions/montages om de locatie de Beestenmarkt in het bidbook onder de aandacht te brengen.
De eerste ontwerpen die van de evenementenorganisatie respectievelijk 3 FM zijn ontvangen dateren van 21 juli 2011. Deze zijn gebruikt voor de start van het vergunningen traject, waarbij de meest actuele jurisprudentie is ingebracht. daarbij is vrij snel besloten een Wabo procedure voor het water bij de Beestenmarkt te voeren.
2. Hoe kan het dat de vergunning voor de delen van het gebied rondom de Beestenmarkt die niet onder het evenemententerrein vallen pas zo laat zijn aangevraagd? Wanneer is de nieuwe cq. aanvullende vergunning aangevraagd?
Doordat in Leiden voor het evenement tevens gebruik gemaakt wordt van het water (en dit water heeft in het bestemmingsplan niet een evenementenbestemming) is een Wabo vergunning nodig. De Wabo vergunning is op 15 augustus aangevraagd en gepubliceerd.
Voor het totale evenement Het Glazen Huis is door 3 FM een evenementenvergunning aangevraagd. Deze is samen met de Wabo procedure op 9 september 2011 gepubliceerd.
De vergunningprocedure loopt en de Wabovergunning zal ruimschoots voor het evenement Glazen Huis worden verleend.
3. Hoe zijn de verantwoordelijkheden taken verdeeld tussen projectorganisatie en de gemeente Leiden om te komen tot een succesvol evenement?
Het project 3FM Serious Request is duidelijk afgebakend: de organisatie in Leiden beperkt zich primair tot het succesvol en soepel verloop van het evenement en de daaraan gerelateerde nevenactiviteiten in de rest van de stad. De gemeente Leiden faciliteert en ondersteunt 3FM en het Rode Kruis.
Het project Glazen Huis en de daaraan gekoppelde (landelijke) marketing en promotiecampagne is de verantwoordelijkheid van 3 FM en het Rode Kruis. Leiden bemoeit zich niet met de landelijke campagne en zal zich daarin volgend opstellen. De landelijke campagne zal ook voor Leiden gelden, Leiden Marketing zal een regionale marketingcampagne voeren, afgestemd met 3FM en het Rode Kruis.
Rolverdeling 3FM, Rode Kruis en Leiden: 3FM Serious Request is en blijft een evenement van 3FM. Het Rode Kruis is de ontvangende partner van 3FM en daarmee inhoudelijk verantwoordelijk voor de invulling ervan en de campagne eromheen. 3FM en het Rode Kruis werken zeer sterk samen in de organisatie van Serious Request.
De derde partij is de ontvangende stad. In 2011 is dit Leiden. De gemeente is gastheer en stelt zich ondersteunend en faciliterend op ten opzichte van de gehele organisatie met als doel een soepel verloop van het evenement.
De (regionale) marketing en promotie en het organiseren van aan het Glazen Huis gerelateerde activiteiten vallen onder de verantwoordelijkheid van de Stichting Leiden Marketing. De gemeente is zoals gezegd verantwoordelijk voor het faciliteren van het evenement en de daaraan gerelateerde activiteiten. De gemeente en Leiden Marketing werken in een gezamenlijke projectorganisatie nauw samen.
Qua rolverdeling is Leiden Marketing verantwoordelijk voor:
- Promotie van de stad
- Communicatie, Marketing en Promotie;
- Sponsor- en fondsenwerving;
- Programmering en (maatschappelijke) activering van de activiteiten.
En is de gemeente Leiden verantwoordelijk voor de publiekrechtelijke elementen;
- Openbare orde en veiligheid
- Logistiek en facilitair (interne coördinatie en afgifte van alle noodzakelijke vergunningen, ontheffingen en dergelijke)
- Stadsbeeld, kwaliteit van de openbare ruimte
4. Wethouder de Haan haalt in het Leidsch Dagblad van 10 augustus uitspraken van de Raad van State uit maart 2010 en februari 2011 aan. Om welke uitspraken gaat dit en waren deze bekend bij de gemeente Leiden voor de aanvraag van de vergunning in kwestie? Kunt u de raad afschriften van deze uitspraken doen toekomen?
De twee uitspraken zijn bijgevoegd en deze waren al bekend (zie bijlagen 1 en 2).
De Wabo is van kracht geworden in oktober 2010. Deze uitspraken maken nogmaals duidelijk dat een Wabo procedure gevolgd moet worden voor een evenement als het Glazen Huis op het water. Deze uitspraken waren bekend voor de vergunningaanvraag en zijn mede redenen om naast de procedure voor de evenementenvergunning ook de Wabo procedure te doorlopen.
5. Is het college al bezig met scenario’s om via alternatieve juridische routes doorgang van het evenement te regelen?
Zowel de evenementenvergunning als de Wabovergunning worden nadrukkelijk voor aanvang van het evenement Glazen Huis verleend. Alternatieve juridische routes zijn niet aan de orde.
6. Zijn de beschikbare budgeten binnen de gemeente Leiden nog voldoende voor een soepel verloop van SeriousRequest 2011? Lopen we nog binnen de tijdsschema’s en is er voldoende mankracht beschikbaar? Is er al zicht op alternatieve pontons bijvoorbeeld?
Met de kennis van nu is het beschikbare budget van de gemeente Leiden t.b.v. het evenement Het Glazen Huis toereikend.
Later dit jaar ontvangt u van het college een voorstel met nadere informatie over het evenement Glazen Huis samen met een begroting voor de gemeentelijke kosten van het evenement.
Er wordt en conform planning gewerkt en is er voldoende menskracht beschikbaar.
M.b.t. de pontons heeft 3FM contact met potentiële leveranciers. De verantwoordelijkheid ligt in dit verband bij 3 FM. Van 3 FM is vernomen dat dit traject naar wens verloopt.
7. Staat het college achter de woorden van de wethouder de Haan uit het Leidsch Dagblad van 11 augustus, “Ik word er niet nerveus van, het komt er gewoon. We gaan een fantastisch evenement neerzetten!”? Gaat het college samen met de stad en haar inwoners voor een record opbrengst voor Serious Request in 2011?
Het college heeft alle vertrouwen in soepel verloop van het evenement Glazen Huis in Leiden.
In de eerste plaats rekent het college het tot zijn verantwoordelijkheid om het Glazen Huis te faciliteren en aldus bij te dragen aan een soepel verloop van het evenement. En natuurlijk zou het geweldig zijn als Leiden een recordopbrengst weet te realiseren.
BIJLAGE 1
LJN BP4728, Raad van State, 200903724/1/R3
Datum uitspraak: 16-02-2011
Datum publicatie: 16-02-2011
Rechtsgebied: Bestuursrecht overig
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummers: 200903724/1/R3
Inhoudsindicatie:
Bij besluit van 24 maart 2009 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Leeuwarden bij besluit van 27 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan"Kenniscampus Rengerspark".
Uitspraak
200903724/1/R3.
Datum uitspraak: 16 februari 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak inhet geding tussen:
de vereniging Vereniging leefbaar Rengerspark, gevestigd te Leeuwarden,
appellante,
en
het college van gedeputeerde staten van Fryslân,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 24 maart 2009 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Leeuwarden bij besluit van 27 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan"Kenniscampus Rengerspark".
Tegen dit besluit heeft de vereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 mei 2009, beroep ingesteld.
De vereniging en de raad hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 augustus 2010, waar de vereniging, vertegenwoordigd door [voorzitter], is verschenen.
Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door ing. G. Hendriksma, werkzaam bij de gemeente, als partij gehoord.
De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Nadien zijn nog stukken ontvangen van de vereniging en de raad. Deze zijn aan deandere partijen toegezonden. De Afdeling heeft de zaak verder ter zitting behandeld op 15 november 2010, waar de vereniging, vertegenwoordigd door J.R. de Jong, en de raad, vertegenwoordigd door ing. G. Hendriksma, werkzaam bij de gemeente, en R.M. Koelman, werkzaam bij de Zoogdiervereniging VZZ Nijmegen.
Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.
2.2. Het plan voorziet onder meer in de realisatie van twee gebouwen voor de Stenden Hogeschool en de Noordelijke Hogeschool Nederland, studentenwoningen, kennisgerelateerde bedrijvigheid en voorzieningen, een sporthal en een evenemententerrein. Binnen het plangebied liggen voorts de waterwegen Dokkumer Ee en de Oude Meer, en het Rengerspark.
Ontvankelijkheid
2.3. De raad heeft betwist dat het beroep van de verenigingvoor zover dat zich richt tegen het niet opstellen van een milieueffectrapport (hierna: MER) ten behoeve van het evenemententerrein in samenhang met de sporthal, en de uitvoerbaarheid van het plan, voor zover dat ziet op de kenniscampus, steunt op bij het college ingebrachte bedenkingen.
Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, van de WRO en artikel 6:13 van de Awb , kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het vastgestelde plan bij het college ingebrachte bedenking heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen bedenkingen heeft ingebracht.
Het in beroep aangevoerde met betrekking tot het opstellen van een MER voor het evenemententerrein en de uitvoerbaarheid heeft betrekking op dezelfde planonderdelen als waartegen de vereniging bedenkingen heeft ingediend, te weten het gebruik van het evenemententerrein en de behoefte aan de twee hogescholen en de studentenwoningen. De vereniging is daarom ontvankelijk in haar beroep.
Wijzigingsbevoegdheid
2.4. De vereniging heeft aangevoerd dat artikel 10.8 van de planvoorschriften, op grond waarvan het plandeel waarvoor de bestemming "Onderwijsdoeleinden" geldt, tevens bestemd kan worden voor woningen, in strijd met de rechtszekerheid is. Zij betoogt dat in het voorschrift niet duidelijk is aangegeven onder welke omstandigheden van de wijzigingsbevoegdheid gebruik mag worden gemaakt.
2.5. De raad heeft betoogd dat in het grootste deel van het gebied met de bestemming"Onderwijsdoeleinden" de gebouwen van de hogescholen reeds gerealiseerd of in aanbouw zijn op basis van een vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO. De wijzigingsbevoegdheid kan daarom in de praktijk slechts betrekking hebben op de thans nog onbebouwde strook grond van ongeveer 140 bij 40 meter in het zuidelijkste gedeelte van het plangebied met de bestemming"Onderwijsdoeleinden". Op dit terrein, dat thans nog in gebruik is als parkeerterrein langs de Dekemastraat, zullen volgens de raad wellicht in de toekomst studentenwoningen worden gebouwd. De raad heeft verder betoogd dat het bebouwingsvlak en de bouwhoogte zijn vastgelegd op de plankaart in samenhang met het betreffende voorschrift, zodat duidelijk is wat de omvang van de bebouwing zal zijn. Gelet hierop bestaat geen strijd met de rechtszekerheid, aldus de raad.
2.5.1. Ingevolge artikel 10.8 van de planvoorschriften kan het college van burgemeester en wethouders, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, het plan wijzigen in die zin dat de gronden met de bestemming"Onderwijsdoeleinden":
a. tevens worden bestemd voorwoningen;
b. de bouwhoogte op de kaart (deels) wordt gewijzigd, mits:
1. deze wijzigingsbevoegdheid uitsluitend wordt toegepast in combinatie met de wijzigingsbevoegdheid in lid a, ten behoeve van de realisering van (gestapelde) woningbouw;
2. de hoogte van een gebouw ten hoogste 20,00 m zal bedragen;
c. op de kaart nieuwe bouwvlakken worden aangebracht, mits:
1. deze wijzigingsbevoegdheid uitsluitend wordt toegepast ten behoeve van de uitbreiding van onderwijsdoeleinden;
2. de geluidsbelasting van geluidsgevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere grenswaarde.
2.5.2. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WRO kan, voor zover hier van belang, bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders het plan kan wijzigen binnen bij het plan te bepalen grenzen.
Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 11 van de WRO berustende wijzigingsbevoegdheid dient derhalve in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd.
De vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt begrensd hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid. Onder omstandigheden kan voldoende zijn dat duidelijk is welke bij het plan gelegde bestemming in welke andere bestemming kan worden gewijzigd.
2.5.3. De Afdeling overweegt dat uitsluitend de maximaal toegestane bouwhoogte is vastgelegd in artikel 10.8 van de planvoorschriften. Niet duidelijk is welke overige ruimtelijke effecten de woningbouw na de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid met zich brengt en waarin deze verschilt van de ruimtelijke effecten van de onderwijsgebouwen die op de strook mogen worden gerealiseerd. Zo is niet uitgesloten dat in plaats van studentenwoningen, zoals de raad veronderstelt, andere woningen zullen worden gebouwd. Dit kan voor onder meer de parkeerdruk in de omgeving gevolgen hebben. Dit klemt te meer gezien de omvang van het terrein waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft. Evenmin is inzichtelijk gemaakt wat de ruimtelijk relevante reden is geweest om de wijzigingsbevoegdheid op te nemen. Verder overweegt de Afdeling dat de voorwaarde voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, zodanig ruim is geformuleerd dat onduidelijk is onder welke voorwaarden van deze wijzigingsbevoegdheid gebruik kan worden gemaakt. Naar het oordeel van de Afdeling is het plan daarmee in zoverre in strijd met de rechtszekerheid vastgesteld. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit rechtsbeginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb . Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 10.8 van de planvoorschriften voor zover dat ziet op het plandeel zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart.
Globale bestemming evenemententerrein
2.6. De vereniging heeft aangevoerd dat het plandeel met de bestemming"Groenvoorzieningen" ten noorden van het Rengerspark waaraan de aanduiding"evenemententerrein" is toegekend, te globaal is. Zij wijst er op dat ten onrechte niet is vastgelegd hoeveel en welke evenementen mogen worden gehouden op dit terrein. Verder is niet onderzocht welke gevolgen voor het milieu de te houden evenementen kunnen hebben. De vereniging vreest dat grootschalige concerten mogelijk zijn, die grote verkeers-, licht- en geluidsoverlast voor zowel omwonenden als de in het Rengerspark aanwezige vogels met zich zullen brengen. In dit kader betoogt de vereniging verder dat een evenemententerrein niet past in de directe nabijheid van de begraafplaats en het Rengerspark, die als rijksmonumenten zijn aangemerkt. Zij wijst er voorts op dat het college heeft toegegeven dat het beter was geweest om in ieder geval het aantal evenementen vast te leggen, maar niet heeft gemotiveerd waarom geen voorschrift ter zake is opgenomen.
Gezien de onduidelijkheid over het aantal bezoekers, had volgens de vereniging eveneens een MER moeten worden opgesteld dan wel een MER-beoordeling moeten worden uitgevoerd.
2.6.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het plan globaal van opzet is en daarom geen gedetailleerde regeling voor het gebruik van het evenemententerrein is opgenomen. De raad betoogt dat het terrein overeenkomstig het huidige gebruik alleen voor kleinschalige activiteiten gebruikt zal gaan worden, omdat het terrein onverhard is en in de omgeving andere evenemententerreinen voorhanden zijn die beter zijn uitgerust voor grote evenementen. Grote bezoekersaantallen zijn naar zijn mening daarom niet te verwachten. Verder wijst de raad er op dat eventuele overlast voor omwonenden en dieren, kan worden voorkomen dan wel afdoende kan worden beperkt door middel van de Algemene Plaatselijke verordening (hierna: APV) dan wel een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet.
2.6.2. Ingevolge artikel 16.1, aanhef en onder f en h, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor groenvoorzieningen aangewezen gronden bestemd voor een evenemententerrein met de daarbij behorende verhardingen, indien de gronden op de kaart zijn voorzien van de aanduiding"evenemententerrein".
Ingevolge artikel 16.2.1 mogen op of in deze gronden geen gebouwen worden gebouwd.
Ingevolge artikel 16.2.2 geldt voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dat de hoogte ten hoogste 5,00 meter mag bedragen.
Ingevolge artikel 16.5.3 is bepaald dat tot een met de bestemming strijdig gebruik, in ieder geval niet wordt gerekend het tijdelijk, al dan niet periodiek gebruik van de gronden als evenemententerrein.
In artikel 1 is een evenement omschreven als een publieke activiteit met een tijdelijk, plaatsgebonden en van het reguliere gebruik afwijkend karakter, plaatsvindend in de open lucht of in tijdelijke onderkomens en in het algemeen bedoeld ter ontspanning en/of vermaak, waaronder begrepen commerciële, culturele, educatieve, religieuze, recreatieve en/of sportieve of daarmee gelijk te stellen activiteiten.
Voorts is in artikel 1 een evenemententerrein omschreven als een terrein, bedoeld voor de organisatie van evenementen.
2.6.3. De Afdeling overweegt dat de voorschriften ten aanzien van het gebruik van het evenemententerrein zich niet verdragen met het beginsel der rechtszekerheid. Zo bevatten de voorschriften geen regeling met betrekking tot de intensiteit waarmee het evenemententerrein mag worden gebruikt, zoals het maximaal aantal toegestane bezoekers per evenement enhet aantal evenementen per jaar. Ook het soort evenementen is niet gespecificeerd. Hierdoor is onduidelijk welke milieugevolgen voor de omgeving kunnen optreden. Evenmin heeft de raad inzichtelijk gemaakt waarop de stelling dat het terrein slechts enkele malen per jaar en op kleine schaal zal worden gebruikt voor evenementen is gebaseerd. Het betoog van de raad dat de te verwachten milieuhinder kan worden gereguleerd door middel van de APV, overtuigt de Afdeling niet.
Het ligt immers op de weg van de planwetgever om omtrent het aantal evenementen per jaar, de soorten en de maximale bezoekersaantallen voorschriften te stellen, indien dat uit een oogpunt van de besluitvorming omtrent de aanvaardbaarheid van een locatie als evenemententerrein van belang is. Gelet op het bovenstaande ziet de Afdeling aanleiding om zelf voorziend goedkeuring te onthouden aan dit plandeel en de daarbij behorende bestreden planvoorschriften. De beroepsgrond dat een MER had moeten worden opgesteld dan wel een MER-beoordeling had moeten worden gemaakt, behoeft om die reden geen bespreking meer.
Behoefte aan de Kenniscampus
2.7. De vereniging betoogt dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de behoefte aan de kenniscampus.
2.7.1. De raad betoogt dat in het Masterplan Kenniscampus Leeuwarden, dat dateert van 2006, de noodzaak en de ruimtelijke onderbouwing van het plan zijn omschreven.
2.7.2. In het Masterplan is omschreven dat de behoefte bestaat om de hogescholen en de voorhanden zijnde kennis opéénlocatie te concentreren. Ook bestaat behoefte aan startende en bestaande bedrijven die een relatie hebben met de Kenniscampus zodat een uitwisseling van kennis tussen de hogescholen en het bedrijfsleven kan plaatsvinden. Verder heeft de raad aangegeven dat de diverse betrokken onderwijsinstellingen in de Kenniscampus zullen investeren. De raad heeft in het vaststellingsbesluit gesteld dat het Masterplan nog altijd actueel is. De vereniging heeft noch in de stukken noch ter zitting aannemelijk gemaakt dat aan de Kenniscampus geen behoefte bestaat. De beroepsgrond treft geen doel.
Ecologie
2.8. De vereniging betoogt dat het plan significante negatieve gevolgen zal hebben voor de vleermuizen die over de Oude Meer en de Dokkumer Ee naar het nabijgelegen Natura 2000-gebied de Groote Wielen vliegen. Volgens de vereniging zullen met name de lichtuitstraling vanuit de onderwijsgebouwen en de studentenwoningen die deels in de Oude Meer worden gebouwd een negatieve invloed hebben op de vliegroutes. Om die reden had een passende beoordeling moeten worden gemaakt van de gevolgen van het plan.
2.8.1. De raad heeft gesteld dat de vleermuissoorten die door het plangebied naar de Groote Wielen vliegen enkel de watervleermuis en de meervleermuis zijn. De watervleermuis vliegt volgens de raad boven de Oude Meer, terwijl de meervleermuis boven de Dokkumer Ee vliegt.
Ten aanzien van de meervleermuis overweegt de Afdeling dat de raad ter zitting op 15 november 2010 heeft verklaard dat van 2006 tot en met 2009 jaarlijksis gemonitord of de meervleermuis voorkwam boven het gedeelte van de Dokkumer Ee, dat binnen het plangebied valt. Uit een monitoringsverslag van de Zoogdiervereniging uit 2009 is gebleken dat de meervleermuis niet boven de Dokkumer Ee voorkwam. Voor zover deze sporadisch toch nog voorkomt, kan volgens het rapport op basis van expert judgement worden verwacht dat de werkzaamheden op het terrein van de Kenniscampus geen negatieve invloed zullen hebben op de vliegroute. De vereniging heeft dit niet gemotiveerdbestreden.
Verder heeft de raad ter zitting aannemelijk gemaakt dat de effecten van de lichtuitstraling vanuit de hogescholen over de Dokkumer Ee te verwaarlozen zijn, nu langs dit water reeds lantaarnpalen staan. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan in zoverre geen significante negatieve effecten heeft op de vliegroute van de meervleermuis over de Dokkumer Ee.
Ten aanzien van de vliegroute van de watervleermuis over de Oude Meer, overweegt de Afdelingdat het plan voorziet in een duiker onder de gebouwen van de hogescholen, die de Oude Meer en de Dokkumer Ee met elkaar verbindt. Blijkens het monitoringsverslag is deze duiker gerealiseerd en effectief. Gelet hierop heeft de raad terecht geoordeeld dat het plan geen significante gevolgen heeft voor de watervleermuis. Verder heeft de raad betoogd dat voor de te bouwen studentenwoningen aan de Oude Meer een ontheffing op grond van de Flora- en Faunawet kan worden verleend. De vereniging heeft dit niet gemotiveerd bestreden. De beroepsgrond slaagt niet.
Financiële uitvoerbaarheid.
2.9. Voor zover de vereniging heeft betoogd dat niet is onderzocht of het plan financieel uitvoerbaar is, overweegt de Afdeling dat in de plantoelichting is vermeld dat de initiatiefnemers voor het plan - de hogescholen - alle kosten die voortvloeien uit het plan voor hun rekening zullen nemen. De vereniging heeft niet aannemelijk gemaakt dat de hogescholen deze kosten niet kunnen dragen. De beroepsgrond slaagt niet.
2.10. Het beroep is gedeeltelijk gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 10.8 van de planvoorschriften voor zover dat ziet op het zuidelijke deel van het plandeel met de bestemming"Onderwijsdoeleinden" zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart en de aanduiding evenemententerrein ter plaatse van het plandeel met de bestemming"Groenvoorzieningen" ten noorden van het Rengerspark en de daarbij behorende voorschriften. De Afdeling ziet voorts aanleiding zelf voorziend goedkeuring aan de genoemde plandelen te onthouden. De Afdeling ziet in dit geval tevens aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb te bepalen dat de voorbereiding van het nieuwe besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan voor de genoemde plandelen niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb behoeft te geschieden. Dit betekent in dit geval dat de raad een besluit tot vaststelling van een reparatoir plan kan nemen zonder dat hieraan voorafgaand een ontwerpbestemmingsplan ter inzage behoeft te worden gelegd. Dat plan dient dan wel ter goedkeuring aan het college te worden aangeboden. Verder ziet de Afdeling aanleiding om de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van het gebruik van het evenemententerrein.
2.11. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Fryslân van 24 maart 2009, kenmerk 00816063, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan:
- artikel 10.8 van de planvoorschriften voor zover dat ziet op het zuidelijke deel van het plandeel met de bestemming"Onderwijsdoeleinden" zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart, en
- de aanduidingevenemententerrein ter plaatse van het plandeel met de bestemming"Groenvoorzieningen" ten noorden van het Rengerspark en de daarbij behorende voorschriften;
III. onthoudt goedkeuring aan de onder II genoemde plandelen;
IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het onder II genoemde besluit;
V. treft de voorlopige voorziening dat de aanduiding"evenemententerrein" en de daarbij behorende voorschriften moeten worden geacht te zijn goedgekeurd; deze voorlopige voorziening vervalt met de inwerkingtreding van een nieuw vast te stellen plan en uiterlijk een jaar na de verzending van deze uitspraak;
VI. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
VII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Fryslân aan de vereniging Vereniging leefbaar Rengerspark het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van€ 300,00 (zegge: driehonderd euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr.P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van staat.
w.g. Van Buuren w.g. Van Helvoort
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011
361.
BIJLAGE 2
LJN BL6212, Raad van State, 200905954/1/H1
Datum uitspraak: 03-03-2010
Datum publicatie: 03-03-2010
Rechtsgebied: Bestuursrecht overig
Soort procedure: Hoger beroep
Zaaknummers: 200905954/1/H1
Inhoudsindicatie:
Bij besluit van 1 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten naar aanleiding van het verzoek van [appellant sub. 1] en anderen van 9 april 2009 besloten niet handhavend op te treden tegen het houden van het metalfestival"Elsrock" op 29 augustus 2009 op een terrein aan de Elsmaten te Rijssen (hierna: het terrein).
Uitspraak
200905954/1/H1.
Datum uitspraak: 3 maart 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. [appellant sub. 1] en anderen, wonend te [plaats], gemeente
Rijssen-Holten,
2. het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo van 7 augustus 2009 in zaak nrs. 09/731 en 09/778 in het geding tussen:
[appellant sub. 1] en anderen,
en
het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten.
1. Procesverloop
Bij besluit van 1 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten naar aanleiding van het verzoek van [appellant sub. 1] en anderen van 9 april 2009 besloten niet handhavend op te treden tegen het houden van het metalfestival"Elsrock" op 29 augustus 2009 op een terrein aan de Elsmaten te Rijssen (hierna: het terrein).
Bij uitspraak van 7 augustus 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo, voor zover thans van belang, het door [appellant sub. 1] e.a. daartegen ingestelde beroepgegrond verklaard, het besluit van 1 juli 2009 vernietigd en bepaald dat het college opnieuw dient te beslissen omtrent het verzoek om handhavend optreden van 9 april 2009. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub. 1] e.a. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 augustus 2009, en het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 september 2009, hoger beroep ingesteld.
[appellant sub. 1] e.a. en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 januari 2010, waar [appellant sub. 1] e.a., vertegenwoordigd door mr. C.J.R. van Binsbergen, advocaat te Alphen aan den Rijn, en het college, vertegenwoordigd door M. Dijkstra, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
Ten aanzien van het hoger beroep van het college
2.1. Het terrein wordt sinds 2005 gedurendeéén dag per jaar gebruikt ten behoeve van het festival. Voorts wordt het terrein sinds 2008 gebruikt voor een Hollandse muziekavond (hierna: de muziekavond), die op de avond voorafgaand aan het festival plaatsvindt. Op het festival komen jaarlijks ongeveer 1500 bezoekers af. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat het opbouwen en afbreken van de voorzieningen alsmede het festival zelf in totaal ongeveer 9 dagen heeft geduurd.
2.2. Ingevolge het bestemmingsplan"Buitengebied 1984" rust op het terrein de bestemming"Terrein voor actieve recreatie" met de nadere aanduiding"veldsport".
Ingevolge artikel 14 van de planvoorschriften is op deze gronden uitsluitend de volgende bebouwing toegestaan: (sport)gebouwen, inclusief kleedruimte, sanitaire ruimte en kantineruimte, alsmede een overdekte tribune. Voorts zijn op die gronden de volgende andere bouwwerken toegestaan: terreinomheiningen, lichtmasten en ballenvangers.
Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden onbebouwde grond en opstallen te gebruiken in strijd met de bestemming.
2.3. Het college betoogt dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het niet bevoegd was om handhavend op te treden tegen het houden van het festival op het terrein. Gebruik van het terrein ten behoeve van het festival is weliswaar in strijd met de ter plaatse geldende bestemming, maar dit gebruik is kortdurend en incidenteel en de planvoorschriften verzetten zich hiertegen dan ook niet. Zo het festival al in strijd is met het bestemmingsplan, was het volgens het college bovendien niet noodzakelijk hiervoor een ontheffing als bedoeld in artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder h, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) te verlenen. Uit dat artikel volgt niet wanneer een ontheffing noodzakelijk is. Indien niet aan de daarin gestelde voorwaarden wordt voldaan, kan echter niet worden volstaan met het verlenen van een ontheffing van het bestemmingsplan. In dat geval zal bijvoorbeeld een projectbesluit genomen moeten worden, aldus het college.
2.3.1. Ingevolge artikel 3.23, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen ontheffing verlenen van het bestemmingsplan.
Ingevolge artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder h, van het Bro komt het gebruik van gronden of bouwwerken ten behoeve van evenementen met een maximum van drie per jaar en een duur van ten hoogste vijftien dagen per evenement, het opbouwen en afbreken van voorzieningen ten behoeve vanhet evenement hieronder begrepen, voor de toepassing van artikel 3.23, eerste lid, van de Wro in aanmerking.
Het betoog faalt.
Ten aanzien van het hoger beroep van [appellant sub. 1] e.a.
2.4. [appellant sub. 1] e.a. komen uitsluitend op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat concreet zicht op legalisatie van het festival bestond.
2.4.1. Het festival heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2009. [appellant sub. 1] e.a. hebben daarom geen procesbelang bij een oordeel over de rechtmatigheid van de uitspraak, voor zover aangevallen. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3.2 is overwogen, hebben [appellant sub. 1] e.a. evenmin procesbelang bij een oordeel over de vraag of het college ten behoeve van toekomstige edities van het festival vrijstelling als bedoeld in artikel 4.1.1, eerste lid,aanhef en onder h, van het Bro behoort te verlenen.
2.5. Het hoger beroep van het college is ongegrond en het hoger beroep van [appellant sub. 1] e.a. is niet-ontvankelijk. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub. 1] e.a. niet-ontvankelijk;
II. bevestigt de aangevallen uitspraak;
III. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [appellant sub. 1] e.a. in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van€ 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;
IV. verstaat dat de secretaris van de Raad van State van het college griffierecht ten bedrage van€ 447,00 (zegge: vierhonderdzevenenveertig euro) heft.
Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.
w.g. Konijnenbelt w.g. Lodder
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2010
17-593.
Garantstelling van het Haring- en Corewijngala
(Ingekomen 8 augustus 2011)
Naar aanleiding van een artikel in het Leidsch Dagblad, het B&W besluit 11.0675 d.d. 21-6-2011 en de raadsvergadering van 23 september 2008 heeft D66 onder verwijzing naar artikel 45 van het reglement van orde voor de gemeenteraad de volgende vragen:
Dit is het antwoord van de heer Lenferink op vragen van de heer Van Meenen in de raadsvergadering van 23 september 2008 in de
Actualiteit
De heer Van Meenen verwijst naar het Haring- en Corenwijngala. Het is een prachtig feest en het is dan ook treurig dat het gemeentebestuur ontbreekt. Wat bracht het college van B en W ertoe om af te zien van deelname aan dit belangrijke gala?
De voorzitter legt uit dat bij de inzet van middelen voor relatiemanagement een kosten- en batenafweging moet worden gemaakt. Het college van B en W constateerde dat de baten niet meer in overeenstemming waren. De aanvankelijke doelstelling van het feest is verdwenen. Het college van B en W is met de 3 October Vereniging Leiden in discussie over de toekomst van de festiviteit. Er zullen goede afspraken voor de toekomst moeten worden gemaakt. Overigens is het college van B en W wel vertegenwoordigd bij het gala. Het gesprek met de 3 October Vereniging Leiden is nog niet ten einde. De voorzitter lijkt het verstandig om nu geen verdere mededelingen te doen.
Antwoord van Burgemeester en Wethouders
(ingekomen 6 september 2011)
1. Wat is de reden dat het huidige College nu totaal anders in het verhaal zit. Zoals blijkt uit de gesloten, en overigens zeer knullig opgestelde overeenkomst, met als onderwerp: Deelname aan het Haring- en Corenwijngala en garantstelling?
Het Haring- en Corenwijngala is tot voor kort georganiseerd door de Stichting Internationale Herdenking Leidens Ontzet. Deze stichting heeft onlangs besloten de organisatie van het gala te willen beëindigen, met ingang van 2011. Zowel de 3 October Vereeniging, als ons College, vinden het gewenst dat het gala wordt voortgezet, omdat het belangrijk is voor de internationale viering van Leidens Ontzet. Bovendien zien wij in het gala meerwaarde, door de mogelijkheden voor het relatiemanagement en netwerkbijeenkomsten voor onze stad.
Vanuit de 3 October Vereeniging is de Stichting tot Behoud van de Internationale Viering van het Ontzet van Leiden opgericht voor de jaarlijkse organisatie van het gala. In het voortraject hebben wij meegedacht met de initiatiefnemers en sponsors. Hieruit kwam naar voren dat de partijen grote waarde hechten aan betrokkenheid van de gemeente bij het gala. De mate waarin men de betrokkenheid waardeerde hebben wij in het verleden helaas en kennelijk onderschat. Veel private sponsoren gaven aan dat de betrokkenheid van de Gemeente voor hun cruciaal was om ook te blijven participeren.
Verder leert de ervaring dat het voor een aanzienlijk deel van de potentiële gasten en genodigden van het gala, door hun betrekking en herkomst, niet gebruikelijk is om zich te laten benaderen door bedrijven en instellingen, maar juist wel door de gemeentelijke overheid. Hierbij valt te denken aan leden van het kabinet, ambassadeurs en/of (in de regio wonende) kamerleden.
Omdat het de eerste keer is dat de aan de 3 October Vereeniging gelieerde stichting dit voor Leiden belangrijke gala organiseert, hebben wij op verzoek van de 3 October Vereeniging besloten om, naast de jaarlijkse participatiebijdrage van € 15.000,-- (waardoor ook de Gemeente Leiden zelfstandig 35 relaties kan uitnodigen), de stichting een eenmalige garantstelling van € 50.000,-- te verstrekken voor opvang van eventuele tekorten over 2011. Deze garantstelling is bedoeld als financiële achtervang voor het eerste jaar. Het ontbreekt de stichting bij oprichting immers zelf aan middelen voor opvang van een eventuele financiële tegenvaller.
Afhankelijk van het verloop van het gala dit jaar heeft de Gemeente de intentie uitgesproken om eventueel ook in het tweede jaar nog garant te staan voor het gala. Dit is dan vanzelfsprekend afhankelijk van de evaluatie, de financiële afrekening en onder de voorwaarde dat die garantie nooit groter kan zijn dan het bedrag dat is overgebleven van de garantstelling nadat die onverhoopt mocht zijn aangesproken.
2. Het College had tijdens het Diesgala van 14 mei jl. ook twee tafels gekocht. De gasten die aanzaten/uitgenodigd zijn waren dat gasten van landelijk en internationaal niveau. Zo ja, waarom dan dubbelop en dezelfde gasten 23 september nog een keer uitnodigen?
Zo nee, wat was dan het nut om twee tafels te kopen?
Wij nemen aan dat het 125-jarig jubileumgala van de 3 October Vereeniging op 13 mei jl. wordt bedoeld. Wij hebben op dat genoemde gala 1 tafel afgenomen voor ontvangst van onze gasten en relaties. Voor het Diez hadden wij leden van diverse Colleges van B&W uit de regio uitgenodigd. De genodigdenlijst voor het Haring- en Corenwijngala richt zich inderdaad ook meer op gasten met een landelijke of internationale achtergrond.
3. Hoeveel gemeentelijk personeel wordt er vrijgemaakt om, zoals u bent overeengekomen met de stichting tot behoud van de internationale viering van het Leids ontzet artikel 3, er voor te zorgen dat er van gemeentezijde gasten van landelijk en internationaal niveau worden uitgenodigd en het werven van sponsoren bij voorkeur vanuit het Bio Science Park. Kunt u deze inspanning in euro’s vertalen en uit welk potje wordt dit betaald?
Hiervoor wordt geen extra gemeentelijk personeel vrijgemaakt. De werkzaamheden passen binnen de reguliere taken van de unit Externe Betrekkingen en Kabinetszaken, dat belast is met de voorbereiding van de representatie van het gemeentebestuur.
4. Vindt het College dat het tot een van de taken van een gemeente behoort om sponsors te werven voor een externe stichting. Denkt u niet dat dit kan leiden tot belangen verstrengeling en derhalve nadelig kan uitpakken voor de gemeente Leiden?
Nee, het is niet onze taak om participanten te werven die ‘kaarten’ afnemen bij de stichting.
5. De gemeente Leiden staat garant voor 50.000 euro. Het is in deze tijden van bezuinigingen zeer wel denkbaar dat de garantstelling geëffectueerd moet worden wegens het uitblijven van sponsoren. Waar denkt het College het bedrag van 50.000 euro vandaan te halen?
De eenmalige garantstelling voor de organiserende stichting tot een bedrag van maximaal €50.000,-- voor eventuele tekorten, komt ten laste van Programma 3 Economie en Toerisme, Kostenplaats 613460 Citymarketing en valt binnen het bestaande budget. Deze garantstelling is bedoeld als eenmalige financiële achtervang voor het eerste jaar dat de stichting het Haring- en Corenwijngala organiseert.
6. Wat is de reden dat het B&W besluit 11.0675 van 21-6-2011 niet in de gemeenteraad is geweest? Waarom is het niet openbaar?
Het besluit is gewoon openbaar en raadpleegbaar via het RaadsInformatieSysteem (RIS). Direct na het nemen van het besluit op 21 juni jl. is het besluit korte tijd ‘uitgesteld openbaar’ geweest, omdat de bedoelde stichting nog niet opgericht was. Het besluit is niet in de Raad geweest, omdat het een bevoegdheid is van ons college.
Roze zaterdag
(Ingekomen 8 augustus 2011)
De eerste Roze Zaterdag als jaarlijks georganiseerde homo/lesbische demonstratie/manifestatie in Nederland, werd op de laatste zaterdag van juni 1978 georganiseerd.
Vanaf 1979 gebeurde dat onder de naam Roze Zaterdag. In werd deze dag uitgebreid naar een Roze Week, en vond de demonstratie voor het eerst buiten Amsterdam plaats, in Den Bosch. Sindsdien trekt de demonstratie elk jaar door een andere stad, en veranderde het protest-karakter van de demonstratie meer in een parade die tot doel heeft de diversiteit van homo's, lesbo's, biseksuelen en transgenders te tonen en zo het begrip te vergroten. Gemeentes kunnen zich opgeven en twee jaar van tevoren wordt bepaald in welke stad het event dan plaats zal vinden. Dit jaar organiseerde Groningen een zeer succesvolle Roze Zaterdag in nauwe samenwerking met de gemeente Groningen.
D66 heeft onlangs bij de verschillende homobewegingen in de stad gepolst of zij animo hebben om Roze Zaterdag naar Leiden te halen. Er is tot nu toe positief gereageerd, maar wel werd geconstateerd dat dit veel voorbereiding vraagt van de vrijwilligersorganisaties en dat 2015 het vroegst haalbare jaar lijkt. Op basis van hun reactie stelt de fractie van D66 op basis van artikel 45 van de Gemeentewet enkele vragen aan het college.
Antwoord van Burgemeester en Wethouders
(ingezonden 13 september 2011)
1. Staat het college er open voor om, samen met het COC en andere netwerken in de stad, Leiden in te schrijven om Roze zaterdag naar Leiden te halen?
Het college staat in principe positief tegenover de organisatie van een Roze zaterdag in Leiden. Belangrijke voorwaarde is wel, dat het initiatief gedragen wordt door een breed scala van Leidse organisaties en dat er voldoende menskracht in de stad voor langere tijd beschikbaar is voor de organisatie van de Roze Zaterdag. In dit verband merken wij op dat het COC heeft aangegeven dat 2016 (en niet 2015 zoals u aangeeft) een haalbare termijn is ivm de voorbereiding.
1a. Zo ja hoe ziet u dan de rol van de gemeente?
Wanneer het draagvlak voor de Roze Zaterdag voldoende blijkt om deze te organiseren, is het college bereid financiële steun voor het evenement in overweging te nemen. Ook is het college bereid om de organisatie waar mogelijk te faciliteren.
De gemeente zal echter geen actieve rol spelen bij de organisatie van het evenement.
1b. Zo nee waarom niet?
Niet van toepassing
2. Bent u bereid in overleg te treden met de Leidse organisaties die zich richten op seksuele diversiteit, om Roze Zaterdag naar Leiden te halen en daarvan een succes te maken?
Zie vraag 1 en 1a.
3. Mocht u positief tegen het voorstel aan staan, is het college dan ook bereid om zich (met het COC / LCC e.a.) extra in te spannen om Roze Zaterdag naar Leiden te halen?
Ja, zie antwoord 1.
3a. Zo ja, hoe ziet u dit voor zich? Kunt u zich voorstellen dat er een comité wordt opgericht die o.a. de aanmelding realiseert en het bidboek schrijft?
Ja, dit is zelfs een verplichting. Zie antwoord 1a.
3b. Zo nee, waarom niet?
Zie vraag 1 en 1a.
Koppeling rioolheffing aan waterverbruik
(Ingekomen 19 april 2011)
GroenLinks en D66 maken zich al jaren samen sterk voor een beter milieu. Verstandig met water om gaan hoort daarbij. Daarom zijn beide partijen voorstander van het zo veel mogelijk betalen van belastingen naar werkelijk verbruik en vervuiling. Dat geeft tevens een rechtvaardigere verdeling van de kosten die Leiden rekent voor het onderhoud van het riool.
In Leiden betalen burgers rioolheffing nog niet op basis van werkelijk waterverbruik. In Oegstgeest, Wassenaar en Gouda betalen burgers – blijkens het aanslagbiljet van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland – wel rioolheffing naar rato van werkelijk waterverbruik. Dus in Leiden is het baseren van de rioolheffing op basis van werkelijk waterverbruik ook mogelijk. Voor bedrijven is dit zelfs relatief eenvoudig, omdat de belastingsamenwerking hun waterverbruik al kent vanwege de waterschapsbelastingen, die op waterverbruik zijn gebaseerd.
Op grond van artikel 45 van het Reglement van Orde voor de vergaderingen van de Gemeenteraad, willen GroenLinks en D66 u daarom de volgende vragen stellen:
Antwoord van Burgemeester en Wethouders
(ingezonden 7 juni 2011)
Inleiding
Alvorens over te gaan op de beantwoording van de door u gestelde vragen hebben wij de vrijheid genomen tot het maken van enige inleidende opmerkingen.
Uit uw inleiding tot uw vragen maken wij op dat u uit het aanslagbiljet dat vanuit de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland (BSGR) is verzonden, heeft afgeleid dat andere deelnemers wel heffen naar werkelijke m3 waterverbruik en dat dit dus ook bij Leiden mogelijk moet zijn. Op de heffingsmaatstaf bij de andere deelnemers zullen wij onder 3 uitgebreid ingaan. Het blijkt dat in de meeste gevallen sprake is van een heffing onafhankelijk van het werkelijke verbruik omdat er een vast bedrag tot en met een bepaald verbruik wordt geheven. Wij achten de praktische bezwaren bij een rioolheffing per m3 waterverbruik dusdanig groot dat we alleen daarom al niet zullen voorstellen over te gaan op een rioolheffing per m3 waterverbruik.
Daarnaast is er ook nog de meer inhoudelijke argumentatie. Voor een volledige weergave van de recentelijk nog gevoerde discussie verwijzen we naar de documenten zoals destijds gewisseld en de verslaglegging van de discussie in de commissie.
Voor wat betreft de meer inhoudelijke overwegingen noemt u heffing naar verbruik en vervuiling, te verwachten drinkwaterbesparing en rechtvaardigere verdeling van de kosten van onderhoud van het riool.
Uit onderzoek blijkt echter dat het drinkwaterverbruik nauwelijks afhankelijk is van de prijs en dat besparingen op waterverbruik via die prikkel dus nauwelijks te verwachten zijn.
Verder zijn de rioleringskosten ook toe te rekenen aan verwerking van het regenwater. De VNG heeft in een rapport in 2004 aangegeven dat dit zelfs de belangrijkste kostenveroorzaker in de afvalwaterketen is.
Daar komt nog bij dat de kosten van de riolering voor een belangrijk deel vaste kosten zijn die niet direct toe- of afnemen bij meer of minder afvoer van afvalwater.
Verder kan bij een heffing naar verbruikte m3 drinkwater een substantieel deel van de belastingplichtigen niet naar hun daadwerkelijke eigen verbruik worden aangeslagen, is een lastenverschuiving naar een minder draagkrachtige groep te verwachten (blijkt uit onderzoeken naar waterverbruik), zal het gemiddeld verschuldigde bedrag toenemen (bij doorberekening van een duurdere uitvoering en hogere kwijtschelding) en is de tariefberekening complex (in verband met gebruik van externe gegevens, eliminaties waarbij forfaits in de plaats moeten komen en nieuwe inschattingen omtrent kwijtschelding) waardoor de opbrengst minder zeker wordt.
1. Betalen bedrijven al wel rioolheffing naar rato van hun waterverbruik? Zo nee, waarom niet?
Ja maar met een vast bedrag voor verbruiken tot en met 250 m3. Voor het verbruik boven de 250 m3 is een bedrag per verbruikte m3 verschuldigd.
2. Welke uitdagingen ziet het college voor het baseren van de rioolheffing op werkelijk waterverbruik voor burgers c.q. bedrijven?
De praktische problemen bij een heffing naar m3 drinkwaterverbruik in Leiden blijken uit het volgende.
In 2008 zijn gegevens opgevraagd van het waterbedrijf. Uit deze gegevens bleek, dat er veel minder verbruiksgegevens dan belastingobjecten waren (42.000 verbruiksgegevens tegenover 56.500 objecten). Voor het allergrootste deel moest dat te maken te hebben met groepsmeters. Ook zaten er niet bruikbare verbruiksgegevens bij (zagen op een ander jaar of waren negatief). Voor al deze objecten zou iets moeten worden geregeld.
Ook bij verhuizingen en bij nieuwe objecten kunnen de bewoners niet worden aangeslagen voor hun eigen waterverbruik. In die gevallen is immers ook geen verbruik eindigend in het jaar voorafgaand aan het belastingjaar bekend, en wel doorgaans voor twee belastingjaren niet. Op zich lijkt het toegestaan om bij verhuizingen aan te slaan naar het verbruik van de vorige bewoners maar dat betreft dan dus geen heffing naar eigen verbruik.
In al die gevallen waarin geen individueel drinkwaterverbruik bekend is zou dan waarschijnlijk een forfait de oplossing moeten zijn. Maar dat zou dus wel voor een substantieel deel van de belastingplichtigen gaan gelden. Forfaits zijn ook niet zonder risico’s. In een uitspraak van Hof ’s-Hertogenbosch werd een door een gemeente gesteld forfait als een onredelijke en willekeurige belastingheffing aangemerkt. In het betreffende geval werd het forfait door het Hof afgezet tegen verschillende gemiddelde verbruiken bij verschillende groepsmeters en het gemiddelde bij de betreffende groepsmeter. Dat zou impliceren dat alsnog ook gemiddelden zouden moeten worden bepaald, die tegen het forfait zouden moeten worden afgezet. Wellicht zou een landelijk gemiddeld verbruik, gerelateerd aan de betreffende huishoudenomvang, met een tegenbewijsregeling volstaan maar ook zo’n regeling zou extra uitvoeringswerk met zich brengen. Het werken met forfaits leidt in een stad als Leiden waarin veel objecten niet zijn voorzien van een eigen watermeter tot een complexe uitvoering.
Overigens is het ook een zeer grote uitdaging de aanslagen rioolheffing die zijn gebaseerd op de daadwerkelijk verbruikte m3 water, in februari op te leggen. De verbruiksgegevens komen pas aan het begin van het jaar beschikbaar en moeten dan nog worden verwerkt. Het is dus de vraag of het zal lukken deze rioolheffing op de verzamelde aanslag in februari mee te nemen. Als dat niet het geval zou zijn dan druist dat in tegen de één-aanslag-gedachte en de efficiencyvoordelen die ten grondslag liggen aan de BSGR.
3. Hoe zijn deze uitdagingen in de genoemde buurgemeenten overwonnen?
In de meeste gevallen is sprake van een heffing onafhankelijk van het werkelijke verbruik omdat er een vast bedrag tot en met een bepaald verbruik in rekening wordt gebracht. Bij Gouda geldt een vast bedrag voor verbruiken t/m 400 m3. Bij Oegstgeest geldt voor verbruiken t/m 250 m3 een vast bedrag (met wel een onderscheid tussen gebruik door één en gebruik door meer personen).
Een tweepersoonshuishoudens verbruikt gemiddeld 91 m3 per jaar. De genoemde verbruiken zitten zelfs boven het gemiddelde van een vijfpersoonshuishouden (gem. 201 m3). Het Coelo (van het Belastingoverzicht Grote gemeenten) spreekt in situaties waarbij tot een verbruik van 250 m3 hetzelfde tarief van toepassing is, van een vastrecht.
Wassenaar hanteert bij woningen een vast bedrag voor verbruiken t/m 80 m3 en bij de niet-woningen voor verbruiken t/m 120 m3. In die gemeente wordt dan ook wel een groter deel van de woningen daadwerkelijk ook voor een bedrag per m3 aangeslagen.
De andere deelnemers, waaronder de grootste: het Hoogheemraadschap van Rijnland, heffen bij woningen niet naar waterverbruik.
Het Hoogheemraadschap heeft juist, op basis van een uitgebreid onderzoeksrapport, besloten bij woningen niet over te gaan op een zuiveringsheffing naar m3 drinkwaterverbruik. Genoemde nadelen waren:
a) dat nauwelijks minder drinkwaterverbruik te verwachten is en
b) de extra zorg die voor Rijnland zou optreden door de hoge extra kosten, de complexiteit van de heffing, de afhankelijkheid van drinkwaterbedrijven en de problemen bij het ontbreken van verbruiksgegevens.
We hebben bij de BSGR nagevraagd hoe de heffing naar daadwerkelijk waterverbruik is gegaan. Uitsluitend bij Wassenaar heeft op dit moment een heffing per daadwerkelijk verbruikte m3 plaatsgevonden (het betreft dan nog geen 7.000 objecten met een verbruik van boven de 80/120 m3). Bij Wassenaar zijn bij groepsmeters afzonderlijke afspraken gemaakt en worden bij verhuizingen de nieuwe bewoners aangeslagen naar het verbruik van de vorige bewoners (met een tegenbewijsregeling). Bij Oegstgeest en Gouda is op dit moment het vaste bedrag opgelegd.
Verder is gebleken dat een geautomatiseerde koppeling met de waterverbruikgegevens (die worden aangeleverd door het waterbedrijf) dit jaar niet is gelukt en de verbruiken dus handmatig zijn verwerkt.
4. Welke stappen moet Leiden nu zetten om de rioolheffing voor burgers c.q. bedrijven te baseren op werkelijk waterverbruik?
Zoals in onze inleiding opgemerkt zijn wij niet voornemens de Raad voor te stellen om over te gaan op een heffing per werkelijk verbruikte m3.
5. Wat zijn de met deze stappen gemoeide kosten?
Een inschatting maken van deze kosten is pas mogelijk als je exact zou weten op welke manier je zou willen gaan heffen. Uit het voorgaande moge duidelijk zijn dat de uitvoeringskosten, afhankelijk van de manier van heffen, zowel incidenteel bij invoering als structureel hoger zouden zijn.
6. Zegt het college toe hierover bij de begroting voorstellen te doen?
Wij hebben niet het voornemen de Raad voor te stellen om over te gaan op een heffing per daadwerkelijke m3 waterverbruik.
Niet doorgaan van de Happietaria
(Ingekomen 8 oktober 2010)
De fracties van GroenLinks en de ChristenUnie maken zich zorgen over het mogelijk niet doorgaan van de Happietaria van 8 tot en met 27 november in Leiden. Happietaria wordt jaarlijks georganiseerd door de christelijke studentenverenigingen in Leiden. Studenten runnen vrijwillig drie weken lang een restaurant waarvan de opbrengsten naar een goed doel gaan. De organisatie heeft kort voor de geplande opening nog nog geen geschikte lokatie in Leiden gevonden.
De Happietaria zal dit jaar in het teken staan van ‘Water en Sanitatie’. Met de opbrengsten uit het restaurant steunt Happietaria twee projecten in Myanmar en in Mozambique die gericht zijn op het verbeteren van de watervoorziening. Bovendien streeft de organisatie ernaar mensen bewust te maken van de ontwikkelingsproblematiek in de Derde Wereld.
De fracties van GroenLinks en de ChristenUnie zouden het erg jammer vinden als een dergelijk lovenswaardig initiatief in Leiden geen doorgang zou kunnen vinden. Voor de vele vrijwilligers, de reeds verrichte voorbereidingen maar ook voor de inwoners van Leiden. Wij vinden daarom dat de gemeente Leiden de Happietaria moet ondersteunen waar dat mogelijk is. Vanwege de tijdelijkheid van de vestiging van het restaurant zijn de eisen aan het pand beperkt.
Derhalve stellen wij op grond van artikel 45 van het Reglement van Orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad, het college de volgende schriftelijke vragen.
Antwoord van Burgemeester en Wethouders
(ingezonden 2 november 2010)
1: Is het college bekend met het feit dat de Happietaria op zoek is naar een geschikte locatie voor het restaurant in de periode 8 tot en met 27 november?
Ja, sinds kort
2: Zijn er in de vastgoedportefeuille van de gemeente panden die voor dit doel geschikt zouden kunnen zijn? Zo ja, is de gemeente bereid deze ter beschikking te stellen of hier met de organisatie over in overleg te treden?
Wij hebben, ondanks het late verzoek (verzoek kwam begin oktober bij ons binnen) van de stichting Happietaria, uitgebreid gekeken naar de mogelijkheden voor het tijdelijk vestigen van de Happietaria in één van de objecten uit onze vastgoedportefeuille. In ons vastgoedbestand blijken geen panden te zitten die voldoen aan alle eisen die noodzakelijk zijn voor de horeca-activiteiten van de stichting. Een pand moet namelijk voldoen aan hoge brandveiligheidseisen en er dient een vetput aanwezig te zijn. We hebben zelfs overwogen om de kantine van het stadshuis beschikbaar te stellen voor dit goede doel. Helaas bleek de kantine van het Stadhuis qua ruimte (het was met name te klein) niet te voldoen aan de eisen van de stichting.
Het gemeentelijk pand. dat Happietaria in de afgelopen jaren heeft gebruikt voldeed niet aan de brandveiligheidseisen t.a.v. horeca en was niet voorzien van een vetput waardoor problemen zijn ontstaan met de afvoer. Daarnaast heeft zich in het verleden een aantal incidenten voorgedaan met de organisatie van de Happietaria. Aanwijzingen van de Brandweer en de beheerders aangaande brandveiligheid en de veiligheid van de overige gebruikers van het pand werden niet nageleefd en afval werd achtergelaten. Dit ondanks veelvuldig overleg met de organisatie.
3: Zijn er panden van derden, waar het college ambtshalve weet van heeft, die geschikt zouden kunnen zijn voor dit doel? Zo ja, is het College bereid om zich in te spannen partijen (de organisatie van Happietaria en de eventuele eigenaar) bij elkaar te brengen?
Inmiddels hebben wij vernomen dat SLS een pand aan de Middelste gracht 8 ter beschikking heeft gesteld aan de stichting Happietaria. Uiteraard zouden wij bereid zijn geweest om ons, indien nodig, in te spannen om partijen bij elkaar te brengen.
4. Is het College in geval het vinden van een pand – gezien de korte termijn voor de opening – bereid extra spoed te betrachten bij het behandelen van vergunningsaanvragen e.d.?
Ja, hiertoe is het college absoluut bereid.
Er heeft inmiddels een inspectie plaatsgevonden in het pand aan de Middelste gracht 8 door de brandweer in het kader van de brandveiligheid. Na het nemen van enkele maatregelen door de stichting Happietaria, ziet het er naar uit dat het pand veilig gebruikt kan worden.
Daarnaast wordt spoed betracht bij het doorlopen van de vergunningaanvragen,o.a. voor het verkrijgen van een ontheffing voor het schenken van alcohol. Wel moet hierbij worden aangetekend dat deze ontheffing slechts kan worden verleend voor een aaneengesloten periode van 12 dagen, zoals dat ook in januari 2009 is gecommuniceerd naar de stichting Happietaria.
Financiele ontwikkeling meerjarenraming
(Ingekomen 9 september 2010)
Antwoord van Burgemeester en Wethouders
(ingezonden 28 september 2010)
1. Welke huisvestingsproblematiek wordt hier concreet bedoeld en wat is de aard er van? Hebben ze betrekking op het gebruik van de bestaande huisvesting of op de nieuwe huisvesting van het voormalige belastingkantoor? Graag een uitsplitsing en verklaring van het tekort
De betreffende huisvestingsproblematiek omvat de huisvesting van alle gemeenteambtenaren, dus inclusief de huisvesting van ambtenaren in het pand Stationsplein 107 (het voormalig Belastingkantoor). De gepresenteerde tekorten hebben betrekking op
a. de voor het pand Stationsplein bepaalde huur;
b. de zogenaamde kosten van services zoals bijvoorbeeld schoonmaak, beveiliging, catering etc. voor alle panden waarin ambtenaren zijn gehuisvest;
c. tenslotte wordt het tekort veroorzaakt door een niet gerealiseerde taakstelling uit het Strategisch huisvestingsplan 2007 – 2012. Ook hier wordt in deze beantwoording nader op in gegaan.
Helaas is op dit moment nog niet in te schatten of de uitkomst van deze actualisatie positief of negatief zal zijn. Om een totaalbeeld van de problematiek te krijgen is inmiddels een start gemaakt met de actualisatie van deze plannen. Een rapportage hierover wordt in het eerste kwartaal 2011 verwacht.
Over deze uitkomst zal de raad worden geïnformeerd.
In januari 2010 bereikten de concerndirectie de eerste signalen over mogelijke ontoereikendheid van budgetten voor de huisvesting van gemeenteambtenaren.
De concerndirectie heeft vervolgens direct opdracht gegeven een nader onderzoek in te stellen.
Omdat onzeker was wat de uitkomsten van dat onderzoek zouden zijn en er dus onvoldoende basis was om op de deze uitkomsten vooruit te lopen is op dat moment nog geen melding gemaakt van dit onderzoek. Op basis van de eerste prognoses is de wethouder door de concerndirectie in de zomer 2010 mondeling geïnformeerd. In augustus 2010 kwamen de definitieve onderzoeksresultaten beschikbaar en is het college schriftelijk geïnformeerd.
Vervolgens is de raad geïnformeerd middels de brief Financiele ontwikkelingen Meerjarenraming 2011-2014.
De uitkomsten van het bovengenoemd onderzoek bleken verstrekkend:
Tekort panden gemeentepersoneel (in mln €) Afdeling 2010 2011 2012 2013 2014
Totaal tekort interne huur Stationsplein inclusief dekkingsmogelijkheden HSI -0,5 -0,3 -0,6 -0,6 -0,6
Totaal tekort services Stationsplein inclusief dekkingsmogelijkheden HSI -0,5 -0,5 -0,3 -0,3 -0,3
Tekort services overige panden gemeentepersoneel HSI -0,5 -0,4 -0,5 -0,5 -0,5
Totaal tekort panden gemeentepersoneel: -1.5 -1.2 -1.4 -1.4 -1.4
De berekende tekorten voor de huurlasten Stationsplein zijn mede het gevolg van tekortkomingen in eerdere voorstellen met betrekking tot de huisvesting en gemaakte fouten bij de uitvoering van eerder genomen besluiten.
Zo is bij de verwerking van het besluit tot aankoop van het Stationsplein abusievelijk de vrijval van kapitaallasten van € 400.000 structureel op het restant herhuisvestingkrediet niet als dekking ingezet, maar opgenomen in het resultaat over 2007.
Ook is door onduidelijkheid over de herkomst van een budget een deel ad € 300.000 vanaf 2012 abusievelijk ingezet als dekking voor de verbouwing van het Stadsbouwhuis.
Er is, zoals reeds is gemeld bij de behandeling van de jaarrekening 2009, tevens sprake van een tekort als gevolg van een niet gerealiseerde taakstelling die in de Programmabegroting 2010 is opgenomen op basis van het in 2007 door B&W vastgestelde Strategisch huisvestingsplan:
Taakstelling uit Strategisch huisvestingsplan 2007-2012 HSI/VAG -0,6 -0,9 -0,9 -0,9 -0,9
Deze taakstelling is met name gebaseerd op centralisering van de huisvesting voor gemeenteambtenaren, flexibilisering van werkplekken en aanpassing van het convenant met de ondernemingsraad over de m2 per werkplek, de zogenaamde “Leidse norm”.
Wat dit laatste betreft kon geen overeenstemming worden bereikt met de ondernemingsraad. Wat betreft centralisering van de huisvesting zijn recent de eerste stappen gezet met de ingebruikname van het pand Stationsplein 107 en het in verband daarmee afstoten van een aantal locaties zodra de verbouwing van het Stadsbouwhuis is afgerond. Zodra dit het geval is zullen de volgende panden worden afgestoten: Breestraat 24 (HRM), Breestraat 70 (Griffie), Langebrug/Steenschuur (Back Office Dienstverlening) en Zonneveldstraat (KDG).
Naar de huidige inzichten zal de voorgestane volledige centralisatie, te weten naast het Stadhuis één onderkomen voor de huisvesting van ambtenaren, na afloop van de voorgenomen gebruiksperiode van het pand Stationsplein, dit zal zijn in 2020, kunnen worden gerealiseerd.
Tussentijds zal worden ingezet op (deel)maatregelen uit het Strategisch huisvestingsplan 2007-2012 om een deel van de taakstelling alsnog te realiseren.
Wat betreft het tekort voor services is uit het genoemde onderzoek gebleken dat structureel sprake is van onvoldoende budget. In het verleden is dit onvoldoende duidelijk geworden doordat overschrijdingen op huisvestingsbudgetten werden doorbelast aan alle producten. Met de reorganisatie Anders Werken en de verbeteringen in de organisatie die daardoor de afgelopen tijd zijn gerealiseerd en een meer expliciete inrichting van de administratie voor de gemeentelijke panden, is nu beter zicht ontstaan op de daadwerkelijke kosten. Hierdoor kan ook een betere sturing plaatsvinden. Daarnaast zijn in de loop van de tijd werkzaamheden toegenomen en zijn de hiervoor te maken kosten niet altijd of niet volledig gecompenseerd. Daar waar mogelijk worden deze tekorten teruggedrongen, bijvoorbeeld door het hanteren van aanbestedingsprocedures, waarbij uiteindelijk het nu berekende tekort resteert.
Wat betreft de tekorten voor services Stationsplein 107 is sprake geweest van onjuiste aannames. Verondersteld is dat de kosten van services voor het Stationsplein gedekt zouden kunnen worden uit de vrijval van budgetten voor servicekosten van in verband met de ingebruikname van het pand Stationsplein af te stoten panden. Hier gaat hier om de panden Langebrug/Steenschuur, Zonneveldstraat, Breestraat 24 en Breestraat 70.
Dit bleek uiteindelijk onvoldoende het geval, enerzijds in verband met de hiervoor aangegeven reden (doorbelasting tekorten aan producten waardoor overschrijdingen niet zichtbaar werden) en anderzijds omdat in een aantal van de genoemde panden slechts in beperkte mate sprake is van voorzieningen en dus van vrijval van kosten. Bovendien is in een groot pand, zoals bij het Stationsplein, sprake van extra kosten zoals voor catering, receptie en beveiliging. Zo was bijvoorbeeld in een aantal van de bovengenoemde panden geen catering/kantinevoorziening of beveiliging aanwezig.
2. Indien het mede gaat om huisvesting in het voormalig belastingkantoor: Waarom was deze nog niet voorzienbaar tijdens de eerdere discussies over tegenvallers die hierover in de raad zijn geweest?
Zie hiervoor het antwoord op en de specificatie bij vraag 1.
Daarbij kan nog worden aangevuld dat het in eerdere informatie aan de gemeenteraad met betrekking tot financiële problemen rond het voormalige Belastingkantoor met name ging om de geconstateerde discrepantie tussen beschikbare middelen ten behoeve van de noodzakelijke verbouwing en de doorrekeningen van het met het UWV ontwikkelde plan. Op basis van deze constatering is destijds besloten het oorspronkelijk plan om het Back Office Dienstverlening samen met het UWV onder te brengen in het voormalige Belastingkantoor niet door te zetten.
Het jaarlijkse exploitatietekort in de jaren 2008-2009 op Stationsplein 107 als gevolg van het feit dat er door de hiervoor beschreven reden geen gebruik kon worden gemaakt van het gebouw en derhalve geen huurinkomsten konden worden gegenereerd, zijn over de jaren 2008 en 2009 verantwoord in het PRIL en daarmee ook in de jaarrekeningen 2008 en 2009.
De verbouwing van het Stationsplein 107 is nagenoeg afgerond en gerealiseerd binnen de daarvoor vastgestelde budgettaire kaders.
3. Op welk tijdstip was deze tegenvaller bekend aan het College? Hoe kan het dat - gezien het enorme bedrag van de tegenvaller – hier bij de update van het meerjarenbeeld in het voorjaar nog niets van bekend was/van was gemeld?
Het college is door de concerndirectie per brief van 1 september 2010 geïnformeerd over de uitkomsten van het uitgevoerde onderzoek. Ten tijde van de update van het meerjarenbeeld in het voorjaar was het onderzoek nog in volle gang. Er was onvoldoende inzicht om de raad adequaat te informeren.
In de onderzoeksrapportage wordt ook gesignaleerd dat er nog een aantal ontwikkelingen is op het gebied van huisvesting waarvan mogelijke, deels incidentele, financiële gevolgen pas op een later moment duidelijk worden. Het betreft ondermeer de afronding van dossiers met betrekking tot Het Motorhuis, de UWV-claim inzake het pand Stationsplein en de nog lopende discussie met het UWV inzake de kosten voor het Stadsbouwhuis, extra huurkosten voor de locatie Langebrug omdat de verbouwing van het Stadsbouwhuis niet op 1 januari 2011 zal zijn afgerond en kosten voor het gebruik van de locatie Morsweg 1.
In dat laatste pand zijn nu tijdelijk ambtenaren gehuisvest vanwege de verbouwing van het Stadsbouwhuis. Naar het zich laat aanzien is deze laatste locatie nog enige tijd nodig om alle Leidse ambtenaren te kunnen huisvesten.
De raad zal worden geïnformeerd over relevante vervolgontwikkelingen.
IJsbaan Nieuwe Rijn en Centrummanagement
(ingekomen 15 juni 2010)
Schriftelijke vragen aan het College van Burgemeester en Wethouders van de raadsleden P. BORST en P. LAUDY (VVD) inzake ijsbaan Nieuwe Rijn en Centrummanagement (ingekomen 15 juni 2010)
Antwoord van Burgemeester en Wethouders
(ingezonden 24 augustus 2010).
Heden werd bekend dat het Centrummanagement 100.000 euro verlies lijdt, met name als gevolg van de exploitatie van de ijsbaan op de Nieuwe Rijn afgelopen winter. Het verlies betreft maar liefst een kwart van de gehele begroting van het centrummanagement. (LD, 15 juni 2010)
De VVD-fractie is enthousiast pleitbezorger van het ondernemersfonds en het centrummanagement, maar kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de financiële controllfunctie bij deze partners onvoldoende wordt uitgeoefend. Daarmee komen activiteiten ten behoeve van ondernemers en meer specifiek de binnenstad in potentie onder druk te staan en dat baart de fractie van de VVD zorgen. Daarom stellen wij uw college op grond van artikel 43 van het reglement van orde graag onderstaande schriftelijke vragen.
Het tekort is een gevolg van de tegenvallende bezoekersaantallen (i.v.m. weersomstandigheden) aldus het Centrummanagement. Eerder begrepen wij dat er ruim 11.000 bezoekers waren. Gerekend werd op 10.000 tot 15.000 bezoekers. (aldus het Centummanagement in het LD van 04-01-2010)
Vooraf: het Centrummanagement is geen gemeentelijke instelling. De gemeente Leiden is ook geen bestuurslid in de stichting. De gemeente heeft de rol van subsidieverstrekker en het Centrummanagement is subsidieontvanger die prestaties levert in ruil voor die subsidie. Op ambtelijk niveau wordt het bestuur wel geadviseerd door de gemeente Leiden en ook in de adviesraad zit ambtelijke vertegenwoordiging. De rol van subsidieverstrekker leidt tot een zekere afstand. Directe invloed op beslissingen die worden genomen is niet aanwezig.
1. Hoe verhoudt de huidige situatie zich tot de berichtgeving vanuit het Centrummanagement in januari (!) van dit jaar dat met inachtneming van toen bekende bovenstaande cijfers dat “de ijsbaan geslaagd is” en reden om “het experiment volgend jaar voort te zetten” (bron: LD 04-01-2010)? Welke voortschrijdende inzichten hebben zich sinds januari van dit jaar voorgedaan en waarom waren deze inzichten in januari nog niet bekend?
Uit het jaarverslag van het Centrummanagement (CML) is op te maken dat de stad zeer te spreken was over de ijsbaan en publiciteit en bezoekers heeft opgeleverd. Het CML vraagt zich in het jaarverslag echter af of ze de komende jaren een IJsbaan nog wel zelf kan organiseren. Zowel gezien de zware wissel die het getrokken heeft op de organisatie van CML alsook de financiële gevolgen is het antwoord hierop negatief. In de subsidieaanvraag 2011 wordt aangegeven dat CML nauw betrokken blijft bij de organisatie van een ijsbaan in 2011 maar dat afspraken zijn gemaakt met een evenementenbureau. Het is echter nog niet zeker dat er een ijsbaan komt. In de begroting van het Centrummanagement wordt een bedrag ad € 10.000 gereserveerd voor de ijsbaan in 2011.
2. In hoeverre deelt het college de mening van het Centrummanagement dat er sprake is van een tegenvallend aantal bezoekers afgezet tegen de hierboven genoemde verwachting?
In het jaarverslag wordt vermeld de ijsbaan met ruim 10.000 bezoekers en de brede aandacht in de lokale, regionale en landelijke medio een geslaagd evenement kan worden genoemd. Echter, door het slechte weer zijn de inkomsten achtergebleven, dit was een ondernemersrisico waarvan het CML zich tevoren bewust was.
Zelfs indien het maximum van 15.000 bezoekers zich had gemeld leert een snelle rekensom dat 4000 extra bezoekers tegen een entree van 5 euro in totaal 20.000 euro aan meeropbrengsten had opgeleverd. Er resteert dan nog een tekort van 80.000 euro.
3. Deelt het college de mening van de VVD dat de bezoekersaantallen afgezet tegen de verwachting daaromtrent niet uitsluitend de reden kunnen zijn voor een niet begroot tekort van 100.000 euro?
Uit het jaarverslag valt op te maken dat het Centrummanagement in 2009 extra evenementen en activiteiten heeft georganiseerd. Juist in economisch minder goede tijden heeft men dit signaal af willen geven en zo willen bijdragen aan de levendigheid en economisch klimaat van de binnenstad De activiteiten op zich en ook de promotie ervan hebben achteraf gezien een te zware wissel getrokken op het CML. Deze intensivering kwam naast het exploitatieverlies van de ijsbaan. Het jaarverslag van het CML schrijft dit naast tegenvallende inkomsten ook toe aan de hogere kosten voor inhuur van personeel en de hogere brandstofkosten door de relatief warme temperatuur in de periode van de ijsbaan.
4. Welke andere oorzaken kent het tekort bij de exploitatie van de ijsbaan?
Zie antwoord bij vraag 3
5. Welke andere oorzaken kent het totaal tekort bij het Centrummanagement anders dan de exploitatie van de ijsbaan?
Zie antwoord bij vraag 3
Het tekort van 100.000 euro wordt gedekt uit voorschotten uit het ondernemersfonds t.b.v. de jaren 2010 en 2011 en uitbesteding van de organisatie van evenementen.
6. Hoe verhouden de oorzaken in antwoord op de vragen 4 en 5 zich in financieel opzicht tot de gekozen oplossingsrichting van uitbesteding van organisatie van evenementen? Om welke evenementen gaat dat en welke besparing in de begroting verwacht men daarmee te realiseren?
In het jaarverslag 2009 wordt vermeld dat het CML ervoor kiest terug te gaan naar de core-business en ervoor kiest zaken aan andere organisaties te laten. Gekozen wordt tot het organisatorisch anders invullen van het Huis van Sinterklaas en de IJsbaan en het onderbrengen van de promotiecampagnes Zomer in Leiden en Winter in Leiden bij Leiden Marketing.
7. Wat betekent deze uitbesteding concreet voor activiteiten en evenementen in 2010 en 2011?
In de subsidieaanvraag 2011 (activiteitenplan) wordt vermeld dat het CML nauw betrokken zal blijven bij de Intocht van Sinterklaas, het Huis van Sinterklaas en de IJsbaan maar niet de totale organisatie ter hand neemt.
Ook zal CML evenementen als Cum Laude concerten, de Leidse Jazzweek, het Leids filmfestival en het Crocs City Beach Festival helpen middels een financiële bijdrage of het zorgdragen van een onderdeel van het evenement. De verkiezing van de Beste Winkel van Leiden zal CML wel geheel zelf organiseren. Het CML zal Leiden Marketing op verzoek zowel organisatorisch als financieel bijstaan. Bijvoorbeeld bij de organisatie van het Glazen Huis 2011.
Het CML zal niet langer als initiator van promotiecampagnes maar als partner van het Netwerk Stadspartners participeren in de totstandkoming van promotiecampagnes.
De begroting 2010 is bijgesteld en in veel gevallen zal in 2010 al een voorschot worden genomen op de gewijzigde rol van het CML.
8. Hoe duidt het college de financiële positie van het Centrummanagement als gevolg van deze ontwikkelingen in de jaren 2010 en 2011? Hoe verhoudt naar het inzicht van het college deze financiële positie zich tot de wens van het voortzetten van de ijsbaan als activiteit?
Op grond van het jaarverslag 2009 en op grond van de subsidieaanvraag 2011 heeft het college het vertrouwen dat CML het financiële tekort kan inlopen. Het is duidelijk dat CML minder risico kan nemen dan voorheen omdat buffers ontbreken. Uiteindelijk zal het bestuur van CML hierover een besluit dienen te nemen.
Wij hebben de indruk dat de hogere opbrengsten uit het ondernemersfonds toegerekend worden aan geprognosticeerde hogere OZB-opbrengsten.
9. Is deze indruk juist en hoe verhoudt deze verwachting zich tot de beleidsambitie van het college om de belastingen verder te vergroenen, waarbij een boventrendmatige hogere OZB-opbrengst niet voor de hand ligt?
De hogere opbrengst waarmee CML het tekort uit 2009 deels wil dekken betreft een positieve afrekening uit het jaar 2006 en 2007 van het Ondernemersfonds. De subsidie die het Ondernemersfonds ontvangt is gebaseerd op een gedeelte van de OZB-opbrengst. Deze opbrengst kan eerst na 3 jaar definitief worden vastgesteld. Er bleek meer belasting geïnd te zijn dan geprognosticeerd. Dat heeft in de belastingjaren 2006 en 2007 geleidt tot een nabetaling aan het Ondernemersfonds die in 2009 respectievelijk 2010 bekend is geworden.
10. Gezien het feit, dat het verlies maar liefst een kwart van de begroting betreft: Hoe duidt het college het financieel management en de controllpositie van het Centrummanagement in het licht van de ontstane situatie?
CML geeft zelf aan dat het adequaat bijhouden van een financiële administratie door omstandigheden in met name het 2e deel van 2009 flink onder druk heeft gestaan. CML had juist in 2009 het financiële beheer willen verbeteren. Inmiddels zijn er maatregelen genomen om een ordentelijke financiële administratie structureel te waarborgen en de financiële monitoring soepeler te laten verlopen.
11. Welke acties gaat het College ondernemen, en op welke termijn, in haar rol als partner in het ondernemersfonds en centrummanagement en als uiteindelijk politiek verantwoordelijke voor een gezond ondernemersklimaat in Leiden om tot verbeteringen te komen bij het Centrummanagement?
De gemeente Leiden is geen partner in het Ondernemersfonds en het Centrummanagement. De rol van de gemeente is die van subsidieverstrekker. Met name ten aanzien van het Ondernemersfonds is de rol van de gemeente klein omdat de ondernemers door de opslag op de OZB zelf de subsidie betalen. Wat betreft het CML wordt de nadruk gelegd op nakoming van de afspraken die met deze organisatie zijn gemaakt. Eventuele sanctionering bij niet nakomen van de afspraken kan geschieden op basis van de Algemene Subsidieverordening (lager vaststellen van de subsidie indien afspraken niet worden nagekomen).
Verdere concrete acties vanuit de gemeente zijn niet noodzakelijk. Uit het jaarverslag 2009 en de subsidieaanvraag 2011 blijkt dat het bestuur van CML zijn verantwoording neemt. Er zijn voorstellen gedaan om het tekort te dekken, de financiële positie te versterken en de prestaties te verbeteren. Daarnaast is CML voornemens de prestaties te leveren die zijn overeengekomen met de gemeente.
Terrassen versus evenementen op de Beestenmarkt
(ingekomen 15 juni 2010)
Volgens de APV van Leiden is het de bedoeling dat bij de beoordeling van een aanvraag voor een evenementenvergunning, er rekening wordt gehouden met de mate waarin door het evenement beslag wordt gelegd op de ruimte en of de aard van het evenement zich verdraagt met het karakter of de bestemming van de locatie.
Op grond van artikel 45 van het Reglement van Orde wil de Stadspartij Leiden Ontzet de volgende vragen aan het College stellen:
Voorafgaand het volgende: het Programma Binnenstad stelt dat ‘de Beestenmarkt een belangrijke schakel vormt tussen de entree van de stad, het kernwinkelgebied en het toekomstige bronpunt Morspoort. Vanwege deze schakelfunctie heeft de Beestenmarkt een belangrijke verblijfsfunctie, die onvoldoende wordt benut. Het is wenselijk dat de Beestenmarkt ontspanning biedt en een kwaliteitsuitstraling heeft, met een programma van horeca (focus terrassen) en haven/rondvaart.’ Als gevolg van deze wens zijn er veel terrassen nodig, zodat de Beestenmarkt een goede rol kan vervullen als terrassenplein voor bezoekers van de binnenstad. Op grond hiervan is in 2009 de beleidsregel voor het stimuleren van terrassen aan de Beestenmarkt in het leven geroepen. Deze voorziet in een tegemoetkoming in de kosten van het exploiteren van een terras aan de Beestenmarkt. De beleidsregel geldt voor 2009 en 2010 en geldt voor het gehele vergunde terras van een ondernemer.
De Beestenmarkt is echter ook een evenementenplein. In de beleidsregels terrassen uit 2007 (wat een bijlage vormt van de terrasvergunning) is opgenomen dat terrassen geen belemmering mogen vormen voor de ambulante handel, kermis, evenementen en bijzondere gebeurtenissen. Dat betekent in het geval van de Beestenmarkt dat ondernemers bij grote evenementen het stuk terras dat over de goot (een rooster met goot dat over de Beestenmarkt loopt) staat, moeten verwijderen.
1. Is het College van B&W bekend dat er vergunningen zijn afgegeven voor gebruik van de Beestenmarkt in het kader van een WK voetbalactiviteit, die op geen enkele manier rekening houden met bovenstaande bedoelingen?
Op basis van bestaande regelgeving kan een evenementenorganisator een vergunning
aanvragen, die de gehele Beestenmarkt ‘vanaf de goot’ betreft.
2. Is het het College bekend dat er bij afgifte van deze vergunningen er op geen enkele wijze rekening is gehouden met de ondernemers die gevestigd zijn aan het plein?
Het college realiseert zich dat de belangen van een evenementenorganisator om een maximale ruimte te kunnen gebruiken, strijdig kunnen zijn aan de belangen van de ondernemer. Daarom is het aantal keren per jaar dat dit mag gebeuren gemaximeerd.
Vanaf de goot is de Beestenmarkt publiek terrein dat in de evenementennota is aangewezen als evenementenlocatie. Hiervan kunnen (soms eveneens Leidse) ondernemers en organisaties gebruik maken. Meestal levert dit geen problemen op. Hetzelfde principe geldt bijvoorbeeld op het Stadhuisplein en het terras van City Hall.
3. Kan het College uitleggen hoe het mogelijk is dat de organisator van het WK-evenement kan eisen dat terrasuitbreidingen die –in het kader van het Programma Binnenstad- door het stadsbestuur zijn gestimuleerd nu moeten worden verwijderd en dat er door “toezichthoudende ambtenaren” gaat worden “opgetreden”?
De Beestenmarkt is aangewezen als evenementenplein. In het kader van het Programma Binnenstad ligt er de wens dat de Beestenmarkt ook een terrassenplein wordt. Echter, de terrassen mogen niet botsen met de evenementen. Op het moment dat er evenementen plaatsvinden die het gehele plein benutten gaan de terrassen terug tot achter de goot. Dit is opgenomen in de beleidsregels terrassen, die alle ondernemers hebben gekregen bij hun terrasvergunning..
4. Kan er nog wel van een openbaar evenement worden gesproken als het blijkbaar is toegestaan het evenement door middel van een hoge afscheidingswand aan het oog te onttrekken?
De scheidingswand is inderdaad niet fraai. Het college beschouwt dit als een noodzakelijk kwaad. Het neerzetten van hekken of een scheidingwand komt voort uit veiligheids-overwegingen: de politie adviseert bij sommige evenementen om het evenemententerrein goed af te zetten, zodat het publiek gescheiden kan worden van overige verkeers- en bezoekersstromen en zodat de bezoekersaantallen gereguleerd kunnen worden.
5. Is het College het met de Stadspartij eens dat het nu de hoogste tijd wordt om de evenementenfunctie van de Beestenmarkt ook in harmonie te brengen met de belangen van de ondernemers die 365 dagen per jaar proberen iets van het plein te maken?
Ja. Dit voorjaar is na overleg tussen vertegenwoordigers van het college en van de betrokken (horeca)ondernemers afgesproken dit element speciaal te betrekken bij de evaluatie van de evenementennota. Het college deelt de ambitie om de Beestenmarkt aantrekkelijker te maken. Dit betekent echter niet dat het plein zijn publieke karakter mag verliezen, waar ook andere evenementenorganisatoren zich kunnen inzetten voor een levendige stad. De evaluatie van de evenementennota is eind 2010 gereed.
6. Is het College bekend dat er per convenant met de ondernemers aan de Beestenmarkt is afgesproken dat tijdelijke evenementen geen eigen horeca exploiteren?
Er wordt nu ambtelijk gewerkt aan een convenant en daar komt niet in te staan dat tijdelijke evenementen geen horeca mogen exploiteren. Als de organisator zelf aan de eisen die gesteld worden in artikel 35 Drank- en Horecawet voldoet mag hij zelf de horeca exploiteren. Een organisator is niet verplicht de horeca te laten verzorgen door de omliggende horeca. Een organisator haalt uit de exploitatie van de horeca inkomsten waarmee het evenement bekostigd kan worden.
7. Bestaat de mogelijkheid nog om de inmiddels verstrekte evenementenvergunningen aan te passen en kan de Raad een kopie van de inmiddels verstrekte vergunningen ontvangen?
De verstrekte vergunning voldoet aan de eisen en voorwaarden van het
evenementenbeleid en van de adviserende diensten. Als de vergunning gewijzigd wordt moet deze wijziging eerst getoetst worden aan het beleid en voor advies voorgelegd worden aan de adviserende diensten (Politie, Brandweer en GHOR).Zie bijlage voor verleende vergunning.
8. De huidige coördinatie van evenementen is een janboel. Is het College van plan om maatregelen te nemen die er toe leiden dat er op korte termijn werkelijk gecoördineerd gaat worden?
Hoewel wij uw oordeel niet delen, zijn wij van plan om binnenkort een overleg te plannen met verschillende ondernemers en evenementenorganisatoren. Hieruit kunnen verbeterpunten komen die worden meegenomen in de evaluatie van het evenementenbeleid. Dit voorkomt niet dat soms meerdere belanghebbenden aanspraak maken op locaties en dat er dus altijd teleurgestelden zullen zijn. Evenmin kan voorkomen worden dat vanwege veiligheid nadere eisen gesteld moeten worden, die de omzet negatief beïnvloeden.
9. Is het College het eens met de Stadspartij dat het beter is om bij de aanvraag van een evenementenvergunning vóór verstrekking even te overleggen met de ondernemers aan het plein?
Vaak is bij grote evenementen vooraf contact met belanghebbenden, zoals ook in dit geval. Dit betekent echter niet dat belanghebbenden zeggenschap hebben of een vergunning voor een bepaald evenement wel of niet wordt verleend.
10. Is het College het eens met de Stadspartij dat het beter is nu met de ondernemers van het plein helder af te spreken waar zij in de toekomst rekening mee dienen te houden?
Er zal een gesprek met de ondernemers plaatsvinden. Deze wisten en weten overigens waar zij rekening mee moeten houden. Dit staat in de beleidsregels terrassen en is meermalen gecommuniceerd.
11. Kan het College aangeven waarom de evenementencoördinator niet op de hoogte is van bestaand beleid, waardoor het evenementenbureau feitelijk blind vergunningen verstrekt?
De evenementencoordinator is volledig op de hoogte van het bestaand beleid en heeft de vergunningen conform bestaand beleid verleend.
12. Is het College inmiddels bekend met het feit dat de organisator van het WK-evenement zich door de ondernemers aan de Beestenmarkt heeft laten uitkopen (voor een substantiële uitkoopsom) om de terrassen te kunnen laten staan, waarmee nadrukkelijk is aangetoond dat de eis van organisator, maar zeker ook van de burgemeester, verwoord per brief van 9 juni jl., om de terrassen te verwijderen aantoonbaar en zichtbaar op onzin, onkunde en willekeur berust?
Aan zowel ondernemers als evenementenorganisator is aangegeven dat deze laatste volledig in zijn recht stond. Daarop is tevens aangegeven dat handhavend opgetreden zou worden ten aanzien van de terrassen, tenzij organisator en ondernemers in onderlinge overeenstemming (en binnen randvoorwaarden van veiligheid) vrijwillig tot een andere afspraak voor de indeling van het plein zouden komen, waarbij beide partijen tevreden zouden zijn. Dit laatste bleek uiteindelijk gelukt, waardoor de terrassen konden blijven staan. Hoewel met deze vrijwillige, onderlinge afspraak tussen beide partijen een conflict tussen verschillende ondernemers uiteindelijk is voorkomen/opgelost, vindt het college dat een nieuwe situatie als deze in de toekomst voorkomen moet worden. Van willekeur kan geen sprake zijn.
13. Is het college bereid, nu is aangetoond dat de zogenaamde onvermijdelijke, zelfs gedwongen door “toezichthoudende ambtenaren”, verwijdering van terrassen op onzin berust, te participeren in de uitkoopsom, welke inmiddels door betrokken ondernemers aan organisator van het evenement is betaald?
Nee. De onderlinge afspraak is na een verzoek van de terraseigenaren vrijwillig onderling tot stand gekomen.
14. Is het College het eens met de Stadspartij dat de afsluiting van het evenement op de Beestenmarkt met hoge hekken, voorzien van landbouwzeil, niet strookt met de wens de Beestenmarkt en omgeving aantrekkelijker, uitnodigender, gezelliger en veiliger te maken?
Deels. De Beestenmarkt wordt er niet aantrekkelijker, maar bij evenementen wel veiliger door. Zie ook de beantwoording van vraag 4.
Onbetaalbare gemeentelijke heffingen en aanslagen waterschapsbelasitng voor minima met een eigen huis
(Ingekomen op 26 mei 2010)
Proloog
Het is de Stadspartij Leiden Ontzet bekend dat een aantal Leidenaren helaas en wellicht onnodig met het volgende probleem te maken heeft.
Het probleem betreft zowel werkende als uitkeringsgerechtigde minima in het bezit van een eigen woning. Artikel 34d van de Wet Werk en Bijstand voorziet in de combinatie van een bijstandsuitkering en een eigen woning als volgt: “d. het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 50, eerste lid, voor zover dit minder bedraagt dan €|46.200,-”, waarbij op www.rijksoverheid.nl de volgende uitleg wordt gegeven:
Eigen vermogen en bijstand
Onder eigen vermogen valt niet alleen spaargeld, maar bijvoorbeeld ook een auto. Voor gezinnen is de grens 10.960,00 euro, voor alleenstaanden 5.480,00 euro. Als u meer hebt dan dit bedrag, dan moet u dat eerst opmaken.
De waarde van uw eigen huis valt ook onder uw vermogen. Van deze waarde wordt maximaal 46.200,00 euro buiten beschouwing gelaten. Als de waarde van uw huis verminderd met de al afgeloste hypotheek meer is dan 46.200 euro kan de gemeente u een bijstandsuitkering toekennen op basis van een lening met uw huis als onderpand. De gemeente sluit in dit geval een zogeheten krediethypotheek af. Bovengenoemde bedragen gelden vanaf 1 januari 2010 en worden elk jaar bijgesteld.
Het probleem bestaat hieruit: jaarlijks ontvangen huiseigenaren het Aanslagbiljet Gemeentelijke Heffingen alsmede de Aanslag Waterschapsbelastingen. Voor kwijtschelding van deze aanslagen geldt het maximale vrijgestelde eigen vermogen van € 10.960,00. Het vermogen gebonden in de woning telt bij de beoordeling van het vrijstellingsverzoek mee als vermogensbestanddeel. Overige schulden worden niet in aanmerking genomen. Daardoor krijgen deze minima te kampen met aanslagen gebaseerd op “fictief” vermogen van stenen en cement. De eerste maatregel tot inning van de onderhavige bedragen is beslag op de uitkering en/of het loon. Toch al relatief hoge woonlasten betekenen echter een hoge beslagvrije voet, die het voldoen van de aanslagen niet toelaat. De tweede maatregel is beslag op vakantiegeld. Minima hebben dit ‘extraatje’ echter hard nodig om andere posten zoals de eigen bijdrage ad € 165 onder de ZVW te kunnen voldoen.
Het is de Stadspartij duidelijk dat het voornoemde in de woning gebonden vermogensbestanddeel niet realiseerbaar is ten bate van het voldoen van de aanslagen. Noch de Gemeente, noch de belastingbetaler is op enigerlei wijze gebaat bij de enige mogelijke oplossing voor het probleem, nl. beslag op de inboedel en/of eigen woning van de betreffende minima. Voorts is het de Stadspartij gebleken dat de Tweede Kamer een wetsvoorstel in behandeling heeft genomen dat de huidige norm voor vrijstelling ad € 10.960,00 gelijk moet stellen aan het onder artikel 34d WWB vrij te laten vermogen van € 46.200.
De Stadspartij ziet een oplossing van dit probleem door het inzetten van het Leidse Minimabeleid dat jaarlijks fondsen onbenut laat.
Op grond van artikel 45 van het Reglement van Orde wil de Stadspartij Leiden Ontzet de volgende vraag aan het College stellen:
Antwoord van Burgemeester en Wethouders
(ingezonden 29 juni 2010)
1. Is het College het eens met de Stadspartij Leiden dat eigen woning bezittende minima met voor hen onbetaalbare gemeentelijke heffingen en aanslagen waterschapsbelastingen uit deze pot worden geholpen? Zo ja, per wanneer? Zo nee, waarom niet?
Nee, het college neemt de suggestie van de Stadspartij Leiden Ontzet niet over om de minimagelden aan te wenden voor eigenhuisbezitters die een vermogen hebben van meer dan € 10.960,-- en daardoor niet in aanmerking komen voor kwijtschelding van de gemeentelijke heffingen en waterschapsbelasting.
Wij willen niet vooruit lopen op het wetsvoorstel dat nu in voorbereiding is. Het is namelijk nog te onduidelijk hoe dit voorstel eruit gaat zien. Mogelijk wordt de grens van € 46.200,-- alleen als maximum (en niet als absolute standaard) ingevoerd en blijft het gemeenten vrijstaan om zelf de kwijtscheldingsgrens vast te stellen.
Pas nadat de wetswijziging is vastgesteld door de Eerste en Tweede kamer kunnen wij de Raad inlichten over de beleidsmatige consequenties. Ook zullen wij de Raad dan voorrekenen wat een eventuele verruiming van de kwijtscheldingsgrens voor financiële gevolgen heeft voor de stad en de burgers.
De minimagelden zijn bovendien niet bedoeld voor algemeen noodzakelijk kosten van bestaan, zoals gemeentelijke heffingen en waterschapsbelasting. Het minimabeleid is echt bedoeld om mensen met een laag inkomen iets extra’s te kunnen bieden, zoals lidmaatschap van een sportclub of een aanvullende ziektekostenverzekering.
Stadspicknick
(Ingekomen 16 april 2010)
De Stichting Peen en Ui is een belangrijke partner van de gemeente bij het organiseren van creatieve evenementen in de stad Leiden. In 2009 heeft de stichting een succesvolle stadspicknick georganiseerd in het Van der Werf park. Bij bericht op haar website heeft de stichting vandaag laten weten dat de stadspicknick, ondanks het succesvolle concept, in 2010 geen doorgang kan vinden wegens gebrek aan financiën. Zie hiervoor ook de website van Peen en Ui http://www.peenenui.nl/.
De fractie van GroenLinks vindt dit uitermate teleurstellend. Al tijden vraagt onze fractie om een visie op cultuur in de gemeente. Nu ziet het ernaar uit dat er wederom een evenement omvalt, voordat wij de discussie over visie hebben kunnen voeren.
Antwoord van Burgemeester en wethouders
(ingezonden 22 juni 2010)
1. Vraag (Is het college het met GroenLinks eens dat de stadspicknick een bijzonder evenement is en toegevoegde waarde heeft binnen de bestaande evenementenkalender? Zo ja, hoe beziet u deze meerwaarde. Zo nee, waarom niet?)
Wij vinden de stadpicknick een leuk evenement. Bij toetsing aan de subsidievoorwaarden m.b.t. verbinden, verleiden en verassen bleek dat andere subsidieaanvragers beter aan deze doelen voldeden..
2. Vraag ( Is er een aanvraag tot subsidie ingediend voor dit evenement? Zo ja, voor hoeveel en voor welke specifieke ondersteuning?)
Er is dit jaar een subsidieaanvraag ingediend bij het evenementenbureau waarin een subsidie wordt gevraagd van 5000 euro voor het mogelijk maken van dit evenement. Dit is ongeveer 1/6 van de totale begroting. De overige 25.000 moest uit andere subsidiefondsen komen.
3. Vraag (Wat is de reactie geweest van het college op een eventuele subsidie aanvraag?)
Vorig jaar heeft de stichting een subsidie aangevraagd i.h.k.v. Bijzondere Cultuurprojecten. De aanvraag is afgewezen omdat deze deel uitmaakte van de Japanjaar activiteiten die reeds “gebundeld” waren gesubsidieerd via de Stichting Stadspartners. De stichting is toen naar de Stichting Stadspartners verwezen en heeft dus geen subsidie van de gemeente ontvangen.
Dit jaar is het geen Japanjaar en was deze optie dus niet mogelijk. De stichting heeft dit jaar eerst een subsidie aangevraagd bij het evenementenbureau. De subsidieaanvraag is afgewezen omdat het evenement onvoldoende bijdrage leverde aan de uitgangspunten van de evenementennota van de gemeente Leiden en de doelen verbinden, verassen en verleiden. In de afwijzingsbrief werd geadviseerd aansluiting te zoeken bij het evenement de Gouden Pet vanwege de overeenkomsten met dit al langer bestaande evenement. Daarnaast is de stichting in de afwijzingsbrief geadviseerd om subsidie aan te vragen bij Cultuurfonds 1818 of bij het centrummanagement. De stichting heeft vervolgens geïnformeerd naar de mogelijkheden van deze subsidieaanvraag. Peen en Ui heeft uiteindelijk de aanvraag niet ingediend omdat zij los van een eventuele toezegging van de gemeente de financiën niet rond krijgen en dat zij daardoor het evenement niet door willen laten gaan.
4. Vraag Is er vanuit het college overleg geweest over de doorgang van de stadspicknick? Zo ja, wanneer en hoe verliepen die gesprekken?
Nee. Subsidieaanvragen worden ambtelijk getoetst en al dan niet toegekend. Er is geen bestuurlijk overleg geweest met de organisator.
5. Vraag (Is het college bereid in overleg te treden met de stichting om te bezien of de stadspicknick alsnog kan plaatsvinden?)
Naar ons oordeel was een stadpicknick een bijzonder initiatief in het kader van het Japanjaar. Nu er geen extra middelen beschikbaar zijn, is het college van mening dat de stadspicknick afgewogen moet worden tegen andere aanvragen. Andere aanvragen voldeden beter aan de doelstellingen van de evenementennota. Het is niet zinvol en mogelijk, deze afwijzing te herzien, aangezien de verdeling van subsidies reeds heeft plaatsgevonden.
Voornemen Teylingen aanleg jachthaven
(ingekomen26 februari 2010)
Antwoord van Burgemeester en Wethouders
(ingezonden 6 april 2010)
1. Heeft het college kennisgenomen van het feit dat de gemeente Teylingen op 18 februari jl. een intentieovereenkomst heeft getekend met een private partij teneinde tot de ontwikkeling van een jachthaven met 500 ligplaatsen in de Broek- en Simontjespolder te komen?
Ja, het college heeft via de media kennisgenomen van het feit dat de gemeente Teylingen een intentieovereenkomst heeft getekend met een private partij om een jachthaven op genoemde locatie te ontwikkelen.
2. Is de Leidse gemeentelijke organisatie op een of andere manier betrokken (geweest) bij de voorbereiding van dit plan en op welk nivo?
In 2008 zijn er informerende gesprekken geweest. Er zijn geen formele afspraken gemaakt en er is geen formele goed- of afkeuring gegeven. Bij de ontwikkeling van het plan zijn wij niet betrokken geweest.
3. Is uw college voor of tegen dit plan van de gemeente Teylingen?
Op dit moment staan wij negatief tegenover dit plan. We maken ons met name zorgen over de ontsluiting van de jachthaven, de verkeerstoename, parkeerproblematiek, de aantasting van de groene, recreatieve rand van Leiden en de regionale groenstructuur. Wij hebben daarbij kennisgenomen van de brief van onze raad aan de raad van Teylingen en van de vele brieven van verontruste bewoners. Leiden wil als goede buur graag met de partners in de regio meedenken hoe we hiermee omgaan.
4. Indien uw college tegen dit plan is: Wat kan, wil en zal uw college dan zelf ondernemen om de aanleg van deze jachthaven te verhinderen en op welke termijn.
Op dit moment kunnen wij alleen nog maar op informele wijze onze zorgen uiten bij het college van de gemeente Teylingen. Wij zullen dit bij de diverse gelegenheden waar wij het college van Teylingen ontmoeten ook zeker aan de orde stellen. Wij hopen dat de gemeente Teylingen bereid is haar standpunt ten opzichte van dit plan te herbezinnen.
5. Indien uw college tegen dit plan is: Wat kan, wil en zal uw college dan ondernemen om verontruste bewoners van de Merenwijk – die zich bij uw melden - te ondersteunen in hun protest tegen dit plan?
Wij brengen ons standpunt over aan de gemeente Teylingen. Afzonderlijke bewoners kunnen hun protest ook uiten bij de gemeente Teylingen. Indien door de gemeente Teylingen bestemmingsplanwijziging wordt opgesteld of een vrijstellingsprocedure wordt doorlopen, zullen wij onze wettelijke instrumenten gebruiken om een formeel standpunt in te brengen.
Een afschrift van de beantwoording van deze vragen sturen wij ter kennisname naar de gemeente Teylingen.
Belastingonderzoek
(Ingekomen 12 februari 2010).
Door middel van een brief is de gemeenteraad van Leiden door het college van B en W op de hoogte gesteld van de uitvoering van een belastingonderzoek, de uitkomsten van de controle en het met de inspecteur gesloten compromis.
Gelet op bovenstaande wil de fractie van GroenLinks en de VVD op basis artikel 43 van het Reglement van Orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de Gemeenteraad aan het college een aantal vragen stellen.
Antwoord van Burgemeester en Wethouders
(ingezonden 2 maart 2010)
1. In de brief is melding gemaakt van het verloop van het controleproces. Op welke moment kon het voor de gemeente duidelijk zijn dat het waarschijnlijk was dat de controle zou uitmonden in een correctie?
Op 25 augustus 2008, in een eerste bespreking met Belastingdienst over hun vragen over de facturen die in steekproef betrokken waren, werd ons duidelijk dat een aantal facturen niet in overeenstemming met de regels van het BTW-compensatiefonds gedeclareerd was. Maar vanwege dat risico stond en staat was er ook een voorziening. Over een groot aantal facturen bestond onduidelijkheid. De inspecteur heeft ons de gelegenheid geboden deze facturen nader te onderbouwen.
2. Wat is uw overweging om, gelet op het antwoord bij 1 de gemeenteraad pas te informeren op het moment van afronding van het proces?
De afloop van de controle kwam sneller dan wij verwacht hadden. Op 14 december 2009 hebben wij de bevindingen van de inspecteur ontvangen en deze zijn ambtelijk op 16 december 2009 met de Inspecteur besproken. Wij waren voornemens de uitkomst van de controle over 2003 te accepteren. Maar niet akkoord te gaan met extrapolatie van die uitkomsten naar 2004 t/m 2008. In reactie hierop kwam de Inspecteur met het aanbod tot afkoop van de controles over 2003 t/m 2008 voor een bedrag van € 2.285.000 inclusief heffingsrente.
Dit voorstel hebben wij in overweging genomen. Op 29 januari 2010 hebben wij u van ons voornemen tot acceptatie van het aanbod op de hoogte gesteld.
3. Wat is uw overweging om, gelet op het antwoord bij 1 het financiële risico niet in de reguliere rapportages op te nemen?
Over het verloop van het controleproces en de mogelijkheid dat dit zou leiden tot een naheffing hadden wij u inderdaad via de risicoparagraaf op de hoogte moeten stellen.
4. Waarom is de raad in een brief van 8 februari 2010 geïnformeerd over meevallers in de BTW zonder de dreigende tegenvallers daarin te vermelden?
De brief van 8 februari ging specifiek over een BTW voordeel op de investeringen in sportvoorzieningen. Het geven van gelegenheid tot sport is een ondernemersactiviteit. De gemeente treedt hierbij op als ondernemer. De BTW van deze investeringen wordt verrekend op de aangifte als “ondernemer”. Bij deze BTW is ook een andere inspectie betrokken. Deze BTW wordt niet gedeclareerd bij het BTW-compensatiefonds. Declaratie van BTW bij het BTW-compensatiefonds is alleen mogelijk voor overheidsactiviteiten. De brief over de uitkomst van controle hebben wij, in afwachting van het definitieve akkoord van de inspecteur (Inspectie Rotterdam), op 29 januari vertrouwelijk aan u toegezonden.
5. In de Cie. W& F is herhaaldelijk gevraagd naar het “in control” zijn van de gemeente. Hoe ziet u dat in het licht van deze overschrijding?
Aan het invoeren van het BTW-compensatiefonds per 1-1- 2003 is een lange tijd van voorbereiding voorafgegaan. In 2003 werkte de zeven gemeentelijke diensten elk met hun eigen financiële administratie, in een eigen financieel systeem. De software voor deze administraties moest per 1-1-2003 aangepast worden. Destijds constateerde wij al dat deze verschillende systemen niet goed in te richten waren voor het registeren van te declareren BTW bij het BTW-compensatiefonds. Mede om die reden waren wij in 2002 al gestart met het implementeren van 1 financieel systeem voor alle gemeentelijke diensten. Een van de eisen voor dit nieuwe systeem was dat het voorbereid was op de eisen van het BTW-compensatiefonds. Op 1 januari 2004 is dit nieuwe systeem ingevoerd. Met dit systeem werd het mogelijk om de BTW eenduidig in alle financiële administraties te registreren en te rapporteren. Met de invoering van het nieuwe gemeentebrede systeem zijn we beter in control gekomen. Echter nog niet op het niveau zoals beschreven in de notitie “Leiden In Control”. Om de Control verder te verbeteren zijn per 1 januari 2007 de financiële administraties van de diensten samengevoegd in éen financiële administratie. Met ingang van 1 januari 2008 zijn ook de mederwerkers van de administraties van de diensten overgegaan naar de BackOffice van de afdeling financiële dienstverlening.
Naast het verbeteren van de kwaliteit van de financiële administratie zijn ook de financieel adviseurs en de planeconomen intern opgeleid om te kunnen adviseren op fiscale aspecten van investeringen en de reguliere bedrijfsvoering.
6. Wat is de verklaring van het feit dat de gemeente Leiden blijkbaar haar fiscale verplichtingen onvoldoende is nagekomen?
Een versnipperde financiële administratie, onvoldoende kennis van BTW bij de financieel adviseurs en budgethouders en het ontbreken van een specifieke interne controle op de registratie en declaratie van BTW.
7. Is er naar uw mening binnen de gemeente Leiden onvoldoende aandacht voor fiscale risico’s?
De uitkomsten van de controle over 2003 geven aan dat er onvoldoende aandacht was voor de fiscale risico’s en dat daarmee die risico’s onderschat zijn. Sinds de uitvoering van een interne controle in 2007 is er uitgebreid aandacht voor de fiscale risico’s in zowel de grote projecten als de reguliere bedrijfsvoering.
8. Wat denkt u te gaan doen om te voorkomen dat een dergelijke correctie in de toekomst zich nogmaals zal voordoen behalve de in de brief genoemde maatregelen?
Wij nemen de volgende maatregelen:
1. Het jaarlijks uitvoeren van interne controles op de registratie van BTW, te beginnen in het voorjaar 2010.
2. Het verplicht stellen van een fiscale paragraaf bij B&W en raadsvoorstellen met financiële consequenties.
3. Het centraal beheren van het rekeningschema en de fiscale codering van de kostendragers- en projectrekeningen in het financieel systeem. (gebeurt al vanaf 1-1- 2008).
4. Via opleidingen het verhogen van de fiscale kennis bij de financieel adviseurs en budgethouders.
5. Het intensiveren van het overleg in de werkgroep BTW om de status van de projecten te bespreken.
9. Hebt U een kwantitatieve analyse laten maken naar de risico’s in thans lopende projecten? Wat zijn Uw bevindingen? Kortom kunnen we nog tegenvallers verwachten?
Wij hebben via de werkgroep BTW een overzicht gemaakt van alle fiscaal risicovolle lopende projecten en reguliere bedrijfsvoeringactiviteiten. Het overzicht wordt periodiek in de werkgroep BTW geactualiseerd. De risico’s t/m 2008 hebben wij met het afsluiten van de overeenkomst met de Inspecteur afgekocht. Vanaf heden zullen wij nadrukkelijk in de risicorapportages aandacht besteden aan de fiscale risico’s.
10. Bent u bereid om actief stappen te ondernemen richting de Belastingdienst om te komen tot de sluiting van een zogenaamd handhavingsconvenant om een transparante relatie met de Belastingdienst te krijgen die erop gericht is dat Leiden aan haar verplichtingen voldoet en tegelijkertijd actueel zicht heeft op haar fiscale risico’s?
In het overleg met de Inspecteur op 16 december 2009 hebben wij afgesproken dat wij in overleg met belastingdienst gaan werken aan de voorbereiding van de nodige maatregelen om in aanmerking te komen voor het afsluiten van de “handhavingsconvenant”. Belangrijke voorwaarde hiervoor is dat de interne controle van voldoende kwaliteit is. Op dit moment stellen wij daarvoor een intern controleprotocol op.
Sluiting New Times
(Ingekomen 11 januari 2010)
Antwoord van Burgemeester en Wethouders
(ingezonden 9 februari 2010)
1. Hoe is het gekomen dat het legaliseringsproces, waartoe besloten is op 28 oktober 2008, tot stilstand is gekomen?
De Raad van State heeft op 3 juni 2009 een eerdere uitspraak d.d. 9 juni 2008 van de rechtbank bevestigd, waarmee vast is komen te staan dat er geen sprake was van een concreet zicht op legalisering van de horecagelegenheid New Times. Het College van B&W werd in diezelfde uitspraak van de Raad van State tevens opgedragen om binnen zes weken na verzending van de uitspraak, met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen, een nieuw besluit te nemen. Het College heeft toen gebruik gemaakt van hun bevoegdheid tot handhaven.
2. Bent u met ons van mening dat de uitspraak van de Raad van State legalisering niet in de weg staat?
Nee. Door de uitspraak van de Raad van State moest het College binnen zes weken een nieuw besluit nemen. Binnen deze zes weken kon geen (voor)ontwerp tot wijziging van het bestemmingsplan of een ontwerp-projectbesluit ter inzage worden gelegd. Een concreet zicht op legalisering van deze horecagelegenheden was door bovenstaande niet mogelijk.
3. Bent u met ons van mening dat horecaondernemingen, die al decennia zonder overlast in onze stad functioneren, niet zonder meer gesloten dienen te worden?
Ja, deze onderneming wordt dan ook niet zonder meer gesloten. De vereniging heeft een jaar de tijd, d.w.z. tot 13 juli 2010, gekregen om de exploitatie van de onderneming te staken en uiteindelijk te sluiten.(BW. 09.0757)
Economische crisis
(Ingekomen 22 december 2009)
Steeds meer mensen komen als gevolg van de economische crisis in de WW of in de bijstand waardoor er steeds meer huishoudens in Leiden in de financiële problemen raken.
De verwachting is dat de komende periode met name ook mensen in de problemen komen die hoge woonlasten hebben en als gevolg van het verlies van een baan onverwachts moeten overschakelen op een ander uitgavenpatroon.
In Enschede heeft men hierop ingespeeld door het inrichten van een speciaal loket waar financiële adviezen gegeven worden. Dit loket is te vinden op het zogenaamde werkplein waar UWV en gemeente samenwerken. Zo kan in een vroeg stadium gekeken worden op welke wijze het uitgavenpatroon aangepast kan worden.
Het bijzondere van het initiatief in Enschede is dat ook de lokale banken hier een bijdrage leveren aan het bemensen van het loket. Op deze wijzen kunnen banken, die voor een groot deel ook de oorzaak zijn van de financiële crisis iets terug doen voor de mensen die in de problemen zijn gekomen. Voor Leiden ligt er een kans bij de inrichting van het werkplein in het Stadsbouwhuis.
Gelet op bovenstaande wil de fractie van GroenLinks op basis artikel 43 van het Reglement van Orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de Gemeenteraad aan het college een aantal vragen stellen.
Antwoord van Burgemeester en Wethouders
(ingezonden 2 februari 2010)
1. Bent u van mening dat vroegtijdige budgetvoorlichting aan mensen die te maken krijgen met een grote inkomensdaling veel ellende op een later moment kan voorkomen?
Ja, wij zijn van mening dat voorkomen beter is dan genezen.
De Stadsbank van de gemeente Leiden doet daarom al jaren aan preventie voor de inwoners van Leiden en Leiderdorp. Zo is er twee maal per week een inloopspreekuur op Langebrug 60 voor mensen met financiële vragen.
Ook kunnen burgers die geen schulden hebben, maar wel beter willen leren omgaan met geld, zich opgeven voor de cursus Omgaan met g€ld.
Daarnaast is er medio 2009 een zogenoemde Geldkrant verspreid onder alle inwoners van Leiden met daarin onder meer budgettips, een artikel over het werk van de Stadsbank en een uitgebreid stuk over de declaratieregelingen van het Minimabeleid.
Tot slot kunnen burgers ook altijd met (financiële) vragen bij een van de Raad en Daadwinkels terecht.
2. Bent u van mening dat de toekomstige inrichting van het Werkplein in het Stadsbouwhuis een ideaal moment is om een soortgelijk initiatief als in Enschede vorm te geven?
We staan positief ten opzichte van een laagdrempelig adviespunt waarin Stadsbank, Nibud en lokale banken samenwerken in het toekomstig Werkplein. Dit loket zou dan een aanvulling zijn op het huidige inloopspreekuur van de Stadsbank.
Uit navraag bij Enschede en het Nibud blijkt, zoals vragensteller al aangeeft, dat het adviespunt in Enschede een adviserende en motiverende functie heeft. Het biedt géén schuldhulpverlening of crisisinterventie. Het inloopspreekuur van de Leidse Stadsbank biedt deze mogelijkheden wel.
De situaties in Leiden en Enschede zijn daarmee verschillend en niet één op één vergelijkbaar.
3. Bent u van mening dat een dergelijk initiatief een ideale mogelijkheid geeft aan banken om iets bij te dragen aan het voorkomen van leed dat mede door hun gedrag is ontstaan?
Wij staan positief tegenover een samenwerking met lokale banken in het kader van preventie van financiële problemen onder onze burgers.
4. Bent u bereid om een soortgelijk initiatief in Leiden tot stand te brengen?
Wij willen een dergelijk laagdrempelig adviespunt zeker overwegen bij de inrichting van het toekomstig Werkplein. Daarbij kunnen we leren van de ervaringen in Enschede, maar zullen we onze eigen invulling moeten geven. De resultaten van het pas recent gestarte loket in Enschede zullen we eveneens moeten betrekken bij de definitieve afweging. Wij zullen daarbij met name kijken naar de doelgroep die met het adviespunt in Enschede bereikt wordt en kijken of deze doelgroep afwijkt van de doelgroep(en) die we in Leiden al via de Stadsbank weten te bereiken.
Door de burger beide mogelijkheden, van zowel adviespunt als inloopspreekuur, te bieden zouden we zoveel mogelijk mensen met financiële problemen kunnen helpen.
Zoals gezegd verschillen de situaties in Leiden en Enschede van elkaar. In Enschede is het loket bijvoorbeeld onder de vlag van het Nibud opgezet omdat de Stadsbank daar met een negatief imago kampt. In Leiden is er echter geen sprake van een negatief imago van de Stadsbank, zo blijkt bijvoorbeeld uit de Stadsenquete. Verder moet bezien worden wat de rol van de banken precies kan zijn, en welke rol banken bereid zijn op zich te nemen..
5. Zo ja, welke stappen gaat u de komende periode zetten om dit te bereiken?
Wij nemen het adviespunt mee in de ontwikkeling van het nieuwe Werkplein. Daarbij zullen we de resultaten in Enschede scherp blijven monitoren.
Op het moment dat we de werkprocessen van het Werkplein gaan vaststellen, zullen we de resultaten in Enschede beoordelen en kijken of het adviespunt een toegevoegde waarde heeft bovenop de bestaande dienstverlening van de Stadsbank en een in Leiden nog onbekende doelgroep heeft bereikt.
Tot nu toe zijn er in de eerste drie weken 29 klanten geweest, een aantal dat overeenkomt met het aantal klanten dat het inloopspreekuur van de Stadsbank in drie weken tijd helpt.
Indien uit de resultaten blijkt dat het adviespunt een nieuwe doelgroep, danwel nieuwe vragen weet te genereren, dan zullen wij een aantal maanden vòòr opening van het Werkplein contact gaan leggen met een aantal lokale banken om hun medewerking te vragen. Het Nibud heeft al aangegeven interesse tot samenwerking te hebben.
Gevolgen kredietcrisis voor de financiële huishouding van de gemeente Leiden
(ingekomen 19 januari 2009)
Tijdens de behandeling van de begroting tijdens de commissievergadering Werk & Financiën op 6 november jongstleden heeft de fractie van D66 het college vragen gesteld over mogelijke gevolgen van de kredietcrisis voor de begroting van de gemeente Leiden, met name als het gaat om de streefwaarden omtrent het aantal uitkeringen. Het college heeft daar op dat moment met sussende woorden op geantwoord. Wethouder De Haan heeft tijdens die vergadering gezegd dat gemeentes zullen worden gecompenseerd voor tegenvallers in de bijstand als dat door de conjunctuur komt.
Uit een notitie van de VNG over de gevolgen van de economische recessie van 17 december jongstleden lijkt het echter dat de gemeentes wel degelijk eigen risico’s lopen, met name als de werkloosheid dreigt te stijgen.
Uit de notitie blijkt dat:
“Voor de ontwikkeling van het macrobudget inkomensdeel Wet werk en Bijstand zijn in het ‘Bestuurakkoord Rijk – VNG’ afspraken gemaakt op basis van verwachte volumeontwikkelingen. Daarin is het macrobudget voor de algemene bijstand vastgelegd, op basis van de in het najaar van 2007 gepubliceerde middellange termijncijfers van het CPB.
Voor 2009 wordt uitgegaan van een daling van 9.000 werklozen, en tot en met 2011 wordt uitgegaan van een jaarlijkse lichte daling.
Er is in het Bestuursakkoord afgesproken dat de cijfers niet meer worden aangepast voor de realisaties van gemeenten. Hierdoor wordt de winst (maar ook het eventuele verlies) als gevolg van gemeentelijke inspanningen macro niet afgeroomd. Verder is afgesproken dat er gedurende de looptijd geen correcties op de aantallen worden toegepast, tenzij het bijstandsvolume door conjuncturele ontwikkelingen meer dan 12.500 bijstandshuishoudens (plus of min) afwijkt van de verwachting die is opgesteld op basis van de CPB-raming. Alleen de overschrijding van de bandbreedte wordt gecorrigeerd in het budget. Is de door de conjunctuur bepaalde volumeontwikkeling bijv. 13.500 bijstandshuishoudens hoger dan in de tabel genoemd, dan wordt het budget dus verhoogd met 1.000 bij standshuishoudens.
Bij een jaarbedrag van € 13.000 per uitkering bedraagt het eigen risico voor de gemeenten € 163 miljoen (12.500 x € 13.000).”
Uit diezelfde notitie blijkt volgens cijfers van het CPB blijkt dat eind 2010 zo’n 200.000 werklozen meer verwacht worden dan het huidige aantal werklozen. Er kan dus vanuit worden gegaan dat zowel in 2009 als in 2010 de gemeentes dit volledige eigen risico zullen moeten gaan dragen.
Naast het risico met betrekking tot het inkomensdeel van de WWB blijkt uit dezelfde notitie dat gemeentes mogelijk ook op andere manieren tegen risico’s en dalende gemeente inkomsten aan. De belangrijkste mogelijke daling heeft te maken met het accres van het gemeentefonds dat zoals het er nu naar uitziet fors lager zal uitvallen dan de verwachte raming van september. Maar ook op tal van andere gebieden kan de recessie gevolgen hebben voor de gemeentefinanciën.
Antwoord van Burgemeester en Wethouders
(ingezonden 24 februari 2009)
De fractie van D66 heeft naar aanleiding van deze gegevens de volgende vragen:
1. Klopt het dat de gemeentes gezamenlijk een eigen risico dragen van circa 163 miljoen euro per jaar voor het inkomensdeel Wet Werk en bijstand (WWB)?
Ja, dat klopt. De gemeenten zijn eigen risicodrager voor de eerste 10% overschrijding van het Inkomensdeel. Voor het meerdere kan een aanvullende uitkering worden aangevraagd.
2. Verwacht het college ook dat zowel in 2009 (en ook in 2010), zoals de huidige verwachtingen van het CPB zijn over de stijging van de werkloosheid, dat de gemeentes geheel voor dit eigen risico gaan opdraaien en hoe hoog is het risico bedrag voor de gemeente Leiden?
Het is het College niet bekend hoe de uitgangsituaties is van alle gemeenten, maar het College kent wel de uitgangssituatie van Leiden. Het voorlopige inkomensdeel WWB 2009 bedraagt € 33.041.946. Het risicobedrag voor Leiden bedraagt daarmee € 3.304.194. Op basis van de huidige verwachtingen mag worden aangenomen dat de gemeente met (een deel van) dit risico zal worden geconfronteerd.
3. Hoe wil het college dit eigen risico binnen het gemeentebudget op gaan vangen?
In de Perspectiefnota 2009-2012 en de Begroting 2009 zijn reeds extra middelen beschikbaar gesteld en maatregelen genomen die nader toegelicht zijn in de raadscommissie Werk en Financiën van 9 december j.l. (brief Ontwikkelingen sluitende aanpak ter afdoening van de PvdA-motie). In de begroting 2009 is reeds in een gedekt tekort op het Inkomensdeelbudget voorzien van € 2.115.000, vanaf de begroting 2010 € 1.528.000. Het resterende eigen risicobedrag in de begroting 2009 bedraagt dan maximaal € 1.189.000,-.
Het is op dit moment uiterst onzeker of we ook daadwerkelijk met dit nadeel geconfronteerd zullen worden. De kosten van de maand januari 2009 zijn overigens binnen het budget gebleven. In de Perspectiefnota 2010-2013 zal nader worden ingegaan op de situatie vanaf 2010.
4. Zijn er naast de risico’s die gelopen worden voor het inkomensdeel van de WWB in de ogen van het college nog meer risico’s van de economische recessie voor de gemeente Leiden te verwachten waar bij de begroting van 2009 geen rekening mee is gehouden, zoals een te verwachten lager accres en dus een lagere uitkering uit het gemeentefonds?
Ja, er zijn meer risico’s voor de gemeente Leiden als gevolg van de kredietcrisis. Onder vraag 5 treft u een overzicht aan.
5. Indien dit het geval is, kan het college een overzicht geven van de verschillende risico’s en mogelijke gevolgen voor de financiële huishouding van de gemeente Leiden voor zowel 2009 als op de langere termijn en van de eventuele maatregelen die zij wil gaan treffen om een tekort op te lossen?
Gemeentefonds / Algemene middelen
Sinds 1995 is de groei (het accres) van het gemeentefonds gekoppeld aan de groei van de rijksuitgaven volgens de normeringssystematiek (gelijke trap op / gelijke trap af). Het gaat daarbij niet om de totale rijksuitgaven, maar om de zgn. netto gecorrigeerde rijksuitgaven. De VNG verwacht dat de nominale groei van de rijksbegroting kleiner wordt dan eerder verwacht en dus de nominale groei van het gemeentefonds ook. Gebaseerd op de huidige inzichten ( 17 december 2009) verwacht de VNG een daling van € 300 miljoen. Voor de gemeente Leiden zou dit in 2009 een daling betekenen van: € 2.000.000.
Voor 2010 wordt een vermindering verwacht van € 3.000.000 voor de gemeente Leiden.
In de begroting 2009 en het meerjarenbeeld hebben we voorzichtig geraamd en al rekening gehouden met een lager accres (6% i.p.v. 8,5%). Concreet betekent dit dat we structureel € 2,5 miljoen minder baten hebben geraamd dan waarvan we op grond van de septembercirculaire 2008 hadden mogen uitgaan.
Dividend- en winstuitkeringen:
Als gevolg van de financiële crisis mag verwacht worden dat bedrijven waarin de gemeente aandelen bezit, minder of geen dividend zullen uitkeren.
Op dit moment hebben we geen specifiek beeld. We verwachten een licht negatieve ontwikkeling bij de BNG.
Specifieke uitkeringen
In hoeverre de economische neergang haar effect heeft op de specifieke uitkeringen is op voorhand volgens de VNG niet eenvoudig te bepalen, met uitzondering van het inkomensdeel van de Wet werk en bijstand ( zie hierboven)
Werkloosheid
Leiden heeft relatief veel werkgelegenheid in onderwijs en zorg. Deze sectoren zullen qua werkgelegenheid waarschijnlijk in eerste instantie niet veel merken van de crisis. Anders kan dat liggen op het gebied van de (voorgenomen) investeringen a.g.v. de terughoudende opstelling van banken / financiers.
Werkgelegenheid in MKB, grootwinkelbedrijven en horeca zal meer onder druk komen te staan, waardoor de werkloosheid in de komende twee jaar naar verwachting zal oplopen.
Overigens werkt een groot deel van de Leidse beroepsbevolking buiten de stad.
Tot nu toe kan geconstateerd worden dat de “uitslagen” in de Leidse situatie de afgelopen decennia gemiddeld meebewegen met de landelijke trend. (zie ook de antwoorden op de bovenstaande vragen).
Schuldhulpverlening
Mensen die in de bijstand komen, worden geconfronteerd met de eisen die de bijstand stelt t.a.v. eigen vermogen (bijv. bezit van eigen woning). Dit kan leiden tot toenemende aanspraken op bijzondere bijstand / armoedebeleid en schuldhulpverlening. Pas na verloop van tijd (medio 2009) zal hierover meer (kwantitatief) inzicht ontstaan.
Gemeentelijke kredieten / garantstellingen aan derden.
Buiten de reeds bij u bekende risico’s zijn er geen bijzonderheden te melden.
Aandacht voor gemeentelijk risico bij aanspraak particulieren op de Nationale Hypotheekgarantie. Voor dit laatste risico wordt er actie ondernomen door VNG om dit bij gemeenten weg te halen.
Gronduitgiftes en verkoop gemeentelijk onroerend goed
Naar verwachting zal het gemeentelijk grondbedrijf geconfronteerd worden met de gevolgen van de kredietcrisis en de daarmee samenhangende economische teruggang bij diverse in voorbereiding / in uitvoering zijnde plannen
De ontwikkelaars van geplande bouwprojecten krijgen hun projecten niet meer of in onvoldoende mate gefinancierd, zodat zij gedwongen worden te stoppen of gefaseerd te gaan ontwikkelen. Daarnaast zal de verkoop van gemeentelijk onroerend goed waarschijnlijk tegen vallen.
Doordat ontwikkelaars en bedrijven door de kredietcrisis hun investeringen gaan bijstellen c.q. gaan uitstellen zal ook de in de grondexploitaties geraamde uitgifte van bedrijfs- en kantoorterreinen onder druk komen te staan.
In het PRIL 2009 zal hierop nader worden ingegaan..
Gemeentelijke aanbestedingen
Hoe de recessie zal doorwerken in de prijsvorming is nog ongewis..
Naast mogelijke prijsdalingen als gevolg van verscherpte concurrentie in o.a. de bouw, moet ook rekening gehouden worden met mogelijke prijsstijgingen bij bijv. de aanbesteding van re-integratieprojecten.
Eigen Inkomsten: belastingen en heffingen
Belastingen:
De OZB is met voorsprong de belangrijkste gemeentelijke belasting. De inkomsten zijn beperkt gevoelig voor conjuncturele ontwikkelingen. Het onroerend goed kan in waarde dalen. Ter compensatie van deze waardedaling zal het tarief van de OZB worden verhoogd. Omgekeerd zijn de afgelopen jaren de waardestijgingen volgens dezelfde systematiek de afgelopen jaren gecompenseerd door tariefsdalingen. De te ontvangen bedragen blijven daarmee gelijk. Verwachte OZB-inkomsten op nieuwbouw zullen gaan achterlopen bij de verwachting. Voor de overige belastinginkomsten worden weinig consequenties voorzien.
Verder zal mogelijk het aantal overnachtingen in hotels e.d. afnemen, waardoor de inkomsten uit toeristenbelasting lager worden.
Heffingen:
Inkomsten uit milieuheffingen zijn weinig conjunctuurgevoelig.
Economische teruggang leidt ongetwijfeld tot verminderde bouwactiviteiten en daardoor tot minder inkomsten uit bouwleges. Een deel van de Leidse ambtenarenformatie wordt uit leges gefinancierd!
In 2009 is er nog sprake van een buffer en worden geen directe problemen voorzien.
Rijks- en Europese subsidies
Reeds toegezegde cofinanciering van Rijks- en Europese subsidies kan in het gedrang komen, wanneer berekende bijdragen door derden extern door deze derden gefinancierd moeten worden.
Financiële inbreng particuliere organisaties bij ontwikkelingen in de stad
Fondsen welke exploitaties en investeringen ondersteunen (o.a. sport- en cultuursponsoring) hebben a.g.v. de afgenomen waarde van beleggingen ook minder te besteden met als gevolg een verminderde cofinanciering bij projecten en activiteiten door fondsen en sponsoren
Verminderde inkomsten gemeentelijke culturele instellingen
Mogelijk zal er als gevolg van de verminderde bestedingen door particulieren sprake zijn van verminderde inkomsten uit de programmering, terwijl de vaste uitgaven blijven.
Gemeentelijke leningen
Er is op de kapitaalmarkt nog steeds wantrouwen. Banken zijn niet bereid elkaar lange leningen te verschaffen. Wel kortlopende leningen. Gevolg is dat kredietverlening aan particulier en midden en kleinbedrijf nog steeds zeer stroef verloopt en de economische vooruitzichten verder onder druk zetten. De gemeente ondervindt daarentegen nog geen problemen om geld aan te trekken
Woningbouwproductie
Er is landelijk een duidelijk afnemende ontwikkeling waarneembaar op het gebied van de nieuwbouw van woningen. Nader onderzocht zal worden welke sectoren het hier met name betreft (goedkoop / duur segment); hoe verlopen de investeringsprojecten bij de Leidse woningbouwcorporaties en welke effecten heeft e.e.a. op de gemaakte (regionale) afspraken.
Loon- & prijsontwikkeling
Verwacht wordt dat als gevolg van afnemende inflatie, de loon- & prijsontwikkeling lager uit zal pakken dan eerder aangenomen.
Met het verschijnen van de Perspectiefnota dit voorjaar nemen wij aan dat op dat moment meer inzicht valt te geven in de feitelijke consequenties van de kredietcrisis voor het gemeentelijk beleid en de begroting.
Bedrijfsvoering van DZB
Kredietcrisis heeft negatieve gevolgen voor de bedrijfsvoering van DZB. Montage-activiteiten zijn teruggelopen door afnemend aanbod van werk. Het vinden van detacheringsplekken en de inzet op meer Begeleid Werk zal ongetwijfeld lijden onder de druk die als gevolg van de kredietcrisis nu op bedrijven ligt om te overleven.
De kredietcrisis maakt het vinden van een werkplek, eventueel in de vorm van een stage, buiten DZB voor mensen die van het UWV Werkbedrijf een Begeleid Werk-indicatie hebben gekregen lastiger.
Kosten van het niet-legaliseren van de Vrijplaats Koppenhinksteeg
(ingekomen 11 augustus 2009)
Op 8 juli 2009 heeft de SP een interpellatiedebat gehouden met het college van B&W over de verkoop van de panden aan de Koppenhinksteeg 2, 4 en 6, en Hooglandse Kerkgracht 4 voor het bedrag van 150.000 euro. In het debat kwamen verscheidene kosten naar voren,o.a gepresenteerd door de SP, zoals het 'Prijskaartje niet-legaliseren'. Dit prijskaartje laat inclusief de gewogen risico's een kostenpost voor de gemeente zien van bijna 1,2 miljoen euro.
Het college sprak de gepresenteerde cijfers tegen zonder argumenten. Ook weigerde zij andere cijfers ertegenover of beschikbaar te stellen voor de gemeenteraad, zoals zij eerder ook heeft gedaan.
Naar aanleiding van het uitblijven van antwoorden op vragen over claims, personeel, herhuisvesting, ontruiming en andere risico's heeft de SP de volgende vragen, op grond van artikel 43 van het Reglement van Orde. Wij verzoeken u te antwoorden voor 10 augustus 2009.
Claims
Eén van de kosten die naar voren kwam, is de rekening die Ons Doel bij de gemeente heeft neergelegd voor hun inspanningen voor de legalisering. Het college heeft nooit uit eigen beweging melding gemaakt van deze kosten.
Antwoord Burgemeester en Wethouders
(ingezonden 13 oktober 2009)
1. Waarom heeft het college hier nooit melding van gemaakt in de richting van de gemeenteraad?
Het toenmalig college heeft aan Ons Doel gevraagd om na te gaan of het mogelijk zou zijn dat zij het pand met gebruikers er in zouden kunnen kopen en daarna (na renovatie ) te gaan exploiteren. De kosten die Ons Doel bij de gemeente in rekening heeft gebracht hebben betrekking op de door Ons Doel gemaakte kosten voor de noodzakelijke onderzoeken ten behoeve van de herontwikkeling van het pand. Alleen al vanuit overwegingen van goed partnerschap is het redelijk en billijk om een deel van de gemaakte kosten te vergoeden. De onderzoeken hadden wij als gemeente ook nodig voor de verkoop van het pand. Zie verder vraag 2.
2. Hoe hoog is de rekening (claim) van Ons Doel precies (tijdens het debat noemde de wethouder een claim van “rond de ton euro”)? Kan de SP-fractie een afschrift ontvangen van de claim of rekening van Ons Doel?
€ 99.221. De gemeenteraad zal een afschrift van de factuur ontvangen.
3. Wanneer was het college bekend met deze rekening?
De factuur kwam in januari 2009.
Ook de Vrijplaats Koppenhinksteeg legt een financiële claim bij de gemeente neer in een bodemprocedure van 432.905 euro.
4. Op welke manier houdt het college rekening met deze claim en de claim van Ons Doel?
De financiële claim is in de bodemprocedure afgewezen. De factuur van Ons Doel wordt betaald ten laste van het krediet panden Koppenhinksteeg.
5. Uit welk(e) budget(ten) zullen deze claims betaald worden, wanneer nodig blijkt te zijn?
Zie antwoord op vraag 4.
Personeel
Voor de SP is het onbegrijpelijk dat de wethouder in het debat stelde dat de gemeente geen cijfers heeft over het aantal uren dat extern wordt ingehuurd, noch van het aantal uren dat ambtenaren met dit dossier bezig zijn (geweest). Dat leidt tot de vragen over de periode vanaf het legalisatiebesluit op 30 juni 2005 tot op heden. Wij willen graag de uren en bedragen van zowel de gehele periode, als van de periode vanaf het collegebesluit om de kosten van de legalisering te maximeren op 460.000 euro, van de volgende posten:
6. Uren extern personeel ingehuurd op het dossier Koppenhinksteeg, en de kosten daarvan.
Afgezien van de kosten van de inhuur van extern personeel voor de juridische ondersteuning en de kosten voor de advocaat is er geen extern personeel ingehuurd.
7. Uren (en kosten) van extern personeel, bestemd voor juridische ondersteuning.
De kosten voor de inhuur van juridische ondersteuning bedragen tot nu toe € 90.960. Dit betreffen alle kosten van het hele traject, dus ook de periode dat er werd gewerkt aan het legalisatieproces. De advocaatkosten bedragen tot nu toe € 26.600.
8. Uren (en kosten) van intern personeel.
Er heeft geen registratie van bestede uren plaatsgevonden.
9. Uren (en kosten) van interne juridische ambtenaren, waaronder de afdeling handhaving.
Er heeft geen registratie van bestede uren plaatsgevonden.
Herhuisvesting
De gemeente kan te maken krijgen met kosten voor de herhuisvesting van de vrijplaats wanneer Leiden de bodemprocedure verliest. De vrijplaats schat de kosten op 1 tot 1,5 miljoen euro, indien haar vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen.
10. Op hoeveel euro schat de gemeente de herhuisvestingskosten voor de gehele vrijplaats?
De gemeente heeft de bodemprocedure niet verloren en krijgt dus niet te maken met kosten herhuisvesting.
11. Op hoeveel euro schat de gemeente de herhuisvestingskosten voor de Fabel van de Illegaal, sportschool Hong Ying en de Weggeefwinkel?
De fabel van de Illegaal en de Weggeefwinkel hebben geen gebruik gemaakt van het aanbod tot ondersteuning bij het zoeken naar alternatieve huisvesting/ locaties.. Daarmee zijn er geen herhuisvestingskosten. Met sportschool Hong Ying is na goed overleg een huurovereenkomst gesloten.
12. Uit welk(e) budget(ten) zullen deze kosten worden betaald, als ze optreden?
De gemeente heeft als verhuurder de nieuwe huisvesting van Hong Ying geschikt gemaakt voor verhuur. De kosten bedragen circa €12.000. Deze zijn betaald ten laste van het budget van de afdeling Beheer en onderhoud Vastgoed. Hong Ying betaalt een kostendekkende huurprijs.
Ontruiming
De gemeente heeft de panden verkocht en stuurt aan op een ontruiming van de vrijplaats. Ook hier zijn kosten mee gemoeid, waar het college niet over spreekt.
Uit eerdere antwoorden van het college op schriftelijke vragen van 25 februari 2008 stelt het college: “De verwachting is dat het verkoopresultaat een substantieel aandeel in de dekking kan bieden voor de kosten die gemaakt moeten worden om het pand leeg te kunnen opleveren.” Het college heeft blijkbaar een inschatting kunnen maken van genoemde kosten en opbrengsten, en de SP wil die graag weten.
13. Welk netto verkoopresultaat verwacht het college, na aftrek van sneringskosten en het opknappen van de walmuren?
Het netto verkoopresultaat is nog niet te geven omdat de (verdeling van de) saneringskosten nog onbekend zijn. Zie vraag 22.
14. Wat is de verwachting van de kosten van de ontruiming zelf, hoe groot deel zal juridische kosten betreffen en uit welk budget zullen die betaald worden?
Het college gaat ervan uit dat de gebruikers gevolg zullen geven aan een rechterlijke uitspraak. Er zijn derhalve geen kosten geraamd voor ontruiming.
Overige risico's
Op 18 maart 2008 vroegen de raadsleden Kos (GroenLinks) en De Bakker (SP) naar twee risico-analyses; één van het stopzetten van de legalisering en één van het niet overdragen van de panden aan Ons Doel. Op beide vragen antwoord het college dat er geen risico-analyses zijn gemaakt. Daarnaast stelt zij: “Het doorgaan van de verkoop aan Ons Doel zal niet direct risico's met zich meebrengen anders dan dat de gemeente verantwoordelijk blijft voor het gebouw en op korte termijn direct noodzakelijk onderhoud moet plegen.”
15. Welk noodzakelijk onderhoud werd hier bedoeld?
Het onderhoud dat noodzakelijk is vanuit de verantwoordelijkheid die een eigenaar van vastgoed heeft c.q. kan hebben wanneer sprake zou zijn van mogelijke schade aan derden.
16. Gaat het college nog onderhoud plegen aan de panden voordat het in handen komt van de nieuwe eigenaar Atrium?
Nee.
17. Heeft het college inmiddels wel risico-analyses gemaakt of laten maken? En zo nee, waarom niet?
Voor zover wij weten zijn alle risico’s die rondom dit project spelen in kaart gebracht en gemeld aan de raad.
18. In welke juridische procedures met betrekking tot de Koppenhinksteeg is het college inmiddels precies verwikkeld? Graag een overzicht.
Chronologisch overzicht procedures rondom Vrijplaats Koppenhinksteeg te Leiden vanaf uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 10 oktober 2007 aangaande het bestemmingsplan Binnenstad I.
1. 15 oktober 2007, verzoek Wijkvereniging Pancras-West (hierna Pancras-West) aan voorzieningenrechter tot heroverweging van zijn uitspraak d.d. 21 februari 2007
2. 18 oktober 2007, verzoek Pancras-West aan College van Burgemeester en Wethouders van Leiden (hierna College) om handhavend op te treden tegen Stichting Ontmoetingsruimte de Linkse Kerk (hierna Linkse Kerk) en Vereniging Cultureel Centrum Bar en Boos (hierna Bar en Boos)
3. 22 november 2007, bezwaar Pancras-West tegen besluit College d.d. 30 oktober 2007 tot afwijzing verzoek om handhaving d.d. 18 oktober 2007
4. 29 november 2007, verzoek Pancras-West om voorlopige voorziening aangaande afwijzing College verzoek om handhaving d.d. 18 oktober 2007
5. uitspraak voorzieningenrechter 24 januari 2008 op verzoek Pancras-West d.d. 29 november 2007
6. 29 maart 2008, verzoek Pancras-West aan voorzieningenrechter tot wijziging van de bij uitspraak van 24 januari 2008 getroffen voorlopige voorziening
7. 9 april 2008, voorgenomen besluit College tot handhaving Linkse Kerk en Bar en Boos wegens strijdig gebruik bestemmingsplan alsmede verzoek College aan Voedsel en Waren Autoriteit om handhavend op te treden jegens Linkse Kerk en Bar en Boos
8. 23 april 2008, zienswijze Linkse Kerk naar aanleiding van voornemen College d.d. 9 april 2008 om over te gaan tot handhaving wegens gebruik begane grond Koppenhinksteeg 2/Hooglandse Kerkgracht 4 in strijd met bestemmingsplan
9. 23 april 2008, zienswijze Bar en Boos naar aanleiding van voornemen College d.d. 9 april 2008 om over te gaan tot handhaving wegens gebruik begane grond Koppenhinksteeg 4 in strijd met bestemmingsplan
10. 16 mei 2008, aanvullende zienswijze Linkse Kerk naar aanleiding van voornemen College om over te gaan tot handhaving wegens gebruik begane grond Koppenhinksteeg 2/Hooglandse Kerkgracht 4 in strijd met het bestemmingsplan d.d. 9 april 2008
11. 18 mei 2008, beslissing College op bezwaar Linkse Kerk d.d. 5 en 14 juni 2007 inzake weigering College verlening terrasvergunning Linkse Kerk
12. 28 mei 2008, beslissing College op bezwaar Pancras-West d.d. 22 november 2007
13. 2 juni 2008, bezwaar Linkse Kerk tegen niet tijdig beslissen op aanvraag om bouwvergunning d.d. 21 november 2006
14. 18 juni 2008, beroep Pancras-West tegen beslissing op bezwaar College d.d. 28 mei 2008 inzake verzoek om handhaving Pancras-West
15. 18 juni 2008 verzoek om voorlopige voorziening Pancras-West aangaande beslissing op bezwaar College d.d. 28 mei 2008
16. 9 juli 2008, Wob-verzoek dhr Heijkamp van Bar en Boos
17. 16 juli 2008 behandeling verzoek om voorlopige voorziening van Pancras-West bij de rechtbank Den Haag (hierna Rb)
18. 17 juli 2008, bezwaar Bar en Boos tegen weigering College te (blijven) gedogen tevens zienswijze tegen voornemen College om over te gaan tot handhaving wegens gebruik begane grond Koppenhinksteeg 4 in strijd met bestemmingsplan d.d. 9 april 2008
19. 21 juli 2008 betekening dagvaarding kort geding aan gemeente Leiden door Stichting Vrijplaats Koppenhinksteeg (hierna Stichting Vrijplaats), Linkse Kerk en Bar en Boos
20. 23 juli 2008, zitting kort geding
21. 30 juli 2008, uitspraak Rb inzake beroep en voorlopige voorziening Pancras-West d.d. 18 juni 2008
22. 2 augustus 2008, bezwaar dhr. Heijkamp van Bar en Boos tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op Wob-verzoek d.d. 9 juli 2008
23. 4 augustus 2008, vonnis Rb Den Haag in (civielrechtelijk) kort geding
24. 12 augustus 2008, beslissing College inzake Wob-verzoek dhr. Heijkamp van Bar en Boos
25. 14 augustus 2008, betekening dagvaarding spoedappel aan gemeente Leiden door Stichting Vrijplaats, Linkse Kerk en Bar en Boos
26. 1 september 2008, hoger beroep Linkse Kerk en Bar en Boos tegen uitspraak voorzieningenrechter d.d. 30 juli 2008
27. 5 september 2008, beroep Linkse Kerk tegen niet tijdig beslissen op bezwaar d.d. 2 juni 2008
28. 15 september 2008, handhaving bezwaar dhr. Heijkamp van Bar en Boos d.d. 2 augustus 2008 ondanks beslissing College Wob-verzoek d.d. 12 augustus 2008
29. 16 september 2008, memorie van antwoord gemeente Leiden in spoedappel
30. 27 september 2008, Wob-verzoek (voorgenomen overdracht Ons Doel) Linkse Kerk
31. 30 september 2008, verzoek om voorlopige voorziening inzake Wob-verzoek dhr. Heijkamp van Bar en Boos
32. 7 oktober 2008, besluit College bezwaar Linkse Kerk d.d. 2 juni 2008
33. 17 oktober 2008 bezwaar Linkse Kerk tegen niet tijdig beslissen op Wob-verzoek Linkse Kerk (voorgenomen overdracht Ons Doel) d.d. 27 september 2008
34. 31 oktober 2008, uitwerking Wob-verzoek dhr. Heijkamp van Bar en Boos
35. 3 november 2008, behandeling verzoek voorlopige voorziening dhr. Heijkamp Bar en Boos inzake bezwaar besluit Wob-verzoek, mondeling uitspraak ter zitting
36. 14 november 2008, beslissing College op uitwerking Wob-verzoek dhr. Heijkamp van Bar en Boos d.d. 31 oktober 2008
37. 14 november 2008, beslissing College op Wob-verzoek (voorgenomen overdracht Ons Doel) Linkse Kerk d.d. 27 september 2008
38. 27 november 2008, bezwaar Linkse Kerk inzake beslissing College d.d. 14 november 2008 op Wob-verzoek (voorgenomen overdracht Ons Doel) Linkse Kerk
39. 28 november 2008, aanvulling beslissing College van 14 november 2008 inzake Wob-verzoek dhr. Heijkamp van Bar en Boos.
40. 1 december 2008, bezwaar dhr. Heijkamp van Bar en Boos inzake Wob-verzoek
41. 2 december 2008, betekening dagvaarding civiele bodemprocedure aan gemeente Leiden door Stichting Vrijplaats, Linkse Kerk en Bar en Boos
42. 10 december 2008, besluit College tot toepassing bestuursdwang Bar en Boos wegens strijd Drank- en Horecawet
43. 22 december 2008, bezwaar Bar en Boos tegen beslissing College d.d. 10 december 2008 tot toepassing bestuursdwang
44. 24 december 2008, aanvulling beslissing College van 14 november 2008 inzake Wob-verzoek dhr. Heijkamp van Bar en Boos
45. 30 december 2008, verzoek Wob (verslagen/notities) Linkse Kerk
46. 8 januari 2009, besluit College op Wob-verzoek (verslagen/notities) Linkse Kerk d.d. 30 december 2008
47. 13 januari 2009, pleidooi inzake spoedappel Hof Den Haag
48. 19 januari 2009, beslissing op bezwaar Pancras-West d.d. 22 november 2007
49. 27 januari 2009, Wob-verzoek (inspecties paracommerciële organisaties) Linkse Kerk
50. 9 februari 2009, bezwaarschrift Linkse Kerk tegen besluit College 8 januari 2009 inzake Wob-verzoek (verslagen/notities)
51. 10 februari 2009, Arrest Hof Den Haag inzake spoedappel
52. 17 februari 2009, beslissing College op Wob-verzoek (inspecties paracommerciële organisaties) Linkse Kerk d.d. 27 januari 2009
53. 24 februari 2009, aanvulling bezwaar Bar en Boos d.d. 22 december 2008 inzake besluit College d.d. 10 december 2008 tot toepassing bestuursdwang
54. 5 maart 2009, beroep Pancras-West tegen beslissing op bezwaar College d.d. 19 januari 2009 (door Rb doorgezonden aan de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, hierna Afdeling)
55. 11 maart 2009, conclusie van antwoord gemeente Leiden in bodemzaak
56. 18 maart 2009, verlening Drank- en Horecawetvergunning aan Bar en Boos
57. 25 maart 2009, tussenvonnis Rb (bodemzaak)
58. 31 maart 2009, beroep dhr. Heijkamp van Bar en Boos tegen niet tijdig beslissen op bezwaar 1 december 2008 inzake Wob-verzoek
59. 1 april 2009, beroep Linkse Kerk tegen niet tijdig beslissen op bezwaar d.d. 27 november 2008 inzake Wob-verzoek (voorgenomen overdracht Ons Doel) Linkse Kerk
60. 4 april 2009, bezwaar Pancras-West tegen verlening horeca-vergunning Bar en Boos
61. 6 april 2009, betekening cassatiedagvaarding aan gemeente Leiden door Stichting Vrijplaats, Linkse Kerk en Bar en Boos
62. 9 april 2009, voorwaarschuwing wegens illegale bouwwerkzaamheden Bar en Boos
63. 16 april 2009, behandeling hoger beroep van de Linkse Kerk en Bar en Boos d.d. 1 september 2008 en hoger beroep Pancras-West d.d. 5 maart 2009 door de Afdeling
64. 17 april 2009, gemeente neemt conclusie van antwoord in cassatie
65. 23 april 2009, aanvraag bouwvergunning Bar en Boos ter legalisering illegale situatie
66. 4 mei 2009, beroep Linkse Kerk tegen niet tijdig beslissen op bezwaar d.d. 9 februari 2009 inzake Wob-verzoek (verslagen/notities)
67. 12 mei 2009, advies Commissie Beroep- en Bezwaarschriften inzake bezwaar besluit Wob-verzoek dhr. Heijkamp van Bar en Boos
68. 15 mei 2009 advies Commissie Beroep- en Bezwaarschriften inzake bezwaar besluit Wob-verzoek (verslagen/notities) Linkse Kerk
69. 21 mei 2009, zienswijze Pancras-West inzake aanvraag bouwvergunning Bar en Boos d.d. 23 april 2009
70. 10 juni 2009, uitspraak Afdeling inzake het hoger beroep van de Linkse Kerk en Bar en Boos d.d. 1 september 2008 en hoger beroep Pancras-West d.d. 5 maart 2009
71. 12 juni 2009 uitspraak Rb inzake beroep Linkse Kerk tegen niet tijdig beslissing op bezwaar d.d. 27 november 2008 inzake Wob-verzoek (voorgenomen overdracht Ons Doel) Linkse Kerk
72. 12 juni 2009, uitspraak Rb inzake beroep Linkse Kerk tegen niet tijdig beslissen op bezwaar d.d. 9 februari 2009 inzake Wob-verzoek (verslagen/notities)
73. 15 juni 2009, Wob-verzoek (BEM)Linkse Kerk
74. 16 juni 2009, beslissing op bezwaar College inzake Wob-verzoek (verslagen/notities) Linkse Kerk
75. 17 juni 2009, beslissing op bezwaar College inzake Wob-verzoek dhr. Heijkamp van Bar en Boos
76. 17 juni 2009, beslissing op bezwaar College inzake Wob-verzoek (voorgenomen overdracht Ons Doel) Linkse Kerk
77. 23 juni 2009, betekening dagvaarding tot heropening spoedappel aan gemeente Leiden door Stichting Vrijplaats, Linkse Kerk en Bar en Boos
78. 1 juli 2009, uitspraak Rb inzake beroep dhr. Heijkamp van Bar en Boos tegen niet tijdig beslissen op bezwaar inzake Wob-verzoek
79. 8 juli 2009, voorwaarschuwing toepassing bestuursdwang College inzake terras Linkse Kerk
80. 9 juli 2009, sommatiebrieven College aan enkele Vrijplaatsgebruikers
81. 10 juli 2009, beslissing College op Wob-verzoek (BEM) Linkse Kerk d.d. 15 juni 2009
82. 10 juli 2009, beroep van dhr. Heijkamp van Bar en Boos tegen beslissing op bezwaar College inzake Wob-verzoek Linkse Kerk
83. 10 juli 2009, beroep van Linkse Kerk tegen beslissing op bezwaar College d.d. 17 juni 2009 inzake Wob-verzoek (voorgenomen overdracht Ons Doel)
84. 10 juli 2009, beroep van Linkse Kerk tegen beslissing op bezwaar College d.d. 16 juni 2009 inzake Wob-verzoek (verslagen/notities)
85. 20 juli 2009, bestuursdwangbesluit College inzake terras Linkse Kerk
86. 21 juli 2009, Wob-verzoek (verkoopprocedure) Linkse Kerk
87. 21 juli 2009, sommatiebrieven College aan enkele Vrijplaatsgebruikers
88. 29 juli 2009, verlening Monumentenvergunning aan Bar en Boos
89. 5 augustus 2009, nieuwe aanvraag om bouwvergunning Bar en Boos (aanvraag van 23 april 2009 was niet-ontvankelijk)
90. 10 augustus 2009, comparitie na antwoord Rb (bodemzaak)
91. 11 augustus 2009, bezwaar Linkse Kerk tegen niet tijdig beslissen op Wob-verzoek (verkoopprocedure) Linkse Kerk d.d. 21 juli 2009
92. 11 augustus 2009, zienswijze Linkse Kerk inzake (voorgenomen) bestuursdwangbeschikking inzake terras Linkse Kerk d.d. 8 en 20 juli 2009
93. 12 augustus 2009, behandeling beroep Linkse Kerk d.d. 5 september 2008 Rb
94. 16 augustus 2009, zienswijze Linkse Kerk naar aanleiding van aanvraag bouw- en monumentenvegunning Hooglandse Kerkgracht 4, Koppenhinksteeg 2, 4 en 6.
95. 21 augustus 2009, bezwaar Pancras-West tegen verlening monumentenvergunning aan Bar en Boos d.d. 29 juli 2009
96. 26 augustus 2009, uitspraak Rb beroep Linkse Kerk d.d. 5 september 2008 97. 4 september 2009, College dient schriftelijke toelichting in bij Hoge Raad
98. 15 september 2009, bezwaar tegen niet tijdig beslissen op Wob-verzoek (verslag ARK) Linkse Kerk zoals opnomen in zienswijze d.d. 16 augustus 2009 (nb dit bezwaar is aangemerkt als Wob-verzoek omdat vraag in zienswijze d.d. 16 augustus 2009 niet als Wob-verzoek was herkend)
99. 23 september 2009, vonnis Rb in bodemzaak
100. 28 september 2009, nota van dupliek Stichting Vrijplaats, Linkse Kerk en Bar en Boos (cassatie)
101. 7 oktober 2009, zitting kort geding (ontruiming)
19. Op welke manier houdt het college rekening met een mogelijk verlies van de verschillende juridische procedures, zoals de bodemprocedure en klachten bij de Europese Commissie inzake onrechtmatige staatssteun? Graag een antwoord per procedure.
Het college ziet geen aanleiding om op uitspraken van de rechter of de Europese Commissie vooruit te lopen, maar ziet deze vol vertrouwen tegemoet.
20. In de raadsvergadering van 8 juli jl. stelde de wethouder, dat wanneer de vrijplaats wél behouden blijft, de gemeente nog steeds met dezelfde juridische kosten te maken heeft. Op welke procedures doelt het college, nu alle vrijplaatsactiviteiten in overstemming blijken met het bestemmingsplan en voldoen aan de benodigde vergunningen? En hoeveel kunnen deze procedures de gemeente naar schatting gaan kosten?
Bij voortzetting van de legalisering hadden verschillende besluiten, zoals vergunningen genomen moeten worden genomen die vatbaar waren geweest voor beroep en bezwaar. Daarnaast zou er regelmatig gecontroleerd moet worden als gevolg van klachten uit de buurt en de daaruit voortvloeiende handhavingsprocedures. De kosten van deze procedures waren afhankelijk geweest van de aard en omvang van het verweer. Een raming is niet te geven. Tegen deze kosten had geen opbrengst gestaan uit verkoop van vastgoed.
Inmiddels weten we uit de koopovereenkomst die gesloten is met Atrium dat de gemeente kosten zal hebben aan de walmuren en onderzoek naar asbest- en bodemsanering, en de verwijdering van asbest. De eerste 130.000 euro voor saneringskosten zal door de gemeente betaald worden, en indien de kosten hoger zijn dan 180.000 euro, wordt er onderhandeld over de verdeling van de meerkosten.
21. Waarom is gekozen voor 130.000 euro?
Het bedrag is een schatting omdat wij het pand nog niet hebben kunnen betreden voor onderzoek.
22. Hoeveel zal het onderzoek en de asbest- en bodemsanering naar schatting kosten?
Er is nog geen raming te geven omdat de gemeente het pand nog niet heeft kunnen betreden voor onderzoek. Zodra het pand leeg is wordt onderzoek verricht.
23. Hoeveel zal de renovatie van de walmuren naar schatting kosten?
De walmuur blijft gemeentelijk eigendom en dus zullen wij ook zorg dragen voor het noodzakelijke onderhoud.
Leugens in zaak Oostvlietpolder
(ingekomen 11 februari 2009)
Op woensdag 11 februari 2009 publiceert het Leidsch Dagblad een artikel met de kop “Leugens in zaak Oostvlietpolder”. Op basis daarvan wil de Socialistische Partij de volgende schriftelijke vragen stellen aan het college van Burgemeester en Wethouders.
Antwoord Burgemeester en Wethouders
(ingezonden 3 maart 2009)
1. Is het college van mening dat voor de ontsluiting van het bedrijventerrein in de Oostvlietpolder een vierde rijbaan op de Lammebrug nodig is?
Ja. Indien het bedrijventerrein in de Oostvlietpolder in de loop der jaren tot volledige ontwikkeling zal komen en er nog geen Rijnlandroute is, dan zal een vierde rijbaan noodzakelijk zijn.
2. Hoe beziet u uw mening in het licht van:
a. de uitspraak van de Raad van State van 20 april 2005 waarin gezegd werd dat de verkeersontsluiting niet goed geregeld kan worden als de Lammebrug niet “geherprofileerd” zou worden;
b. een rapport van de Provincie van 31 oktober 2005, waarin een verbreding van de brug wordt gepresenteerd als onderdeel van de ontsluiting van het bedrijventerrein Oostvlietpolder?
Onder verwijzing naar de beantwoording onder vraag 1, ziet het college geen reden tot aanpassing van haar standpunt naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State en het rapport van de Provincie.
3. Bent u op de hoogte van de memo van de afdeling Technisch Specialistisch Onderhoud van de provincie Zuid-Holland van 21 april 2005?
Ja. Sinds de publicatie in het Leids Dagblad (d.d. 11 februari 2009) over de Oostvlietpolder, heeft het College kennis kunnen nemen van de inhoud van dit memo.
4. Zijn de conclusies van die memo correct weergegeven in het Leidsch Dagblad?
Nee. Het college kan zich niet vinden in de inhoud van het artikel. De strekking van het artikel is dat de vierde rijbaan niet kan worden aangelegd. Het college concludeert uit het memo dat de vierde rijbaan na grootschalige renovatie mogelijk is. Overigens had de memo betrekking op de aanpassing van de brug aan de noordzijde. Uit de reactie van gedeputeerde Van Dijk hebben wij inmiddels begrepen dat hij uitgaat van de zuidzijde. De memo lijkt daardoor niet meer relevant.
5. Kunt u de inhoud van die memo openbaar maken?
Inmiddels heeft de Provincie het memo openbaar gemaakt.
6. Heeft u, zoals het Leidsch Dagblad zegt, de provincie ondersteund toen deze de Raad van State verzekerde dat de constructie onder de gehele brug stevig genoeg is voor een vierde rijbaan?
Gezien het feit dat het een provinciale brug betreft, is het college uitgegaan van de informatie van de provincie omtrent de staat van de brug en de eventueel benodigde renovatie.
7. Hoe rijmt u dat met de genoemde memo van 21 april 2005?
Het college ziet geen strijdigheid met het memo van 21 april 2005. Voor de bestemmingsplanprocedure is van belang dat het bestemmingsplan een bouwvergunning mogelijk maakt voor een brug met vier rijbanen. Het bestemmingsplan staat het toevoegen van een extra rijbaan en de benodigde renovatie toe. De technische staat was planologisch geen belemmering voor de aanleg van een vierde rijbaan.
8. Bent u van mening dat een vierde rijstrook alleen mogelijk is als de brug compleet verbouwd wordt?
Nee. Het college is in het verleden door de provincie geïnformeerd dat rekening gehouden moest worden met een renovatie bij de daadwerkelijke aanleg van een vierde rijbaan.
9. Heeft u de kosten voor een nieuwe Lammebrug in de grondexploitatie van het project Oostvlietpolder opgenomen?
Nee.
10. Past een brug met een vierde rijstrook binnen het vigerende bestemmingsplan?
Ja.
11. Is er onderzoek gedaan naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit van een vierde rijbaan?
Ja.
Tot slot enkele vragen over de procedure bij de Raad van State:
12. Speelde de verkeersontsluiting een belangrijke rol in de procedure bij de Raad van State?
Ja.
13. Wat is uw inschatting: indien de inhoud van de memo van 21 april 2005 bij de Raad van State bekend zou zijn, zou de Raad van State nog steeds de provincie in het gelijk hebben gesteld?
Het college is van mening dat de inhoud van het memo niet van invloed is op de uitspraak van de Raad van State, omdat het bestemmingsplan de toevoeging van een rijstrook en daarmee de eventueel benodigde renovatie mogelijk maakt. Het college van Gedeputeerde Staten heeft eenzelfde inschatting gemaakt.
Overigens is het voor het college niet mogelijk te beoordelen wat de invloed van het memo op een beslissing van de Raad van State zou zijn geweest.
Marketing evenementen
(ingekomen 6 maart 2009)
Van mevrouw Plaizier, namens het Platform Recreatie, ontvingen wij het bezwaar dat Leiden Marketing (LM) het aanbieden van groepsarrangementen dat voorheen door de VVV werd uitgevoerd, zou hebben uitbesteed aan een commercieel evenementenbureau. Met als argumentatie vanuit LM dat het hier een commerciële activiteit betreft die niet tot de corebusiness behoort van Leiden Marketing.
Voor de helderheid: wij stellen niet ter discussie dat het aan LM is om te beslissen dat zij deze functie uitbesteedt, noch aan wie.
Wij onderschrijven echter wel de zorg van het Platform Recreatie dat het zonder extra waarborgen gunnen aan één commercieel bureau van het groepsarrangementaanbod, zoals dat zich voorheen op de site van VVV Leiden presenteerde, het risico met zich brengt dat de onafhankelijkheid van die site gevaar loopt.
Wij hechten er groot belang aan dat verzekerd is dat voor de promotie van de variatie aan activiteiten in Leiden, één duidelijke, onafhankelijke en klantvriendelijke toegangspoort is tot de informatie daarover.
Het is in onze visie zo dat Leiden Marketing juist is opgericht om o.a. déze taak te behartigen.
Wij hebben als raad middelen beschikbaar gesteld aan Leiden Marketing, waartegenover o.a. de tegenprestatie zoals boven vermeld zou worden geleverd.
Kijken we echter naar de digitale toegangspoorten tot Leiden dan valt het volgende op:
Op de portal Leiden Stad van Ontdekkingen (een project van Leiden Marketing) komen bezoekers via het aanklikken van evenementen terecht op een link waarop de evenementenkalender staat en een aantal festivals.
Hier is geen verwijzing te vinden naar aanbieders van evenementen. Onder andere kopjes, bij bijvoorbeeld grachten, zie je dat wel, inmiddels staan hier álle rederijen in Leiden vermeld.
De site VVV Leiden verwijst onder groepsarrangementen naar evenementen waarbij telkens de gekozen uitvoerder als tussenaanbieder optreedt, met vermelding dat dit bureau een samenwerkingsverband is aangegaan met de VVV.
Op deze site is geen overzicht te vinden van álle aanbieders van groepsarrangementen in Leiden. Dat is volkomen logisch gezien de uitbesteding en desgevraagd blijkt dat álle aanbieders van groepsarrangementen zijn uitgenodigd hier hun aanbod onder te zetten.
Het is wat ons betreft echter een gemiste kans dat op deze wijze de onafhankelijkheid van de VVV site niet optimaal benut lijkt.
Onder de zoekterm groepsarrangementen Leiden komt de bezoeker overigens terecht op de site van weer één andere commerciële aanbieder. In elk geval niet bij de portal, of een directe link naar álle aanbieders. In onze ogen wederom een gemiste kans.
Deze proef en onze zorg leidt ons tot het stellen van de volgende vragen op grond van artikel 43 van het reglement van orde:
Antwoord van Burgemeester en Wethouders
(ingezonden 14 april 2009)
1. Is het College het met ons eens dat het voor de promotie van Leiden belangrijk is dat in eerste instantie de portal van Leiden één helder en compleet overzicht aanbiedt van alle groepsarrangementen (en andere activiteiten) die mogelijk zijn in Leiden, met direct doorverwijzing naar aanbieders?
Ja. De kern van de citymarketingorganisatie Leiden Marketing, met als front-Office het Visitors Centre Leiden (VCL), is de bundeling van de krachten van de Stadspartners voor de gezamenlijke citymarketing van Leiden, voor het aantrekken van meer toeristische en zakelijke bezoekers naar de stad. Het is belangrijk dat bezoekers een zo helder en volledig mogelijk beeld krijgen van het toeristisch en zakelijk product van Leiden.
2. Is het college het daarnaast met ons eens dat het van belang is voor Leiden dat het merk VVV zijn onafhankelijkheid behoudt als informatiepunt voor het totale aanbod aan toeristische activiteiten in Leiden?
Ja. Op dit moment exploiteert Leiden Marketing/VCL de VVV-Leiden als zelfstandig onderdeel. Vanaf de opening van het VCL worden de VVV-taken gastheerschap en informatieverstrekking, ondergebracht in het VCL. Dat beoogt de informatievragen van toeristische en zakelijke bezoekers zo goed mogelijk te beantwoorden. Leiden Marketing/VCL is hierbij objectief ten opzichte van alle arrangementen uit Leiden.
3. Is het college het met ons eens dat het bij de beoogde functie van Leiden Marketing hoort ervoor zorg te dragen dat onder de zoekterm groepsarrangementen, via de portal, de VVV-site, of via welke link dan ook, een directe link is naar het totale aanbod in Leiden? Dat dit zelfde geldt voor álle zoektermen waaronder mensen zoeken naar activiteiten in Leiden?
Ja. De verwarring is ontstaan doordat het betreffende bedrijf met een banner vermeld staat op de homepage van de site van VVV-Leiden. De overige aanbieders staan onder ‘Stadsbezoek’, met een doorklik mogelijkheid naar de ‘aanbieders van groepsarrangementen’ vermeld op site van VVV-Leiden.
Leiden Marketing/VCL heeft aangegeven dat het de bedoeling is dat, alle aanbieders gelijkelijk op dezelfde pagina vermeld worden, met een extra mogelijkheid van vermelding van een banner. Op korte termijn wordt de banner-vermelding op de homepage van de VVV Leiden-site verwijderd. Zodra de marketingcapaciteit van Leiden Marketing/VCL is uitgebreid, worden ook de andere aanbiedende partijen benaderd voor de mogelijkheid van vermelding op de site van Leiden Marketing/VCL.
Voor een aanloopperiode zal dat gratis zijn. Daarna zal Leiden Marketing/VCL een voor alle partijen gelijke vergoeding voor vermelding op de website vragen. Voor vermelding van een banner wordt een extra bijdrage gevraagd, omdat dit een hogere attentiewaarde heeft. Reden van de vergoedingen, is dat Leiden Marketing/VCL, conform de ‘UVOK Leiden Marketing 2009-<metricconverter productid="2012’" w:st="on">2012’</metricconverter>, moet zorgen voor cofinanciering van de gezamenlijke citymarketing door het bedrijfsleven.
Overigens zijn wij van mening, dat Leiden Marketing/VCL bij de vermelding van bedrijven op de site, ook kwaliteitseisen mag stellen aan de dienstverlening van de bedrijven.
4. Klopt het bericht dat het college niet alleen het standpunt onderschrijft dat het aan het bestuur van Leiden Marketing zelf is om te bepalen aan wie zij deze portefeuille willen aanbieden, maar dat de gemeente zich in deze afzijdig wil houden, om niet in deze vrijheid te treden, door de bezwaren van het Platform zelf bespreekbaar te maken in het bestuur waarvan zij onderdeel uitmaakt?
Ja, dat klopt. Wij zullen erop toezien dat Leiden Marketing/VCL via de site het volledige stadsaanbod laat zien. Daar zullen wij ook op inzetten via het bestuur van Leiden Marketing/ VCL. Hierbij verwijzen wij ook naar de beantwoording van vraag 3 met betrekking tot de vermelding op de site en het hanteren van kwaliteitseisen door Leiden Marketing/VCL.
5. Kan het college aangeven of en zo ja, op welke andere wijze ervoor is zorg gedragen dat álle aanbieders gelijke toegang hebben tot mogelijke klanten in de zin dat klanten op deze wijze direct op het totale aanbod gewezen zullen worden?
Voor de vermelding van aanbieder van arrangementen en andere activiteiten op de website, verwijzen wij naar de beantwoording van vraag 3. Wel zijn wij van mening dat Leiden Marketing/VCL zelf mag bepalen aan wie zij werkzaamheden uitbesteedt of waar zij producten en arrangementen inkoopt, onder de conditie dat hierbij zorgvuldigheid betracht wordt.
6. Is het college bereid om alsnog in haar functie als medebestuurslid er in het bestuur van Leiden Marketing erop aan te dringen dat in overleg getreden wordt met de vragers, verenigd onder het Platform Recreatie, om een goede oplossing te vinden voor het realiseren van een onafhankelijk totaaloverzicht?
Met verwijzing naar hetgeen wij hiervoor hebben geantwoord, zijn wij van mening dat Leiden Marketing/VCL tot een goede oplossing komt met de vragers. Deze oplossing zal vanzelfsprekend gecommuniceerd worden naar genoemd Platform.
7. Op welke wijze zal het college bepleiten in het bestuur dat het VCL als baliefunctie ervoor gaat zorg dragen dat alle aanvragers voor groepsarrangementen op het totale aanbod gewezen zullen worden?
Met verwijzing naar hetgeen wij hiervoor hebben geantwoord, zijn wij van mening dat de aanvragers van groepsarrangementen in Leiden voldoende op de hoogte kunnen zijn van het aanbod in Leiden.
Mogelijke verkoop van vastgoed; Eksterpad 6 in Leiden
(ingekomen 4 maart 2008)
Het gebouwtje aan het Eksterpad wordt al langere tijd gehuurd door
Stichting In en Uit/de Kringloopwinkel en
Platform Vluchtelingenorganisaties Leiden (PVL).
Er heerst onzekerheid over mogelijke verkoop en/of afbraak van het gebouwtje. Daar dit een steeds vaker voorkomend fenomeen is in Leiden en de Stadspartij Leiden Ontzet zich daar, samen met de huurders, grote zorgen over maakt verzoeken wij u, gezien artikel 43 van het Reglement van Orde van de Gemeenteraad, de volgende vragen schriftelijk te beantwoorden:
Antwoord van Burgemeester en Wethouders
(ingezonden 14 april 2009)
1. Kan het College duidelijkheid geven over het voornemen van de gemeente het pand aan het Eksterpad 6 , waarvan de kingloopwinkel St. In en Uit en het PVL de gebruiker zijn, te verkopen?
Er bestaat geen voornemen om deze locatie op korte termijn te verkopen.
2. Is er een wijziging in het bestemmingsplan van het pand aan het Eksterpad 6 en de omliggende gebouwen? Toelichting: tijdens de districtsraad vergadering van 11-2-09 in Buurtcentrum Op Eigen wieken werd er door iemand van Portaal opgemerkt dat het Binnenterrein (hiermee doelende op alle gebouwen van en rond het Eksterpad 6) in de toekomst plat zullen gaan.
In het ontwerpbestemmingsplan Merenwijk (2004) zijn plannen opgenomen voor ontwikkeling van woningbouw op de locatie Eksterpad/Valkenpad. Deze ontwikkeling is in het uiteindelijk vastgestelde bestemmingsplan Merenwijk (RB 05.0168 d.d. 20 december 2005) komen te vervallen. Tijdens genoemde districtsraad is, aan de hand van een subsidieaanvraag die gedaan is bij VROM in het kader van de preventiegelden, in algemene bewoordingen aandacht besteed aan de ontwikkeling van Slaaghwijk waarvan ook mogelijke herontwikkeling van het zgn. middengebied onderdeel kan zijn.
3. Is het het College duidelijk wat PVL, de 3 kinderclubs en de kringloopwinkel in het pand doen? Is het bekend dat beide organisaties vrijwilligersorganisaties zijn die zich vanuit vrijwillige inzet inzetten voor het welzijn van de mensen in de buurt? En is het duidelijk wat de sociale functie van de organisaties voor de buurt is?
Het College is bekend met de activiteiten en hun sociale functie die in het genoemde pand plaatsvinden. Een aantal organisaties wordt zelfs ondersteund door de gemeente met subsidiebijdragen.
4. In de vastgoednota staat vermeld dat ongeacht het wel of niet verkopen van het pand , er in de toekomst voor alle gemeentepanden een marktconforme huur betaald zal moeten gaan worden. Hoe hoog is de marktconforme huur van het pand voor beide organisaties?
In de vastgoednota, waar u naar verwijst, zijn voorgenomen uitgangspunten voor het vastgoedbeleid opgenomen. Deze voorgenomen uitgangspunten zijn in december 2008 in de inspraak is geweest. Er zijn 183 inspraakreacties ontvangen. Over de beantwoording van de inspraakreacties zullen wij in april een besluit nemen. Onze besluitvorming zal worden verwerkt in de aan de raad voor te leggen uitgangspunten voor het beleidskader vastgoed. Op dit moment is nog niet duidelijk hoe hoog de marktconforme huur zal zijn voor het pand van door u genoemde organisaties. Er is nog geen opdracht gegeven aan makelaars om de marktconforme huur te taxeren. Wij willen niet vooruit lopen op de besluitvorming door de gemeenteraad.
5. In de Vastgoed nota staat vermeld dat (zie uitgangspunten 4.3 par. 3): ‘de gemeentelijke vastgoedportefeuille beperkt zich tot .....punt D: beleidsondersteunend vastgoed voor organisaties en functies, die beleidsmatig gewenst worden en niet aan de markt kan worden onttrokken’. In dit geval wordt het pand niet verkocht maar blijft het eigendom van de gemeente. Vallen de organisaties die gebruik maken van het pand aan het Eksterpad 6 onder dit punt (en zal het pand derhalve niet verkocht gaan worden)?
In de uitvoeringsfase, na besluitvorming over het beleidskader vastgoed door de raad, zal nader worden opgesteld. In dat plan zal voor alle panden van de gemeente worden vastgesteld tot welke categorie deze panden horen.
Overwegingen bij de eventuele verkoop aan Vattenvall van aandelen NUON
(ingekomen 6 maart 2009)
Proloog.
NUON bestaat uit:
A) Een handelsonderneming (inkoop, productie en verkoop van elektriciteit en gas).
B) Een onderneming voor beheer en onderhoud van straatverlichting in Leiden (Dynamicom).
C) Een onderneming voor het transport en levering van stadsverwarming in Leiden.
D) Het lokaal netwerkbedrijf van gas en elektriciteit.
Ad C:
Destijds is er een warmtekracht centrale aan de Langegracht opgericht voor de productie van warmte (stadsverwarming), waarbij ook elektriciteit werd geproduceerd.
Enige jaren geleden is deze centrale (productie) verkocht aan EON.
NUON-warmte verkoopt de stadswarmte door aan de afnemers inclusief het transport van warmte.
In de prijs van warmte aan de afnemers zit een component voor energiebelasting.
Volgens de wet is het niet toegestaan energiebelasting te heffen op warmte.
NUON draagt immers ook geen energiebelasting op warmte af aan de staat.
Dat is dus pure winst voor NUON.
De WK-centrale wordt gevoed door gas waarover al energiebelasting is geheven.
Daarnaast werkt NUON-warmte nauw samen met ENECO.
Door de WK centrale heeft NUON Leiden als producent van elektriciteit jarenlang tegen een lager tarief kunnen inkopen op het landelijk netwerk.
Ad D:
Het was de bedoeling van de wetgever dat het netwerkbedrijf werd afgesplitst.
Het is ook onze mening dat op het netwerkbedrijf niet mag worden bezuinigd om Amerikaanse toestanden in het locale netwerk te voorkomen. Dat was ook de opzet van de wetgever.
Om tot een gewogen oordeel te kunnen komen verzoeken wij u, gezien artikel 43 van het Reglement van Orde van de Gemeenteraad, de volgende vragen schriftelijk te beantwoorden:
Antwoord van Burgemeester en Wethouders
(ingezonden op 14 april 2009)
1. Welke onderdelen A, B, C en D worden nu wel en welke niet verkocht aan Vattenvall?
Alleen A, het Productie en leveringsbedrijf (PLB) wordt gefaseerd verkocht aan Vattenfall.
De onderdelen B, C en D bestaan niet zoals door u beschreven in de vraag.
Nuon is operationeel gesplitst in twee bedrijven het eerdergenoemde PLB en het NWB (Netwerkbedirjf) Aliander. Aliander bestaat uit de netbeheerder, Liander, en onderdelen die diensten leveren voor aanleg en onderhoud van complexe energie-infrastructuren, Liandon, verlichting van de openbare ruimte en beheer van verkeersregelinstallaties, Liandyn (voorheen dynamicon).
De netbeheerder is verantwoordelijk voor het beheer van elektriciteits- en gasnetten en de aansluiting en het transport van elektriciteit en gas in het voorzieningsgebied.
2. Waarop is de onderlinge verdeling van de opbrengsten gebaseerd?
Het financiële resultaat van Nuon wordt in het financieel jaarverslag niet uitgesplitst naar regionale componenten.
Het financiële resultaat van Nuon over 2008 is wel gesplitst in een resultaat van het PLB en het NWB.
3. Wordt er in de verdeling van de opbrengst rekening gehouden met de typische Leidse componenten B en C?
Deze typisch Leidse componenten bestaan niet binnen de bedrijfsvoering van Nuon.
De gemeente Leiden ontvangt als aandeelhouder van de n.v. Nuon dividend. Het dividendbeleid van Nuon is dat 45% van de winst na belastingen wordt uitgekeerd aan de aandeelhouders.
Er worden geen afzonderlijke componenten van het resultaat met individuele aandeelhouders verrekend.
4. Heeft de gemeente Leiden al meegedeeld in de opbrengst van de verkoop van de WK-centrale Langegracht?
De WK-centrale is in 1987 verkocht aan de EZH, de opbrengst is in het bedrijf gebleven. De EZH is uiteindelijk in 2000 opgegaan in E.ON. De EWR is in 1998 opgegaan in Nuon. Daarmee maakt de opbrengst van de centrale deel uit van het vermogen van Nuon. Nuon is dus nimmer eigenaar geweest van de WK-centrale aan de Langegracht. Het warmtebedrijf van Nuon neemt wel warmte af van deze centrale.
5. Hoeveel heeft dit ( punt 4 )opgebracht?
De centrale is in 1987 verkocht door de EWR aan EZH. De EWR kende in die tijd geen dividenduitkering toe aan de aandeelhouders.
6. Wat is de juridische verhouding tussen ENECO-warmte en NUON-warmte?
Er is geen juridische verhouding tussen ENECO en NUON.
7. Indien overname door ENECO ( punt 6 ); wat was de opbrengst?
Hier is geen sprake van.
8. Wat denkt de Gemeente Leiden te gaan doen aan de onterechte indirecte heffing van energiebelasting op warmte?
De prijsstelling van warmte is gebaseerd op het “Niet Meer Dan Anders” principe. Dat houdt in dat prijs van warmte is gekoppeld aan de prijs van gas. Warmte mag niet duurder zijn dan gas. In de prijsstelling van gas zit ook de component energiebelasting, hieruit volgt direct, op basis van het genoemde principe, dat ook in de prijs van warmte energiebelasting is verwerkt.
Volgens onze informatie is er dus geen sprake van onterechte indirecte heffing van energiebelasting op warmte.
Provinciale memo Lammebrug in verband met de zaak Oostvlietpolder
(ingekomen 11 februari 2009)
De raadsfractie van de ChristenUnie Leiden heeft met verbazing kennisgenomen van het een artikel in het Leidsch Dagblad van vandaag (‘Leugens in zaak Oostvlietpolder’, LD woensdag 10 februari 2009) dat melding maakt van een bestaan van een provinciaal memo inzake de noodzakelijke vervanging van de Lammebrug voor de ontsluiting van het bedrijventerrein in de Oostvlietpolder. In de zaak 200700614/1 voor de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is op aangeven van in ieder geval de Provincie er van uitgegaan dat dit niet nodig zou zijn. We willen u hierover de volgende schriftelijke vragen ter beantwoording voorleggen:
Antwoord van Burgemeester en Wethouders
(ingezonden 3 maart 2009)
1. Is het College op de hoogte van de inhoud van het memo uit 2005 waaruit blijkt dat de Lammebrug inderdaad zeker vervangen moet worden bij gebruik van vier (2x2) autorijstroken?
Ja. Sinds de publicatie in het Leids Dagblad (d.d. 11 februari 2009) over de Oostvlietpolder, heeft het College kennis kunnen nemen van de inhoud van dit memo. De strekking van het memo is anders dan u in uw vraagstelling en in de berichtgeving in het Leidsch Dagblad gesteld wordt. In het memo wordt geconcludeerd dat de aanleg van een vierde rijbaan met een grootschalige renovatie mogelijk is.
Overigens had de memo betrekking op een aanpassing van de brug aan de noordzijde. Uit de reactie van gedeputeerde Van Dijk hebben wij inmiddels begrepen dat hij uitgaat van de zuidzijde. De memo lijkt daardoor niet meer relevant.
2. Was het College van B&W van Leiden van deze omstandigheid op de hoogte ten tijde van de zitting bij de Raad van State? Zo ja, waarom heeft de vertegenwoordiger van de gemeente Leiden hier niet op ingegrepen?
Nee.
3. Is het de inschatting van het College dat met de kennis van het memo de beslissing van de Afdeling Bestuursrechtspraak van 19 november 2008 anders zou zijn uitgevallen? (antwoord graag met toelichting) Ziet het college hierin aanleiding een verzoek tot herziening van deze voor Leiden belangrijke zaak in te dienen?
Het is voor het college niet mogelijk te beoordelen wat de invloed van het memo op een beslissing van de Raad van State zou zijn geweest.
Nee.
4. Is het College van mening dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State door hetzij de provincie Zuid-Holland, hetzij de Gemeente Leiden in deze zaak op het verkeerde been is gezet?
Nee.
5. Is – indachtig het antwoord op de vorige vraag – het college met ons van oordeel dat hiermee ook het collegebesluit omtrent bebouwing van de Oostvlietpolder anders uit had moeten vallen?
Nee. Zie ook het antwoord op vraag 3. Het laatste besluit over de bebouwing van de Oostvlietpolder is overigens een raadsbesluit waarin het bestemmingsplan is vastgesteld.
6. Wat kost het vervangen van de Lammebrug voor een 4-baans versie (globaal geraamd)?
Welke consequenties heeft dit voor de gemeente Leiden en de Provincie?
Er is geen kostenraming voor een 4-baansversie opgesteld. Uitgangspunt voor de ontwikkeling en ontsluiting van de Oostvlietpolder is de aanleg van de Rijnlandroute.
Indien onverhoopt de aanleg van de Rijnlandroute (conform het Voorkeurstracé) geen doorgang zou kunnen vinden, zal de gemeente met de Provincie in overleg treden om een goede oplossing voor de N206 door Leiden, inclusief de Europaweg en Lammebrug, te vinden.
Vermeende leugens in de zaak Oostvlietpolder
(12 februari 2009)
De CDA-fractie Leiden heeft kennis genomen van het artikel in het Leidsch Dagblad van woensdag 11 februari inzake vermeende leugens in de zaak Oostvlietpolder.
Op grond van artikel 43 van het Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad willen wij u namens de fractie van het CDA dan ook de volgende vragen stellen:
Antwoord van Burgemeester en Wethouders
(ingezonden 3 maart 2009)
1. Heeft het college kennis genomen van het bovenstaande artikel uit het Leidsch dagblad?
Ja
2. Heeft het college inmiddels contact opgenomen met het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland over het in het artikel genoemde memo waarin de afdeling Technisch Specialistisch Onderhoud op 21 april 2005 concludeert dat de Lammebrug een vierde rijbaan niet aan kan?
Ja
3a. Indien u hierover met het college van Gedeputeerde Staten contact over opgenomen heeft: kunt u de inhoud van het artikel uit het Leidsch Dagblad op basis daarvan bevestigen? M.a.w.: is het betreffende memo inderdaad bewust achtergehouden in de procedures die de provincie gevoerd heeft?
I) Nee, het college kan zich niet vinden in de inhoud van het artikel. De strekking van het artikel is dat de vierde rijbaan niet kan worden aangelegd. Het college leest in het memo dat de vierde rijbaan na grootschalige renovatie wel mogelijk is. De eindconclusie in het memo luidt: In het geval het toch gewenst is vier rijbanen over de brug te voeren, kan worden overwogen de boven- en onderbouw van de brug grootschalig te renoveren.
Overigens had de memo betrekking op een aanpassing van de burg aan de noordzijde. Uit de reactie van gedeputeerde Van Dijk hebben wij inmiddels begrepen dat hij uitgaat van de zuidzijde. De memo lijkt daardoor niet meer relevant.
II) Nee. Voor het overige verwijzen wij naar de beantwoording van GS.
3b. Indien u geen contact opgenomen heeft met college van Gedeputeerde Staten: bent u van plan alsnog contact op te nemen over het betreffende memo? Waarom wel? Waarom niet?
Niet van toepassing.
4. Beschikte het college reeds voor de publicatie van het betreffende artikel in het Leidsch Dagblad over informatie van gelijke strekking? Zo niet, heeft het college dan toch op basis van andere informatie getwijfeld over de haalbaarheid van een vierde rijbaan op de Lammebrug (d.w.z. zonder de constructie van de brug zelf te herzien)?
Ten tijde van de procedure bij de Raad van State is vanuit de provincie (door een medewerker Ruimte en Wonen) gemeld dat rekening gehouden moet worden met renovatie van de brug. Het bestemmingsplan maakt deze renovatie mogelijk en dat is van belang in de bestemmingsplanprocedure.
5. Bent u van mening dat – gesteld dat het in het artikel genoemde memo inderdaad op deze wijze is opgesteld en al dan niet bewust is achtergehouden in de gevoerde juridische procedures – het denkbaar is dat dit van invloed is geweest op de uitkomst van de uitspraken van de Raad van State? Waarom wel? Waarom niet?
Nee.
Het is voor het college niet mogelijk te beoordelen wat de invloed van het memo op een beslissing van de Raad van State zou zijn geweest.
6. Indien u van mening bent dat het mogelijk achterhouden van een memo inzake de technische haalbaarheid van een vierbaans rijstrook over de Lammebrug denkbaar van invloed is geweest op het eindoordeel van de Raad van State, bent u dan met de CDA-fractie van mening dat dit nieuwe feit ook raakt aan de afspraken die in het coalitieakkoord zijn gemaakt over de bebouwing van de Oostvlietpolder?
Niet van toepassing. Zie antwoord op vraag 5.
7. Is het college bereid alle activiteiten die betrekking hebben op de ontwikkeling van de Oostvlietpolder stop te zetten totdat duidelijk is dat het in het Leidsch Dagblad genoemde feit inzake het achterhouden van het memo van de afdeling Technische Specialistisch Onderhoud, niet van invloed is geweest op de besluiten van de Raad van State?
Nee. Zie antwoord op vraag 5.
We verwijzen u voor de volledigheid naar de uitkomst van het debat in Provinciale Staten waarbij moties M130 en M131 verworpen zijn.
8. Kunt u meedelen, of de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak alvorens het deskundigenadvies aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uit te brengen, aan u en/of Gedeputeerde Staten alle gegevens met betrekking tot de constructie van de brug heeft gevraagd?
Het StaB heeft de gemeente Leiden gegevens gevraagd over de brug. De gemeente heeft de StaB ter verkrijging van deze gegevens doorverwezen naar de Provincie. Het college verwijst hierbij naar het advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak, kenmerk StAB/37742/H, d.d. 9 oktober 2007, eerste alinea op pagina 36.
9. Is het u bekend, of Gedeputeerde Staten bereid zijn om, als de draagkracht van de brug niet voldoende zou zijn om het verkeer over de 4 vereiste rijstroken te kunnen verwerken, de constructie zodanig te wijzigen, dat de draagkracht wel voldoende wordt? Graag een toelichting hierbij.
De inzet van de Provincie is er op gericht de verkeersafwikkeling op te lossen met de aanleg van de Rijnlandroute. Indien onverhoopt de aanleg van de Rijnlandroute (conform het Voorkeurstracé) geen doorgang zou kunnen vinden, zal de gemeente met de Provincie in overleg treden om een goede oplossing voor de N206 door Leiden, inclusief de Europaweg en Lammebrug, te vinden.
